Banner

D-A-D

7 november 2009, Handelsbeurs

John Cossement  - 08 november 2009

Are you by any chance Danish”? vraagt de pickup artist in ons aan de appetijtelijke geblondeerde deerne van de T-shirtverkoopstand. Ze blijkt Schots te zijn en helaas, haar halve trouwboek staat op armlengte van ons. We druipen gelaten af richting podium dat al opgesmukt is met een afbeelding van een koeienschedel, het bekende logo van de schromelijk onderschatte Deense rockformatie D-A-D.

{image}

Denemarken en rockmuziek, het is een vrij onbekend terrein. Het muziekfestival Roskilde moge u niet onbekend zijn en de redelijk onuitstaanbare Lars Ulrich heeft er zijn roots. De voor de metal invloedrijke King Diamond (Merciful Fate) en rockbands als The Raveonettes en Volbeat zijn uit dit onooglijke Scandinavische land afkomstig. En ja, voor de quizfanaat in u: het Deense rock/pop-duo The Olson Brothers won in 2000 het Eurovisie Songfestival. Goddeau weet evenwel, in een paternalistische bui verkerend, wat goed voor u is en in haar pedagogische taak wil ze u de melodische harde rock van D-A-D, een band die al meer dan twintig jaar spetterende optredens en albums van hoogstaand niveau aaneen rijgt, leren savoureren.

De rockers van D-A-D ontmoetten elkaar begin jaren 80 in het Kopenhaagse punkmilieu en opereerden onder de naam Disneyland After Dark tot de advocaten van de nazaten van de heer Disney een stokje tussen de wielen staken en ze noodgedwongen verder gingen onder de naam D-A-D. Hun cowpunk, een wat mistige term om een mix van punk rock, country en western en rootsrock te typeren, zette zich af tegen de zwartgalligheid van de punk en doorheen de jaren wisten de Denen ook hun vaardigheid met blues en grunge waardig uit te dragen. Eind jaren 80 zag het ernaar uit dat de band met haar magnum opus No Fuel Left For The Pilgrims (al 20 jaar oud en nog steeds heeft de plaat niets van haar pluimen verloren, de single “Sleeping My Day Away” kreeg massale airplay) potten in de States ging breken, maar helaas bleef de verdiende Amerikaanse doorbraak uit en D-A-D focuste zich op het Europese vasteland waar ze een hondstrouwe fanbase uitbouwde.

Opener “True Believer” en “Beautiful Together” gaan er meteen als een snelle hap in, daarna barst het optreden van de Scandinaviërs pas echt los met een verschroeiend “Jihad”. Het refrein “Jihad, I’m getting mad and there’s no fuel left for the pilgrims” wordt uit tientallen kelen gescandeerd. Het komt nooit goed -- denk aan de Mohammed-spotprenten -- tussen Denemarken en de islam. Zanger-gitarist Jesper Binzer -- indringende kattenogen, curieuze podiummaniertjes en lijzig Deens accent, geef die man de rol van villain in de volgende Bondprent -- weet met zijn onnavolgbare zangstijl aardig zijn publiek te bezweren: hij maant de mannelijke toehoorders aan naar hun “Belgian chocolate balls” te graaien en tijdens het nummer “Chainsaw” jut hij vanuit de zaal samen met het publiek drummer Laust Sonne tot het spelen van een vaardige solo op. De opvallendste verschijning is basspeler Stig Pedersen: hij torst een kanjer van een Gene Simmons-complex en zijn fitnesslijf zit gegoten in een kitscherige outfit die uit een SM-club in Las Vegas lijkt te komen. Met zijn opzichtige basgitaren (hij ontwerpt ze zelf) staat hij majestueus bovenop de drumkit en Marshall-versterkers en speelt, af en toe een fluim op de grond mikkend, de pannen van het dak. Pedersen staat in voor het leeuwendeel van de vocals van de country en westernachtige song “Riding With Sue”.

D-A-D heeft een patent op heerlijk meezingbare refreinen zoals ze ook uit de koker van Aerosmith of Kiss komen en kleppers “Point Of View (“See I'd like to share your point of view / As long as it's my view too”) en “Everything Glows” zijn een schot in de roos. Het loont de moeite om de ironische en vaak melancholische lyrics van de band onder de loep te nemen. De titelsong van het ietwat duistere album Monster Philosophy, een heerlijk uitgesponnen versie van het knerpende “Reconstrucdead” uit Helpyourselfish, een album dat heel geslaagd op de grunge-golf meesurfte en “Bad Craziness” walsen de zaal in no time plat.

Het valt op dat D-A-D als een hecht blok speelt: in de loop der jaren was er maar één personeelswissel en het enthousiasme van de veertigers (enkel drummer Laust is een dertiger) spat driftig alle kanten op. De bluesy en feilloos gespeelde meezinger “I Won’t Cut My Hair”, het luilakkenanthem “Sleeping My Day Away” en, op algemene aanvraag, “Girl Nation”, zijn als encores voorspelbaar. De onweerstaanbaar jengelende gitaar van des zangers jongere broer Jacob Binzer -- ook hij daagde met zijn purperen hoed en kostuum de modepolitie uit -- komt vooral in deze laatste twee nummers tot zijn recht en het is cowpunk van de hoogste orde: een gitaarsound die afwisselend agressief en cool klinkt en dit alles gelardeerd met een ritmegitaar die zo uit de AC/DC-catalogus lijkt te zijn weggelopen. Frontman Jesper Binzer laat de zang van de eerste strofe van het zalige “Sleeping My Day Away” over aan het publiek: elke rechtgeaarde fan kent die uit het hoofd.

Goed, maar niet groots en iets te kort, laat dit, D-A-D’s livereputatie indachtig, de eindconclusie zijn. Hun doortocht in Gent was net niet Danish dynamite genoeg en het publiek -- van buikige bijna-vijftigers, Nick Oliveri-sikken tot hier en daar een opgeschoten twintiger -- bleef wat mak. In een rechtvaardige wereld echter zou, naast een algemeen verbod op crocs, D-A-D met haar aanstekelijke rocksongs wereldwijd stadions moeten platspelen. Waarom U2 wel en zij niet?

D-A-D brengt naar aanleiding van haar 25-jarig bestaan The Overmuch Box uit, met hun 10 geremasterde studioplaten, nooit eerder vrijgegeven tracks en b-kantjes en een boek van 160 pagina’s met illustraties van de hand van bassist Stig Pedersen.

E-mailadres Afdrukken