Banner

London Calling, 12 en 13 november 2010, Paradiso (Amsterdam)

Elmo Lê van - foto's: Elmo Le-Van - 15 november 2010

London Calling brengt de bands van de toekomst samen op één plaats: Paradiso in hartje Amsterdam. Twee dagen lang wordt de concertzaal omgetoverd tot het walhalla voor hypespotters en algemeen vroege vogels. Een uitstekend initiatief waar de bands van morgen de kans krijgen om door te breken bij het grote publiek. Het kaf overtrof deze editie echter het koren; we telden meer teleurstellingen dan uitschieters.

Blur, The Libertines en Bloc Party. Drie bands die in het begin van hun -- grote -- carrière naar de oude kerk in Amsterdam werden gehaald. Niemand kende ze, tot na hun passage op London Calling de poort naar de grote muziekwereld opende. Met die gedachte in het achterhoofd trekken de hipsters uit Amsterdam tweemaal per jaar naar de Paradiso om de bands te spotten die wel eens in de voetsporen kunnen treden van de groten. Voor de tweede keer trok goddeau naar de stad waar er meer coffeeshops dan supermarkten zijn. Niet voor de kruidenstokjes, enkel voor de muziek.

Dag één

Er is maar één band deze editie die afstapt van de coole rocklook: Jaill. De groepsleden staan wat onzeker op het podium maar weten wel hoe stevige garagerock de nodige sixtieselementen mee te geven. “The Stroller” is met zijn agressieve drums en snedige gitaartonen een van de opwindendste nummers die dit weekend worden afgeleverd en “Everyone’s Hip” bevestigt al snel dat Jaill, mits enige schaving, een uitstekend rockbandje kan worden. Een aangename kennismaking.

”I want to be a pony, I want to be your one and only”, zingt de boomlange frontman van Race Horses met een stem die identiek is aan die van Pete Doherty. De broek opgetrokken tot net onder de oksels, het kapsel van een jonge Paul McCartney, en een handvol popsongs die doen denken aan Super Furry Animals. Popmuziek van het lichtere genre zonder variatie, zonder één keer overtuigend uit de hoek te komen. Maar we hebben het pas echt gezien als ze in hun moedertaal -- een soort Welsh -- beginnen te kwelen.

Het Britse Airship heeft met “Algebra” een radiohitje te pakken . De gitaren beschikken dan ook over de nodige scherpte om een hele zaal te doen ontploffen en de elektronica stormt als een losgeslagen paard doorheen het nummer. “Algebra” is echter het enige goede dat Airship te bieden heeft. Even denken we dat de nieuwe Two Door Cinema Club is opgestaan, tot het maar een kloon van het -- intussen gesplitte -- Air Traffic blijkt te zijn. Stuk voor stuk slechte popnummers en dat in combinatie met de nonchalante attitude van de bandleden. Stap op jullie luchtschip en verdwijn, jongens!
Maar het kan nog erger: North Atlantic Oscillation hangt ergens tussen The Flaming Lips en het speelse van Grandaddy maar verder dan saaie spacepop met veel ruis van The Big Pink komen de Schotten nooit. Het klinkt zo complex dat de bandleden zelf niet meer weten waarmee ze bezig zijn. Geen idee waar men deze groep heeft opgescharreld.

“Please be quiet during Villagers” staat te lezen op de deuren van Paradiso. Wonderkind Conor O’Brien is qua karakter vergelijkbaar met Kevin Parker van Tame Impala maar muzikaal slaat Villagers een compleet andere weg in. De psychedelica waarachter Parker zich verstopt, is bij O’Brien een zoete wolk vol folkpop. De heldere fluisterzang van O'Brien sluit moeiteloos aan bij de rustgevende melodieën die op een simpele -- maar mooie -- manier worden verpakt. “Becoming A Jackal” en “I Saw The Dead” zijn liedjes om harten mee te veroveren. Iets dat Villagers al een heel jaar doet.

We zien het u al afvragen: “stonden er eigenlijk Britpoppers op London Calling?” Ja, welgeteld twee: The Futureheads en Frankie & The Heartstrings. The Futureheads is ondertussen een vaste waarde geworden, Frankie & The Heartstrings komt net piepen. Maar kijk eens aan; het viertal uit Sunderland raast als een bezeten sneltrein door de set en scoort de ene voltreffer na de andere. Op sleeptouw genomen door charismatische frontman Frankie Francis -- met Morrissey-kuif --, presenteert de groep frisse retropop in een moderne verpakking met net dat tikkeltje meer. Frankie & The Heartstrings duikt tijdens bescheiden hit “Ungrateful” terug in de jaren zestig om frisse gitaarlijnen rond te strooien, terwijl tijdens “Hunger” resoluut voor een hoog meezinggehalte wordt gekozen. Verrassend goed.

Veel goeds viel er niet meteen te zien. The Knocks bijvoorbeeld, een producer-duo uit New York dat overal met lovende kritiek wordt onthaald en deel uitmaakt van Jay-Z’s platenlabel, brengt geen bling bling hip hop à la 50 Cent maar frenchpop met catchy electrodeuntjes. Songs als “Make It Better” en “Dance With The DJ” lonken naar radiohits van Chromeo en Martin Solveig, maar het is vooral tijdens de remixes van Jason Derulo en The Killers dat de -- lichtjes -- beschonken Hollanders compleet uit hun dak gaan. The Knocks kan misschien wel een hit scoren op MNM maar veel livemuziek was er niet aan deze show: dit was een zwakke dj-set met keyboard en percussie als decoratie.

Wat we constateren na de opzwepende set van Ratatat? Dat het duo het wonderkind van de live-electronica is. Ontoegankelijke, experimentele electronica wordt met scherpe gitaarriffs tot iets dansbaar gekneed en de Oosterse, psychedelische tinten in “Shempi” en “Drugs” leiden tot de vreemdste danspassen die een mens ooit zal uitvoeren. Buiten de gitaar, bas en enkele synthdeuntjes komt alles uit een laptop, maar het is op z’n minst efficiënt. Iets wat van The Knocks daarnet en Summer Camp straks niet gezegd kan worden.

Is Tropical maakt in tegenstelling tot de helft van de affiche wel kans op een doorbraak. Commercieel zal de live-electronica nooit worden maar de melodieën klinken zo gedreven en aanstekelijk, dat elk nummer een adrenalineboost opwekt. Het drietal verbergt zich in duisternis, waar felle lichtflitsen beletten dat het publiek helemaal wegdwaalt in de elektronische wereld van Is Tropical. Perfectionisme is echter geen aandachtspunt voor de Britten; tot tweemaal toe moeten ze een nummer opnieuw starten door de onoplettendheid van de drummer. Aan de liveperformance moet nog geschaafd worden, de rest komt vanzelf.

Dag twee

Er zijn nog bands die origineel uit de hoek kunnen komen. Lulu & The Lampshades haalt de koekjestrommel, typemachine en xylofoon nog eens uit de kast om zomerse folknummers in elkaar te knutselen. Best schattige muziek die frontvrouw Luisa en haar kompanen afleveren maar het viertal verliest af en toe de draad. Bij momenten is dit aanstekelijk, meestal echter vervelend. Het blijft een teleurstellende brij van vreemde instrumenten.

Een EP en twee albums uitbrengen maar toch nog op London Calling staan? Dan weet je al snel dat er een heuse deal mee gemoeid was om Good Shoes in Amsterdam te krijgen. Het draait allemaal rond indiepop zonder catchy gitaarriffjes, flauwe melodieën en een zanger die niet zingt maar bromt als een versleten tractor. Het viertal maakt tijdens opener “The Way My Heart Beats” nochtans de connectie met het publiek maar lost vanaf dan stilaan de greep. Niets van hun goedkoop gerammel blijft in onze gedachten hangen. Te ontwijken, mochten ze ooit uw pad kruisen.

Eerlijk? Op basis van MySpace is Summer Camp misschien wel het meest opwindende dat we afgelopen jaar gehoord hebben. Jeremy Warmsley, bekend als singer-songwriter, en Elisabeth Sankey duiken met Summer Camp in de polaroidcollectie van de grootouders en brouwen een geluid dat past bij cocktails en hete stranden. Live raakt het duo, op “Round The Moon” en “Ghost Train” na, nooit uit de startblokken. Een backingtrack doet het werk, Warmsley schudt zelden een frisse gitaarriff uit zijn mouw en Sankey zingt wat onwennig mee. De retropop heeft potentieel maar de liveact stelt niets voor. Misschien is een drummer en toetsenist zoeken al een begin?

Net als in de AB onlangs doet Warpaint het ook vandaag erg goed. Waren de vier meiden een jaar geleden nog nobele onbekenden, dan is de all-girls band uit L.A. momenteel een van de betere groepen die de muziekwereld te bieden heeft. Het spelplezier tussen drumster Stella Mozgawa en bassiste Jenny Lee Lindberg staat in schril contrast met de ingetogen manier waarop gitaristes Emily Kokal en Theresa Wayman staan te spelen. “Bees” en “Beetles” klinken bedreigend angstig maar krijgt de hele zaal in trance, bespookt door de heldere zang van Kokal en Wayman. Het viertal heeft slechts zeven nummers vol stevige psychedelica en shoegaze nodig om iedereen van zijn sokken te blazen.

En nog maar eens een groepje van surfrockers die zich allemaal gelijkaardig kleden en over surfen zingen: Beach Fossils. Als Joy Division een kind heeft met The Drums klinkt het ongetwijfeld als de dromerige pop van Beach Fossils. De groepsleden springen heen en weer als konijnen op speed en weten hoe ze leuke popnummers als “Daydream” moeten maken. Degelijk, maar stuk voor stuk nummers die we dit jaar al duizend maal hebben moeten aanhoren. Voor hetzelfde geld brak deze groep voor The Drums en Best Coast door en kaapten ze hoofdprijs weg, nu zitten ze ergens in het peloton.

De ontdekking van Pukkelpop, tegenvallend in de Botanique maar terug uitstekend op London Calling, Tame Impala is aan zijn laatste concert van het jaar op Europese bodem toe en dat is te zien aan frontman Kevin Parker. Hij ziet er fris uit en tintelt wanneer hij met een enorme grijns “this is fucking amazing” fluistert. Tame Impala is op een paar maanden tijd gegroeid als liveband: er zit meer drive in de set en eindelijk valt er enig spelplezier te bemerken. Vanaf de eerste noot van “It’s Not Meant To Be” tot het opzwepend “Half Full Glass Of Wine” staart iedereen vol bewondering naar de lange lokken van Parker. De perfecte copycats van de psychedelische Beatles zou je ze kunnen noemen, maar “sterk” past beter.

“Hé is dat The Fall?” schiet ons door het hoofd als de jonkies van The Neat hun eerste noten spelen. We horen postpunk die aanleunt bij de scherpte van Test Icicles en de efficiëntie van The Fall. Slecht is het niet, maar nooit weet The Neat een eigen geluid te creëren. Het doet vooral denken aan Beat Pyramid, het debuut van These New Puritans enkele jaren geleden, maar zelfs al wordt het publiek er wild van, wij zien geen rooskleurige toekomst voor The Neat weggelegd.

“You guys have great pot!”. Beach Fossils vermelde het eerder al, Wavves is er als de kippen bij om hen gelijk te geven. Kleine rebel Nathan Williams steekt een joint op, trekt een paar keer stevig door vooraleer zijn wondermiddel door te geven aan enkele enthousiastelingen. Dé perfecte start voor een half uur stevig doorrammen tot iedereen alle hoeken van de zaal heeft gezien. De ene tiener na de andere klimt op het podium, pakt uit met een marginale dans om bijgevolg als een gek te crowdsurfen. Maar was het ook goed? Best wel, ja.

Twee uur ’s nachts. Het bed lonkt maar aan een laatste naam kunnen we niet weerstaan. The Hundred In The Hands schotelt op zijn gelijknamig debuut de vetste potpourri van het jaar voor maar brengt vooral popsongs die nooit echt blijven hangen. Het duo weet echter hoe het zijn muziek kan omtoveren van flauwe pop naar strakke discopunk, met de zoete stem van Eleanore Everdell als belangrijkste troef. In een mum van tijd dropt het duo de ene climax na de andere in een openbarstende Paradiso. The Hundred In The Hands doet live wat het op plaat niet kan: een feestje bouwen.

E-mailadres Afdrukken