Banner

ROADBURN 09

Eenheid in diversiteit

Guy Peters - 27 april 2009

Het parcours dat Roadburn-organisatoren Walter Hoeijmakers en Jurgen van de Brand doorheen veertien edities hebben afgelegd is behoorlijk indrukwekkend. Was de eerste editie einde jaren negentig goed voor 75 (!) bezoekers, dan telt het festival anno 2009 zo’n 1750 festivalgangers die ervoor zorgden dat het op minder dan drie kwartier was uitverkocht. Intussen is dat om voor de hand liggende redenen: weinig festivals bieden zo’n volledige en pure ervaring aan als Roadburn.

Het evenement telt doorgaans weinig bands die op zichzelf écht veel volk op de been zouden brengen, maar in combinatie met een resem andere namen zorgt het voor een line-up die doet duizelen. Wie ook maar een beetje zot is van stonerrock, doom- of postmetal, of een van de vele varianten en nevengenres, die kan dan ook blindelings een ticket aanschaffen voor een driedaagse die waar voor z’n geld biedt. Omdat we nog steeds geneigd zijn om te gaan voor totaalervaringen, meer dan zomaar even proeven van dit en dat, zagen we ons genoodzaakt een hele resem optredens aan onze neus voorbij te laten gaan, maar we kunnen u verzekeren dat het de moeite was.

Donderdag 23 april

Het Italiaanse Ufomammut, dat de eer kreeg op het festival voor geopend te verklaren, is bij velen een onbekende, maar zeker niet voor doom- en stonerliefhebbers die het voorbije decennium oren én ogen open gehouden hebben. Twee derde van de band is immers ook aan de slag als Malleus, het kunstenaarscollectief dat intussen grote sier maakte met zijn voluptueuze, kleurrijke en psychedelische poster art. Wilde Ufomammut in het verleden al eens verzanden in monolithisch, haast maagomkerend log gebeuk, dan viel dit in de grote zaal mee. Het trio speelde de ene repetitieve en donkere doomgroove na de andere. Het resultaat was vrij voorspelbare, zelfs eenvoudige muziek, maar de back to basics-aanpak, die veel beter te verteren valt dan hun vroegere samenwerking met een extra toetsenman-annex-geluidenbreier zorgde ervoor dat het trio de perfecte opener van Roadburn 2009 was.

Het eerste hoogtepunt volgde al snel. Baroness wist volgens sommigen onlangs een sterke indruk na te laten in de Antwerpse Trix. Anders betwistten dit dan weer. Wat er ook van zij: het optreden in Tilburg was er eentje om in te lijsten. Een uur lang raasde het kwartet door zijn rond The Red Album opgebouwde set en onze aandacht zou geen enkele keer verslappen. De band slaagt er steevast in om elementen uit traditie en moderne invloeden te combineren. Zo doet het harmoniëren van de gitaren vaak denken aan Thin Lizzy, wordt regelmatig uitgepakt met riffs uit de southern rock-traditie, terwijl de gebrulde zang van John Baizley dan weer doet denken aan de zwaardere postmetalbands van vandaag. Door dat vermengen van old school-elementen met invloeden uit de extremere hoek klinkt Baroness vaak als een Mastodon Light, wat enkel als een compliment opgevat mag worden.

Dan Orange Goblin, een band die al jaren tot het vaste Roadburnmeubilair behoort, en dat om voor de hand liggende redenen. Er is de stijl, die ergens tussen bluesy stonerrock, hardrock en Motörhead te situeren valt. Er is de no nonsense-attitude (wij venten onder elkaar...). Tenslotte natuurlijk ook de aanwezigheid van zanger Ben Ward, een bebaarde kolos die het midden houdt tussen een brallende hooligan en een hondsdolle Viking. Het vuile kwartet raasde door verschillende albums, maar wist nooit écht te imponeren. Zonder de woeste energie van de beginjaren, vooral te danken aan de wat makke performance van een wat pafferige Ward, die vooral goed is als volksmenner, valt op dat de band eigenlijk niet meer zo veel te vertellen heeft.

Noodgedwongen weken we uit naar de Green Room waar Minsk uit Chicago aantrad. Had Orange Goblin wat weinig impact met zijn bikermetal op steroïden, dan beukte dit kwintet te veel in op het publiek. Op plaat is de zwaar psychedelische postmetal een mooi evenwicht van atmosferische passages en onheilspellend gedonder à la Neurosis, maar op het podium verzandde hun bombastische sound in een helse moddersoep die geen spaander heel liet van de subtiliteit en variatie van het studiowerk. Bleven de intrigerende percussie, geluidsmanipulaties en de monsterlijke bassound overeind, dan viel van het gitaarwerk amper iets te bespeuren en stond de saxofonist er wat lullig en overbodig bij. Een gemiste kans.

Heel even vingen we een glimp op van Zu, dat geruggensteund door een fenomenale sound en zonder dralen inbeukte op een publiek dat ofwel meteen mee was, ofwel zonder aarzelen andere oorden opzocht. Wij hadden rendez-vous met Norway’s finest, dus op naar het hoofdpodium voor Motorpsycho. Het trio, dat in staat is om een potje spacerock te spelen met uitstapjes richting bluesrock, psychedelica, free jazz en hardrock (en soms in één en dezelfde song), moet gedacht hebben dat een gerekte setlist wel impact zou hebben, en speelde een van de meest psychedelische sets die we al van hen hoorden. Het gevolg: geen catchy, elegante pop/rock-songs zoals te horen op Let Them Eat Cake, Phanerothyme of It’s A Love Cult. In plaats daarvan werd het grasduinen in het vroege(re) Demon Box (“All Is Loneliness,” “Plan #1), Blissard (“Greener”), Trust Us (“Taifun”), was er slechts één song uit het uitstekende Black Hole/Blank Canvas (“Triggerman”) en werd het recente Little Lucid Moments integraal gespeeld.

Motorpsycho zorgde voor een vermoeiend lange en psychedelische set (uiteindelijk zouden op twee uur en drie kwartier slechts veertien (!) songs passeren), waarbij enkel de hardcore fans de volledige rit konden uitzitten. De ellenlange solo’s en jams werden echter met zo veel verve, virtuositeit en subtiliteit gespeeld dat je niet anders kon dan grijzen bij zo’n vertoon van genialiteit. Dat bassist Bent Saether een bonkende groove kon neerpoten wisten we al, en Snah toonde zich met z’n abstracte gitaarspel meer en meer als de Europese schoonzoon van Jerry Garcia. Het was echter nieuwe drummer Kenneth Kapstad die ons finaal over de streep trekte: de slungel is, veel meer dan zijn interimvoorganger Jacco van Rooij, een waardige opvolger voor Hakon Gebhardt, en een drummonster dat speelt met een verbazingwekkende souplesse, in staat is om te grooven, vrije, jazzgebaseerde ritmes op te zoeken en plots uit te barsten in woest gebonk.

Hoogtepunten zat in de set, ook al voelde die meer aan als een langgerekte hypnotiserende sessie dan een opeenvolging van songs. Meest memorabel was echter bisnummer “Vortex Surfer”, dat de afwisseling tussen breekbaarheid en overdonderende power moeiteloos wist te vertalen op het podium. De nodeloos uitgemolken afsluiter (blijkbaar een cover van Fleetwood Macs “Rattlesnake Shake”) was ook voor ons wat veel van het goede, maar laat er geen twijfel over bestaan: Dag 1 werd afgesloten met een op de proef stellende (na het concert was de zaal nog maar voor een kwart gevuld), maar meesterlijke performance van een absolute wereldband.

Vrijdag 24 april

Op vrijdag was het opnieuw moeilijk kiezen bij zo’n diverse, eclectische line-up die het hele terrein tussen old school metal, heavy psych, gitzwarte folk, klassieke doommetal en experiment besloeg. Nergens was die omarming van minder conventionele uitspattingen duidelijker dan bij het Duitse Bohren & Der Club Of Gore, dat Dag 2 mocht openen op het hoofdpodium. Geen haar op ons hoofd dat er aan gedacht zou hebben om deze band te programmeren in de grote zaal, laat staan op dat ridicule uur (om vier uur 's middags!), maar het werkte wel. In een haast volledig verduisterde zaal pakten de Duitsers uit met hun kleine Nachtmusik die moeiteloos jazz, minimalisme en doom weet te vermengen tot een bijzondere luisterervaring. Nu en dan doet het wat denken aan de repetitieve rootsdoom van Earth, dan weer heb je het gevoel verzwolgen te worden in een aurale versie van een David Lynch-film. Een onwaarschijnlijke, maar geslaagde opener voor Dag 2.

Dan naar de Green Room voor Steve Von Till. De zanger/gitarist van Neurosis wist ons vorig jaar al te imponeren met zijn grauwe rootsalbum A Grave Is A Grim Horse, een sterk staaltje van hoogstpersoonlijke songschrijverij, afgewisseld met enkele imponerende covers. De belangrijkste troef was daarbij het van alle overbodige tralala ontdane geluid. Deze keer ging Von Till echter als alter ego Harvestman aan de slag, wat betekende dat hij geruggensteund werd door verdacht veel materiaal (geïntroduceerd als ‘my spaceship’). Het was echter bij dat materiaal en de mogelijkheden dat het regelmatig fout ging. Het klaarmaken voor de set nam al meer tijd in beslag dan de bedoeling was en de performance verloor regelmatig zijn cohesie door knopjesgepruts. De meeste songs werden verpakt in opeenstapelingen van loops die soms goed werkten, maar regelmatig ook voor een lichtjes enerverende brij zorgden. De paar songs die de loopsdans wisten te ontsnappen bleven dan ook het best overeind, met een prima versie van Townes Van Zandts “The Spider Song” op kop.

Na Von Till wisten we even niet wat doen en we hebben ons dan ook even bezondigd aan het bandshoppen. Atomic Bitchwax deed in de Green Room exact hetzelfde als wat we hen bij vorige gelegenheden al zagen doen. Deze band rond bassist Chris Kosnik, die ooit vooral werd beschouwd als het hobbygroepje van Monster Magent-gitarist Ed Mundell, speelt gespierde en groovende bluesrock die met twee benen in de seventies staat. De line-up met Mundell en Keith Ackerman (de Keith Moon van zijn generatie) is nog steeds onze favoriet, al kan je moeilijk klagen met Bob Pantella achter de drumkit en een bedreven gitarist als Finn Ryan. Die laatste heeft echter het charisma van een schotelvod en een eerder fletse stem die de potige rock-‘n-roll van het trio de extra fond ontzegt die het nog beter zou kunnen maken.

We pikten ook de finale van het Mono-optreden mee. Wat de groep doet raakt ons nog steeds voor geen bal - daarvoor weten ze de standaard van hun voorgangers te weinig te ontlopen en spelen ze het spelletje net iets te veel volgens de regels -, maar het moet wel gezegd worden dat het gewéldig mooi klonk. Dan vlug naar de Bat Cave voor Roadsaw, een band die het helemaal niet begrepen heeft op subtiele variaties, gestileerde zwarte uniformen en een serene houding. In plaats daarvan: loeiende hardrock met stonerinvloeden, vuile riffs, okselzweet, stoer gebonk en een no nonsense-aanpak die nu eens prima werkt en vervolgens belegen klinkt. Wat Roadsaw deed had tien jaar geleden ongetwijfeld ook op Roadburn kunnen staan, met dat verschil dat het toen net iets frisser had geklonken.

Doomlegende Cathedral stond al op de eerste Roadburn-editie en was samen met Saint Vitus waar de doomfanaten onder de festivalgangers op hadden gewacht. Het is een beetje een vreemde groep: al sinds Lee Dorrian Napalm Death twintig jaar geleden verliet om tragere, aan Black Sabbath ontleende tempo’s en thema’s op te zoeken, viel hij op door z’n geflirt met het cartooneske, het occulte en natuurlijk door zijn kenmerkende zang. Samengevat: Dorrian kan niet zingen. Zijn van zwaar Engels accent voorziene gesneer past beter bij een punkband met voorkeur voor mid-tempo songs en zo klinkt Cathedral ook soms. Aanvankelijk klopte de sound voor geen meter (geen gitaar, te veel zang), maar geleidelijk aan werd de set potiger, met een goede combinatie van logge riffs en onzin. Zowel teksten als achtergrondprojecties werden gedomineerd door kitscherige zombies, heksen en kraaien, maar het werkte prima. Cathedral was dé guilty pleasure van Roadburn 2009.

Door het samenbrengen van zo veel volk uit verschillende uithoeken van Europa en de rest van de wereld krijg je verbazingwekkende situaties. Zo speelde cultband Saint Vitus, een van de voortrekkers van de tweede golf van doombands in de jaren tachtig, in het verleden doorgaans voor een belachelijk kleine opkomst (denk aan 50-100 toeschouwers), maar mochten ze nu aantreden in een volle grote zaal, waar ze als helden onthaald werden. De meerderheid van de songs werd door tientallen, zo niet honderden kelen meegebruld, ook al had dat niet steeds te maken met de kwaliteit van die songs. De groep heeft dan wel zijn reputatie mee en de aanwezigheid van doomicoon  Scott ‘Wino’ Weinrich  (zie ook: The Obsessed, Spirit Caravan, The Hidden Hand) had er zeker iets mee te maken, maar voor de rest?

De kunstjes van gitarist Dave Chandler, die vaak z'n toevlucht zocht tot lullige poses en onbehouwen gesoleer, zijn erg beperkt (en een paar maten te klein voor Wino, die het instrument helaas niet beroerde) en drummer Armando Acosta zoekt heil bij een aanstellerig drumstel en een stijl die de songs vaak geweld aandoet (zo’n dubbele basdrum trekt echt op niks tijdens een doomsong). Enkele songs wisten de tand des tijds prima te doorstaan (“Born Too Late” is zo’n kleine metalklassieker), maar eigenlijk was dit optreden vooral erg grillig van kwaliteit, maar werd dit met de mantel der liefde bedekt en door een overenthousiast publiek herschreven tot een memorabele passage. Het was fijn om de heren nog eens gezien te hebben, maar ‘life-changing’, zoals we Ward van Orange Goblin achter ons horen lallen, was het zeker niet.

Zaterdag 25 april

De afsluitende dag stond dit jaar in het teken van Beyond The Pale, een door Neurosis gecureerde festivaldag. De line-up oogde indrukwekkend, al zette het uurschema meteen een domper op de feestvreugde door enkele combinaties bij voorbaat al onmogelijk te maken. Wakker geschud worden door Amenra dan maar. De band, die ook al in 2007 aanwezig was, is er een van beperkingen: de sfeer en het tempo zijn steeds dezelfde, ritmisch valt er geen zak te beleven, frontman Colin Van Eeckhout is zowat de meest gelimiteerde zanger van het festival (en minder grappig dan Lee Dorrian) en je weet op voorhand wat de pot schaft. Maar toch… de band heeft zijn stijl en sound en weet die op een goede dag over te brengen met een verschroeiende passie en intensiteit. Was die op Sonic City niet bepaald overweldigend, dan was deze set een knoert van een revanche. Openen met “De dodenakker” en vervolgens drie kwartier alles geven. Het publiek was mee en bleef achteraf uithijgend in de touwen hangen. Amenra – de Hollanders: 2-0.

De vreemde eend in de bijt op Beyond The Pale was Eugene S. Robinson. De ex-competitievechter, journalist, en frontman bij Oxbow zou een spoken word show brengen in het kader van zijn boek Fight. De fysieke présence van Robinson is er al eentje om niet te vergeten. Netjes gekleed, rondsluipend in slow motion lijkt hij het ene moment een maniëristisch heertje en een halve seconde later krijg je een glimp te zien van het beest dat achter die façade schuilt. Als geen ander weet Robinson intellect en primitieve kracht te verenigen. Helaas kwam die niet tot uiting tijdens zijn monoloog van dertig minuten, een verstrengeling van verhalen die op een of andere manier met geweld te maken hebben.

Het was best boeiend, frequent grappig, en de verschijning van Robinson op de rand van het podium is er een van amper gecontroleerd geweld, maar je had het gevoel dat het een aanzet was tot iets anders of een verdere uiteenzetting die er uiteindelijk niet kwam. Wel: een tien minuten durende jam met Black Sun, een noiseband die, net als Oxbow, het soort ketelherrie maakte dat Robinson de kans geeft om volledig door het lint te gaan. Die liet zich dan ook niet onbetuigd en stampte en huilde er op los. Helaas was het slechts een brok lawaai van korte duur en een woeste en vrij indrukwekkend finale van een performance waar meer in zat.

Het einde van Dag 3 deed denken aan de editie van twee jaar geleden. Na een paar minuten was al duidelijk dat Om geen herhaling zou spelen van het wat makke, slordige en door technische probleempjes onderbroken optreden in Kortrijk vorig jaar. Integendeel: bassist/zanger Al Cisneros leek veel gedrevener dan normaal, headbangend met een verbeten trek rond de mond. Het zorgde ervoor dat het duo zijn meditatieve, repetitieve muziek een energie-injectie gaf die het geheel een niveau hoger tilde. Er is geen sprake van traditionele songstructuren en Cisneros’ zang heeft iets van monnikengemurmel, maar weinig bands weten de spanning er in te houden met zo’n zelfopgelegde beperkingen. De bassound was ronduit monsterlijk, Cisneros en drummer Emil Amos leken perfect op elkaar ingespeeld en je kon die laatste zelfs vergeven dat hij opnieuw herhaaldelijk wat zat rond te wandelen en aan z’n drumkit te prullen.

Hoogtepunten te over deze keer: zo was er een magistrale versie van subtiele classic “At Giza”, die bijna geëvenaard werd door recenter werk als “Pilgrimage” en (vooral) “Bhima’s Theme”. Geweldig om die gigantische, hypnotiserende wall of sound te ondergaan en meegesleurd te worden in een wiegende groove, die dan wordt afgerond met dat uit het niets opklinkende, onheilspellende “La-za-rus”. Om tekende opnieuw voor een van de hoogtepunten van Roadburn. Het goede nieuws is bovendien dat het duo de opnames van een nieuw album achter de rug heeft (in september te verschijnen via Drag City). Als het uit de nieuwe plaat geplukte bisnummer een indicatie mag zijn, dan staat ons binnen enkele maanden opnieuw een beklijvende luisterervaring te wachten.

Het optreden van Neurosis in 2007 staat nog steeds in ons geheugen gebrand als een van de meest intense en heavy optredens die we ooit zagen. De anticipatie, op gang gebracht door het meesterlijke Given To The Rising, was enorm en de overdondering en voldoening compleet. Intussen is er nog geen nieuw album, maar als gastheer was Neurosis natuurlijk verplicht om nog eens het onderste uit de kan te halen en te laten zien wat het met zijn festival wilde bereiken. Het kwintet liet niet na om ook deze keer een verbluffende indruk te maken. De set werd opgebouwd rond songs uit Given To The Rising, al zou de show gestolen worden door een oudje dat een verpletterende indruk maakte.

Met “A Sun That Never Sets” werd een pak ingetogener afgetrapt dan een paar jaar geleden. Het is ook een song die laat horen dat Neurosis niet steeds een synoniem moet zijn voor kolossaal gebeuk (al is dat wel wat het meest bijblijft). Terwijl Scott Kelly vooral kwaadheid uitstraalt is het Steve Von Till die een gevarieerder geluid creëert en via allerhande effecten tot de sfeer bijdraagt. De atmosferische impact van de song is voor een groot stuk ook te danken aan elektronicaman Noah Landis, al viel deze keer vooral op wat een fenomenale drummer Jason Roeder is, eentje die van tribale variaties zijn handelsmerk gemaakt heeft en de muziek een extra gewicht verleent dat de totaalervaring nog rijker maakt.

Ook deze keer een handvol memorabele uitschieters: zo waren de woeste uithalen van “Distill (Watching The Swarm)” opnieuw goed voor kippenvel, kende “Water Is Not Enough” meervoudige climaxen en sleepte “Fear And Sickness” zo gemeen voort dat het nog nazinderde tijdens de iele intro van “To The Wind”. Na tien nummers en anderhalf uur Apocalypsmuziek werd het publiek echter getrakteerd op een sonische overrompeling die de intensiteit van al het voorgaande nog eens verdubbelde. “Through Silver In Blood”, een track die ook Von Till en Kelly de kans geeft om trommels haast aan flarden te slaan, zorgde ervoor dat het concert definitief een gebeurtenis werd. Horen was geloven en wie na al het voorgaande ervan uitging dat het laatste woord over rauwe impact gezegd was, die werd nu terechtgewezen. Neurosis kwam, zag en stelde orde op zaken.

Na drie dagen getrakteerd worden op zo’n ervaring reduceerde ons finaal tot een vermoeide, maar in hogere sferen verkerende festivalganger. We hebben Skullflower en Tribes Of Neurot noodgedwongen dan ook toegevoegd aan het lijstje namen dat we aan ons voorbij hebben laten gaan (Black Sun! Scott Kelly! Grails! Church Of Misery! etc). Roadburn 2009 was naar goede gewoonte lang en afmattend, maar geduld en doorzettingsvermogen werden opnieuw beloond met een resem prima tot geweldige optredens. Dit jaar onthouden we vooral Baroness, Motorpsycho, Om en Neurosis, naast de goede organisatie en de gemoedelijke sfeer. De editie van 2010 (waarvan een dag naar verluidt zou samengesteld worden door Enslaved) staat nu al in onze agenda genoteerd. Bij gebrek aan Kyuss nemen we ook genoegen met Mastodon als headliner.

E-mailadres Afdrukken
 
ROADBURN 09

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST