Banner

Tom Waits

25 juli 2008, Le Grand Rex (Parijs)

Matthieu Van Steenkiste - 26 juli 2008

God daalt neer van zijn troon: dat is ongeveer het gevoel als Tom Waits zo eens in de vier jaar nog eens op een Europese tournee vertrekt. Zoals Waits maken ze ze dan ook niet meer, zo bewees hij op een voor de tweede avond op rij uitverkocht concert in de Parijse Grand Rex.

Het is de economie, meneer: een Tom Waits-concert kun je niet zomaar bezoeken, daar moet je wat geluk voor hebben. Niet alleen moet je al over een behoorlijk budget beschikken om aanwezig te kunnen zijn, Luc Perceval op speeddial hebben is ook al eens nodig. Vier jaar na het schabouwelijke circus rond zijn show in de Antwerpse Bourla — goed concert wel, zo hoorden we van talloze BV’s — vond Waits het zelfs de moeite niet meer om naar België te komen. Gelukkig is Parijs nu ook niet zo ver en zie: het moet aan de desinteresse van Bekend Frankrijk hebben gelegen, want ook goddeau kon een ticketje bemachtigen.

Waits is een seigneur, en die laten op zich wachten. Wanneer hij tegen negenen dan toch zijn verschijning op het podium maakt in zijn traditionele zwerver/nachtbraker-met-bolhoedkloffie is het eerste wat hij doet het publiek uitgebreid groeten. "Sacrebleu!", klinkt het krakend in de intro van "Lucinda" en al stampvoetend doet hij een hoopje netjes klaargelegd stof opwolken. En zo zijn we vertrokken voor meer dan twee uur cabaretesk muziektheater, begeleid door een uitstekend musicerende band waaronder zijn zoon Casey op drums.

Jazzcat, blueshond: in de wereld van Waits zijn de Beatles nooit langsgekomen. Waits heeft zijn voeten stevig in de jaren vijftig van de Beat Poets en heeft vandaar uit zijn eigen muzikale taal ontworpen: een wereld waarin het voortdurend half vijf ’s ochtends aan de toog van een groezelige bar is en de pianoman de laatste dronken klanten nog probeert te entertainen. Zo was het toch dat hij in 1973 debuteerde met het romantische Closing Time, maar tien jaar later verbreedde hij zijn universum aanzienlijk op Swordfishtrombones waarop de ballads plaats moesten maken voor een hoekig en ruw nieuw geluid: de blues uitgekleed tot zijn ritme, het geluid van houten lepels op schedels.

Live weet Waits die beide uitersten te verzoenen in een consistente show. Als master of ceremony leidt hij zijn band door meer dan dertig jaar carrière. En wat een acteur is hij toch: met de clowneske motoriek van een marionet aan een touwtje is hij een entertainer pur sang die zijn publiek net zo graag onderhoudt met een grapje over een oogbal als inleiding van "The Eyeball Kid". Het publiek reageert zoals dat bij een variétéconcert past: een applausje na een knappe solo van gitarist Omar Torrez hoort er gewoon bij.

Niet meer dan terecht: de man levert knap werk en helpt mee "Hoist That Rag" tot een hoogtepunt te stuwen: één en al ritme, een mars van horrelvoeten en kreupelen in een hortend tempo. De caféweltschmerz van "Bottom Of The World" toont ons erna meteen die andere kant, net als bloedmooie versies van "Hang Down Your Head" en "Dirt In The Ground". Knap trouwens ook hoe "Falling Down" vroeg in de set klonk als een oud soulnummer, meegebruld om vier uur ’s nachts na een fles Bourbon en een gebroken hart (in die volgorde). En passant krijgt het klapvee — wil iemand ons eens uitleggen wat er nu leuk is aan meeklappen? — ook nog eens een veeg uit de pan.

Goed, articulatie lijkt niet altijd zijn ding meer, en in de eerste drie nummers moest één en ander nog loskomen, maar toch: wat een stem heeft Waits! De gruizige blaf die aantoont wat jaren nicotine en whisky met een mens doen, is zeker de helft van ’s mans aantrekking. Roestige stampers als "God’s Away On Business" of de zompige moerasblues "Lie To Me" klinken zo nog rauwer en spastischer dan ze sowieso al zouden doen. Een intens opbouwend "Make It Rain" is de geweldige finale van de set. "Maar er is geen wolkje aan de lucht van deze zaal te zien", zo willen we schrijven, net wanneer Waits een glitterstortbui over zich heen krijgt: verbluffend einde.

Met "Anywhere I Lay My Head" verwijst Waits nog even alle Scarlett Johansonn-versies naar de prullenmand, en dan mogen de zaallichten weer aan: op het stadsplein in open lucht dat het kitscherige decor van Le Grand Rex probeert te verbeelden, is het nachtelijke feest voorbij; de realiteit roept opnieuw met zijn smerige bars waar de romantiek ver te zoeken is. Er is maar één Tom Waits en het was weer verdomd prettig toeven in zijn unieke wereld.

E-mailadres Afdrukken