Banner

'Invisible Blow'

Ab Baars Trio + NY Guests

26 november 2011, Bimhuis (Amsterdam)

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 27 november 2011

Een Belgisch concert zat er helaas niet in, dus was het aanbod om het slotconcert van deze tour mee te pikken te mooi om aan te weerstaan. We zagen in het Bimhuis, nog altijd de mooist gelegen concertzaal van de Lage Landen, een spetterend slotconcert van een band die binnenkwam met een forse rechtse en de controle dertien ronden lang niet meer uit handen gaf.

Ter gelegenheid van twintig jaar Trio verscheen onlangs niet enkel een indrukwekkend overzicht (vier oude albums en het uitstekende nieuwe Gawky Stride), maar werd eveneens een tournee georganiseerd waarvoor het drietal Ab Baars (tenorsax, klarinet, shakuhachi), Wilbert de Joode (bas) en Martin Van Duynhoven (drums) werd bijgestaan door zangeres Fay Victor en hoornspeler Vincent Chancey, een knaller die het voorbije jaar bij ons nog te zien was aan de zijde van Charlie Haden en Dave Douglas. De telepathische interactie van de Nederlanders werd zo nog eens versterkt en verrijkt tot een bij momenten erg weelderige sound die je normaal zelden associeert met het steeds sterker uitgepuurde werk van Baars.

De tournee kreeg al snel een bijzondere invalshoek. Naar aanleiding van het lezen van Joyce Carol Oates’ On Boxing werd gezocht naar een dertiental teksten over “(…) opstaan na een nederlaag, herinneringen aan pijn, … maar ook leuke dingen.” Het boksen als metafoor voor het leven, het leven als metafoor voor het boksen. Hiervoor werd heil gezocht bij moderne auteurs (Seamus Heaney), maar net zo goed bij antieke poëzie (Aischylos), stemmen uit binnen- (Hans Faverey) en buitenland. Extra gast voor dit concert was dichteres Anneke Brassinga, die enkele vertaalde teksten voordroeg, maar ook eigen werk voorstelde. Haar levendige, ritmisch afgewogen stijl werd gebracht met een combinatie van bedachtzaamheid en humor die ook de muziek kenmerkte. Maar poëzie was ook een collectieve bezigheid, met meerdere passages waarbij de muzikanten, al dan niet simultaan, poëzie opzegden of uitspuwden, en taal en woord een creatieve dans lieten uitvoeren.

De muziek onderging daarbij voortdurend gedaantewisselingen, nu eens ongedurig en ongrijpbaar met dwarrelende melodieën en dan weer verrassend eenvoudig en direct van opzet. En wat er ook met gulle hand in gestoken was, dat was vuur. Vanaf het eerste stuk, een uitwerking van Bukowski’s “The Loser”, leek een ontketende Victor uit te pakken met een opgejutte scheldtirade, waarbij de uithalen van de blazers haast op sirenes leken. Het was van een heftigheid die je normaal zelden te horen krijgt bij dit trio, maar met sprekend gemak uitgevoerd werd. Vooral Van Duynhoven, die zich leek af te vragen wat in godsnaam het verschil was tussen het Bimhuis en z’n eigen living, maakte al indruk met enkel z’n aanwezigheid. Nu pas werd extra duidelijk hoe zeer hij het allemaal onder controle heeft, hoe leep hij met ritmes omspringt, hoe hij het geheel kan (bij-)sturen.

Het kwintet overtuigde als geheel; zo werd de versie van Robert Creeleys “Consolatio” eentje met verschillende individuele en collectieve hoogtepunten en kreeg een aan Monteverdi ontleend stuk gaandeweg een verbluffend mooie ontwikkeling. Individueel ging het er al even imposant aan toe, waarbij Baars nog maar eens liet horen een wereldklepper te zijn op de klarinet (met gierende uithalen in een bluesy compositie die voor de rest helemaal gedomineerd werd door een lustig brullende Victor, en elders jankend en lekker wegpompend op die tenor), Chancey zowel imponeerde met lijzig weerwerk (een prachtig samengaan van de klankkleur van hoorn en zang in Wiliam Carlos Wiliams’ “Descent”) als expressieve geluidenbricolage, en de Joode er ritmisch op los timmerde, aan het brommen ging met de strijkstok en met van Duynhoven zorgde voor een onweerstaanbare fond.

Revelatie van de avond was misschien toch wel Victor, die ondanks een verkoudheid steeds het volle pond bleef geven, nu eens met lieflijk gefluisterde lettergrepen en woorden (zelfs in het Nederlands!), en dan weer met rauwe kreten, soms met de stotterende cadans van een Tourette-patiënt, of met de onverstoorbare flow van een hiphoppredikant of volbloed souldiva. Haar ongepolijste stemgeluid kwam de composities, vaak ruwe schetsen die terplekke heruitgevonden konden worden, alleen maar ten goede en ze voorzag het concert van een aardsheid en energie die het intensiteitspeil alleen maar de hoogte in joeg. Was het de ene keer aandoenlijk intimistisch -- een kort duet van Victor met Baars op shakuhachi werd in pure schoonheid alleen maar benaderd door een volgende duet met Vincent Chancey --, dan was het vlak erna soms al heel andere koek: filmisch, theatraal, soms flipperend van expressieve blues naar ingetogen hymne in een en hetzelfde nummer.

Bovenal viel echter op hoe ingenieus woord en muziek geïntegreerd werden, hoe genres en ideeën ten dienste gesteld werden van het rijm, klank, metrum en gevoelslading. Net zoals Henneman met haar Sextet vorig jaar de grenzen tussen genres en tijdperken sloopte, zo gingen Baars en co. ook aan de slag met een multidisciplinair spektakel dat compositie, improvisatie, jazz, performance en taal tot een imponerend geheel wist te kneden. Het resultaat was een programma dat twee uur lang moeiteloos kon boeien en gebracht werd met ronduit fantastische inventiviteit en empathie. ‘Invisible Blow’ was een voltreffer, een opeenvolging van linkse en rechtse directen, stoten op het hoofd en het lichaam. Het was, net zoals de afsluitende speech (ook poëzie) van Muhammad Ali over George Foreman (“The Mummy”), een loepzuivere knock-out. Wow.

E-mailadres Afdrukken