Banner

Noira, Josh T. Pearson

21 mei 2011, Botanique

Jurgen Boel - 22 mei 2011

Het is een naam die er op het laatste nog bijkomt. Zijn voorprogramma duikt pas laat op de website op. En waarom wordt hij ook alweer op hetzelfde moment als Low geprogrammeerd? Niet dat hij er zoveel gelijkenissen mee toont, maar hij vist alvast meer in dezelfde vijver dan pakweg Caribou die ook die avond optreedt.

We hebben het hier uiteraard over Josh T. Pearson, de indrukwekkende bebaarde prediker die met Last Of The Country Gentlemen een van die platen uitbracht waar in december vast nog over gesproken zal worden. Zijn voorprogramma zal die eer vast niet te beurt vallen. Niet omdat Olivier Piette de man achter Noira een Franstalige Belg is, maar vooral omdat hij ondanks een fraai stel stembanden en een soms indrukwekkend technisch gitaarspel, vergeet waar het bij songs in de eerste plaats om gaat: dat het songs zijn. Noira blijft te veel hangen in het peloton van sympathieke singer-songwriters, zonder eigen identiteit of geluid om langer dan een halve minuut te boeien.

Pearson daarentegen weet perfect hoe hij een publiek moet bespelen, zelfs wanneer hij naar eigen zeggen slechts een uur geslapen heeft. En in tegenstelling tot wat zijn muziek (en uiterlijk) laat vermoeden, is hij allesbehalve die getormenteerde ziel wiens kwelduivels middels muziek getemd dienen te worden. Na meteen de puntjes op de i gezet te hebben door te stellen dat hij ongelooflijk grappig is (het is geen grootspraak) en de aanwezige dames net zoals bij zijn vorige doortocht in de Botanique aan te raden snel te vluchten, wordt met “Thou Art Loosed” de aftrap gegeven.

Ondanks wat storende feedback en geluidsflarden van een andere band die op hetzelfde moment elders optreedt (naar alle waarschijnlijkheid Montevideo in de Chapiteau) komt de schoonheid van het nummer duidelijk tot uiting. Ook het daarop volgende “Sweetheart, I Ain’t Your Christ” zorgt voor het nodige kippenvel, zelfs al durft Pearson bij de “hardere” stukken zichzelf kwijt te raken in wat op het randje van een geluidsbrij balanceert. Het -- geheel conform de plaatopbouw-- er na gespeelde “Woman, When I've Raised Hell” mag meteen ingekaderd worden.

Helaas volgt ondanks de vraag vanuit het publiek geen “Honeymoon’s Great: Wish You Were Her” -- al bedankt Pearson de juffrouw in kwestie - - maar wel het even mooie “Sorry With A Song” en tot slot “Country Dumb”. Tussendoor tracht Pearson nog Leonard Cohens “Hallelujah” te brengen, maar wanneer hij niet verder dan twee lijnen raakt, geeft hij er de brui aan en volgt het vermelde “Sorry With A Song”. Ook psalm 137 (beter bekend als “The Rivers Of Babylon” dankzij Boney M.) duikt als noblesse oblige op in de set, maar wordt al snel weer afgebroken.

Pearson is er duidelijk niet helemaal bij, maar houdt er desondanks de sfeer in met enkele muzikantengrappen, verscheidene oproepen om naar Low te gaan (en desnoods zijn optreden te verlaten), complimenten naar de band die zijn set verstoort (“ze klinken best wel goed”) en de schietoefeningen op de opgezette vogels die aan het plafond van het museum hangen. Dat hij opeens beseft dat er boven zijn hoofd een gier “cirkelt” weet hij te counteren met gespeelde angst voor deze prachtige lelijke dieren.

Het cliché van de lach en de traan is Pearson op het lijf geschreven. Alsof hij zelf aanvoelt dat zijn deprimerende muziek nood heeft aan een lichtere noot tussendoor om draaglijk te blijven, blijft hij op twee benen hinken. Enerzijds door met volle overgave zijn zwaarmoedige songs te brengen maar ze anderzijds net zo goed met een kwinkslag van hun emotionele ballast te ontdoen. Ondanks de vermoeidheid en onbedoelde achtergrondklanken van de andere band zet Pearson een onvergetelijke set neer, die zozeer nazindert dat een bezoek aan Low ondanks alles onnodig aanvoelt.

E-mailadres Afdrukken