Banner

Rickie Lee Jones

17 maart 2010, Botanique

Maïté Lê van  - 18 maart 2010

Op het podium is ze niet zelden een klerewijf, maar toch blijft iedere passage van Rickie Lee Jones interessant. Omdat ze een sleutelfiguur is in de singer-songwriterscene, omdat elke plaat -- twaalf ondertussen -- die ze maakt, blijft boeien, en omdat elk optreden onvoorspelbaar is.

Vier maanden geleden schold de ondertussen 55-jarige Rickie Lee Jones haar publiek in Het Depot ter begroeting nog de huid vol, omdat ze de opkomst maar magertjes vond. Toegegeven, spelen voor een driekwart lege zaal die je eraan herinnert dat je gloriejaren al zo’n jaar of twintig gepasseerd zijn, het moet geen pretje zijn. Tien jaar eerder verzamelde ze eveneens slechts een drietal rijen in de AB, zette ze haar twaalfjarige dochter achter het drumstel omdat de echte drummer vastzat aan de douane en hield het na een halfuurtje (gelukkig) voor bekeken. Misschien daarom dat Rickie Lee Jones vanavond met een grote glimlach en een nog grotere buiging het podium opkwam. De Orangerie van de Botanique stond namelijk -- als bij wonder -- helemaal vol en werd hiervoor beloond met een twee uur durend concert, waarin Jones zowel haar uitzonderlijk talent als onnodige pijnpunten blootlegde.

Opener “A Second Chance” was alvast veelbelovend. Jones’ stem -- inderdaad, die waar Tom Barman zo verliefd op is in “Hotellounge” -- beweegt zich als een soepele saxsolo rond gitaar, bas en drum. Ex Sal Bernardi, de gitarist die in Leuven als een hond werd afgesnauwd, bleef ditmaal wijselijk thuis. Bassist Joey Maramba en drummer/toetsenist Lionel Cole volgden wél onderdanig de aanvankelijk bitsige instructies van de frontvrouw en kregen geregeld een goedkeurend knikje hun richting uitgestuurd. En met reden: het spelplezier spatte van de twee muzikanten af, daarbij de anders zo barse Jones mee in hun elan sleurend. Hun tongue-in-cheeck calypsobewerking van “Young Blood”, waarop Maramba -- rasta’s, afgewassen Tom & Jerry-t-shirt, kilt -- de meligste r’n’b-backings bovenhaalde was hilarisch en goed geconfectioneerd. Ook andere klassiekers zoals “Satellites” en “Weasel And The White Boys Cool” kregen speelsere versies aangemeten.

Toch wankelde Jones van haar koord toen ze “Living It Up” -- toch een van haar mooiste nummers -- de verdoemenis in speelde door middel van een lompe, nutteloze beat en belachelijke “oe-oe”-backings. Maar goed dat ze tijdens de laatste strofe de piano van Lionel Maramba overnam en naadloos een hartenbrekend “A Lucky Guy” inzette, een nummer uit 1981 (Pirates) dat recentelijk nog niet op een Belgische setlist verscheen. Ook dat is een plezier aan Rickie Lee Jones: haar setlists veranderen voortdurend, als een slang windt ze zich rond haar uitgebreide oeuvre en tovert geregeld vergeten pareltjes boven. Zo groef ze “Away From The Sky” nog eens op, uit Flying Cowboys (1989). Ze breidde het nummer aan een recente droom over John Lennon & Yoko Ono op het strand. Een tekst als “Come into my trailer/We’ll toast a little bread/Oh look, you’ve left a hole/Where you laid on my bed/He said” herinnert teder aan de genialiteit van de singer-songwriter. Ook “Perhaps one girl who was moving in a fine line/Finds one boy in back/That she can always stand behind/And it’s you and me” uit een immer ontroerend “It Must Be Love” hoort thuis in die categorie.

We waren al over de helft toen Jones langs haar neus weg liet vallen dat ze een nieuwe plaat uit heeft. Andere artiesten zouden de setlist volstouwen met voornamelijk werk uit dat laatste album, niet Rickie Lee Jones. Zij koos vanavond opvallend vaak voor The Evening Of My Best Day, haar post 9/11-plaat uit 2003, maar ook haar experiment met triphop, Ghostyhead (1997) kwam aan bod. De spoken word van “Cloud Of Unknowing” herinnerde aan Jones’ bijdrage aan “Little Fluffy Clouds” van The Orb. Een lang uitgesponnen “Vessel Of Light” resulteerde in verveling. Jones is niet de meest inspirerende muzikante, toch verloor ze zichzelf te vaak in nutteloos gesoleer. Toen ze zelf achter het drumstel kroop, hielden we dan ook even onze adem in, maar ze bracht het er goed van af. Een geïmproviseerd “Coolsville” kwam wat stuntelig over, maar Traffics “The Low Spark Of High-Heeled Boys” had het wel volledig bij het rechte eind.

Afsluiten deed ze met een triootje uit haar nieuwe plaat, Balm In Gilead, waaruit ze twee trieste break up-nummers (“Het heeft me tien jaar gekost om van hem weg te gaan. We kenden één goed en negen verschrikkelijke jaren”) koos en “Wild Girl”, een verjaardagssong voor haar dochter Charlotte (die van het drumstel).

Dat Rickie Lee Jones, zoveel jaren na wereldhit “Chuck E’s In Love” (dat ze vanavond niet bracht, maar waarvan ze wel plagerig terloops de intro speelde), niets van haar eigenzinnigheid en lef kwijt is, bewees niet alleen haar doorschijnende zwarte bloes die geen moeite deed haar ouderdomsvet te verhullen. Ze blijft een van de meest inspirerende singer-songwriters en mag daarom voor ons part nog vele steken laten vallen.

E-mailadres Afdrukken