Banner

Willem Vermandere

Als ik zing (1984)

Matthieu Van Steenkiste - 01 december 2001

Met Flip Kowlier mag de hipheidsfactor van het West-Vlaams al ernstig zijn toegenomen, de peetvader van het West-Vlaams blijft toch nog altijd über-bard Willem Vermandere. Tijd om zijn meesterwerk van onder het stof te halen.

Vermandere had er begin jaren ’80 al een hele carrière opzitten en met "Blanche en zijn peird" mocht hij zelfs een kleinkunsthitje op zijn naam schrijven. Maar in die donkere jaren — waarin het licht volgens Wilfried Martens pas scheen aan het einde van een lange tunnel — groeide de West-Vlaming pas echt naar zijn artistieke top toe. In 1984 bereikte hij een hoogtepunt.

Als ik zing was de plaat waarop Vermandere al zijn kunstjes tot puur diamant sleep: humor, sarcastische maatschappijkritiek, bezinning… het stond er allemaal in zijn beste vorm. En de bard slaagde erin ons dingen te laten slikken waar anderen ons enkel mee irriteren: laat Geert Bourgeois het vijf minuten hebben over de geschiedenis van het onderdrukte Vlamingske en wij slaan groen en geel uit. Vermandere bezingt in de titelsong hetzelfde, en wij kunnen enkel ontroerd zijn (zonder daarom plots alles op de Walen te gaan steken trouwens). Omdat Vermandere met trots zingt en niet vanuit een slachtofferrol.

Wullem is vooral een man van mededogen, niet van oud-testamentische strijdlust: hij kijkt met een meewarige blik naar de mensheid en bezingt de onbeholpenheid van een mentaal gehandicapt buurtmeisje ("Reintje") en het aanstaande huwelijk van een kindvrouwtje ("Krullebolle"). Meevoelen doet hij ook met de kleine Jezus ("Arme Jezus") die hij een in- en intrieste schooljeugd toedicht. Waarmee hij meer waar vertelt dan vier evangelisten samen ooit konden.

Desondanks is hij geen man van pathetiek. Rasechte West-Vlaming als hij is, grossiert hij in laconieke levenswijsheden en is hij op zijn best in bitterzoete fabels als "Ballade der Antiquiteiten" en "De grote Bekering", die niet van humor zijn gespeend. Want lachen is gezond, zoals met het knotsgekke verhaal van "De zes Jagers" en het koldereske "Voilà c’est ça". Ook "Morgenuchtend gaan we trouwen" stoelt op een zelfde recht-door-zee-en-niet-klagen levensvisie.

Een veeg uit de pan krijgt de mensheid in "De Schepping" waarin God plotseling beseft dat hij een foutje heeft gemaakt en dan maar vlug-vlug het "eten en gegeten worden"-principe uit zijn pols schudt. Tot de mens komt, die zelfs zijn eigen broer doodslaat en het nog bonter maakt. Geheel conform de jaren tachtig eindigt Vermandere bijtend: "’k Hé van ons raketten nog niets verteld!" Als Doe Maar het over de bom mocht hebben, dan deze oude rot zeker.

Zodus? Er is geen zodus. U zult Willem niet missen, als u hem niet in huis haalt. Evenmin zult u uw leven verrijkt hebben met een zanger die als geen een mededogen kan combineren met een vlijmscherpe observatie van de maatschappij. Willem is een fijne mens en heeft met Als ik zing een klassieker gemaakt die hier ten huize op zijn minst de mondhoeken doet krullen. En op zijn best soms luidkeels doet meebrullen: "klakkeboem, klakkeboem, klakkeboem!".

E-mailadres Afdrukken