Banner

DOMINO 2011

Sightings, Liturgy, Merzbow

12 april 2011, AB Club

Guy Peters - 13 april 2011

De Club was goed volgelopen voor de slotconcerten van de laatste Domino-editie, die verzameld werden onder de noemer ‘The Art Of Noise’. Dat er een act tussen stond die weinig uitstaans had met dat label werd dan weer gecompenseerd door de artiest die er als geen ander de ultieme belichaming van is.

Het trio Sightings pakte meteen uit met ongemakkelijk zittende noiserock die het niet meteen moest hebben van een brute aanslag op het gehoor, maar uiteindelijk toch even compromisloos was. Het vreemde daarbij was dat de New Yorkse band, die intussen al een decennium bezig is en een zevental albums heeft uitgebracht, nog steeds klinkt als een project in transitie. Dat heeft het voordeel dat de band niet comfortabel in een makkelijk zittende zetel neerploft en het nadeel -- en dat woog toch sterker door -- dat je vaak achterbleef met een vlees-noch-vis-gevoel, dat nog eens in de hand gewerkt werd door de holier-than-thou-attitude die het gezelschap uitstraalde.

De sound was alleszins opmerkelijk, door het gebruik van tapes, elektronische drums en de reguliere drumkit, een bassist die resoluut z’n eigen ritmes opzocht en een gitarist die steevast koos voor een metalig kervende sound die zo van bij de eerste generatie experimentele postpunkbands had kunnen komen. Het was koude, afstandelijke muziek, die nu een dan flirtte met het zieke sfeertje van de oude Swans of de no wave, en op andere momenten in de richting van abstracte noise leek te willen evolueren, inclusief uit het niets opduikend, aanstellerig gekerm en het gevoel dat Cabaret Voltaire en/of Psychic TV pas beluisterd werden in de tourcamionette.

Dat Liturgy vooral uitgekotst wordt door genrepuristen, was volledig te begrijpen door zijn korte set. Dat het kwartet ondanks de voorliefde voor black metal weinig uitstaans lijkt te hebben met de vaandeldragers van dat genre werd eens te meer duidelijk. De nummers, die bijna allemaal geplukt werden uit hun uitstekende, zopas uitgebrachte tweede plaat (Aesthethica), kwamen aanvankelijk niet echt tot hun recht, iets waar vooral de wat lompe sound schuldig aan was, al onderstreepte het ook het unieke karakter van de muziek. De unieke tremolocontrasten van opener “High Gold” gingen volledig verloren in een vlakke sound waar de zang veel te sterk bovenop lag.

De zang werd dan ook niet gespuwd door een vies, kwaad ventje, maar een jonge knaap die er verrassend minzaam, zelfs engelachtig bij stond. Zelfs in z’n hevigste momenten -- en soms worden er serieuze muilperen uitgedeeld -- blijft de band immers een dromerige, hypnotiserende kwaliteit uitdragen die weinig uitstaans heeft met het grimmige rioolsfeertje van veel black metal. Wat ook opviel is dat de set (meer nog dan het album) uitpakte met hoekiger composities, zoals “Generation” en “Veins Of God”, repetitieve lappen die best indruk maakten. Het was echter jammer dat de rijke sound van de recente worp pas op het einde tot z’n recht leek te komen. Geen triomf dus, maar een prima optreden waarmee toch wat zieltjes gewonnen werden.

Tenslotte Merzbow (Masami Akita), de Japanse noisegoeroe, die misschien wel het meest gepaste orgelpunt is dat het ten grave gedragen festival zich kon wensen. De meningen over ’s mans ‘muziek’ (daar begint de discussie al) blijven kregelig gevoerd worden in zwart/wit-termen, en met het krappe uurtje dat te horen viel in de Club zal daar geen verandering in komen. De koning van de harsh noise, die zich de voorbije drie decennia prima wist te handhaven in de veranderende technologieën, pakte uit met een verzengende set, die zelfs in de AB met z’n strengere dB-controle even wist te overdonderen. Hoe hij die stortvloed van geluid produceert blijft ons een mysterie (we blijven laptop- en knopjesanalfabeten), maar het blijft een auditieve versie van Delvoye’s kakmachien: alle denkbare machinale geluiden worden bij elkaar gebracht, verwerkt tot een smurrie en tegen een zo hoog mogelijk volume uitgeprot.

Withete ruis, uit z’n voegen gierend gepruttel en gedender, kervend geschuur, industriële noise: het zit er allemaal in. Hier en daar duikt er tijdelijk een onderhuids kloppende puls op, waardoor de link met andere elektronische muziek even tastbaar wordt, maar uiteindelijk heeft dit te maken met verschuivende textuurschakeringen die in het beste geval zorgen voor een trance. Voor een groot deel van het (overenthousiaste) publiek kon de pret niet op, al waren we na een halve set suf geramd door die monotone barrage. Bovendien is een schriel Japannertje achter een tafel weinig boeiend om naar te kijken. Appreciatie blijft dan ook subjectief: is Merzbow een geluidsfascist of een echte vrije geest? Gaat het om een welgekomen nekschot voor tamme conventies of is het masturbatoir gezeik? Genie of charlatan? Aan u de keuze. Wat er ook van zij, veel gepaster dan met dit fucking lawijt kon het festival zichzelf moeilijk de nek omwringen. ’t Is mooi geweest, tijd om nog een ouwe James Brown op te gooien.

E-mailadres Afdrukken