Banner

BEST KEPT SECRET 2018

Happy Hour met holy fuckshnitzel

(gw) en (mvs) - foto's: Jan Van den Bulck en Timmy Haubrechts - 09 juni 2018

Het is een beetje vroeger dan normaal dat we dit jaar in Hilvarenbeek neerstrijken, maar dat lijkt ok: het struikgewas heeft de gewenste dikte bereikt, de zon schijnt min of meer en de bandjes zijn ook in de buurt. Laat dat Best Kept Secret maar komen.

Dag Eén: Dansen op lieve wiskunde, meebrullen met de Brexit

Het is een jaar geleden, dus het moet voorzichtig. Hoe ging dat ook alweer, festivallen? Oh, iets met tenten -– hebben we die na het modderige End Of The Road vorig jaar wel laten drogen? Help! -– met sandwichen smeren zoals moeder dat vroeger in onze pretparktijd deed (sorry, nostalgie is een krachtige drug) en –- ha! –- er was ook iets met muziek. En als het eerste podium dat we tegenkomen de Five is, dan beginnen we toch daar?

The Shacks, dus: een lief meisje, drie jongens in een soort van soulrevue-uniform rond haar en nog veel lievigere muziek. De twintigjarige Shannon Wise vond in de even jonge gitarist Max Shrager een verwante ziel en samen duiken ze zeventig jaar rock-'n-roll in, dat ze met een Twin Peaks-achtig, wazig sausje overgieten. Of zo moet het op papier toch hebben geklonken. In realiteit blijkt Shrager een erg begenadigd muzikant –- met nu al een verleden bij Charles Bradley kon dat ook niet anders –- maar ook één die van het 'kijk eens mama, zonder handen'-soort is. Kunstjes genoeg en ja, werkelijk elk oud genre uit de catalogus –- rock, soul, … -- passeert de revue, maar het flauwe stemmetje van Wise is gewoon dat: flauw. Je mag nog zo proberen dat als mysterieus en wazig te verkopen, het is geen David Lynch omdat je dat zelf heel graag zou willen.

Ook zachtjesaan: Bedouine. "Nice And Quiet" gaat een titel en daar is geen woord van gelogen. Azniv Korkejian werd in Syrië geboren, trok vervolgens de wereld rond en legt haar hoofd naar verluidt waar het op een kussen lijkt -- ja, dat schrijven we voor het gemak even over uit het Best Kept Secret-boekje. Muzikaal? Een singersongwriter die het ingetogen houdt en zo al snel een uitbraak van The Dutch Disease uitlokt. Receptiegevoel dus: het is aardig bijpraten na een drukke week bij deze aangenaam kabbelende liedjes die nergens écht je aandacht willen. Maar: mooie stem.

In de Two worden de gitaren dan toch aangesnokt. Jay Som moet nog wat aan haar naambekendheid werken, maar mag naadloos aansluiten in het rijtje Courtney Barnett, Mitski en Soccer Mommy. Melina Duterte heeft gemoedelijk rockende snaren met zich mee en melodieën die je nog eens wil horen. Slotnummer "Pirouette", bijvoorbeeld, dat zich langzamerhand als een geweldige popsong ontplooit. Het klopt dus: vrouwen zijn de indierock aan het redden. En dat was godverdomme nog aan toe dringend tijd.

Klein onbegrip van onze kant: hoe Nederland keer op keer blijft vallen voor halfzachte, gladde singersongwriters uit de Milow-school. Coldplaykloon van de dag: Tom Grennan, die oprecht in zijn nopjes is met zijn drieëntwintigste verjaardag. En dat viert hij dan met "Lightning Matches", een saaie kampvuurballad, "nanana"-refrein incluis; er is iets ernstig mis met die jongen, maar hij weet het nog niet. Soit, we wensen hem een grote carrière op Nederlands popradio's toe, in Vlaanderen weten we gelukkig beter: we hebben daar onze eigen zooi die niet te vreten is.

We vluchten naar de hoek waar je op Best Kept Secret altijd terecht kan voor een verrassing: de Four. Op dat danspodium midden in het bos kreeg ook wetenschapster Ionica Smeets een uurtje vrij baan en dat gebruikt ze om enthousiast glimlachend haar liefde voor twee-pop te vieren. Vult ze breed in, dat begrip. We horen Pulp, The Beatles en The Shins, maar ook Alvvays en een "Plage" van Crystal Fighters waarop eindelijk stevig wordt gedanst. Werden wij dan weer helemaal week van: het onverslijtbare "Talking Backwards" van Real Estate en dat ene nummer van The Housemartins. Happy Hour? U had de grijns op ons gezicht moeten zien. Elk festival zou Smeets een uurtje moeten boeken. Slaken wij onze favoriete kreet: Eppooh? Chokriii???

Future Islands deed het deze keer zonder al te gekke strapatsen. Geen natte broek zoals in 2015, geen klimwerk, zélfs niet hun beste kruit verschieten in de eerste vijf nummers. Wat dan wel? Nou, gewoon: Future Islands. Je weet wel, die mix van nostalgische synths en hardcore-eerlijkheid. Elektronische muziek voor de ziel met een zanger die je gelóóft. Was er iets nieuws aan het optreden? Nope. Teert de band nog steeds vooral op dat doorbraakalbum Singles? Yep. Is dat ok? Absoluut.

Nog zo'n Nederlands ding als fletse poprock en door alles heen lullen: het fenomeen bèndje. Wel, invallers van dienst –- Susanne Sundfor had persoonlijke shit aan haar hoofd -- Mozes And The Firstborn is zo'n bèndje. Stinkt naar het jeugdhuis, dit zootje dat nog steeds blind gelooft in rock-'n-roll, doet niet eens moeite om origineel te zijn, maar neemt gewoon niet op als The Black Lips bellen om één en ander uit te klaren. Sorry, te druk bezig met een riskante kikvorssprong in het publiek te nemen of het publiek het refrein van "I Got Skills" te laten meebrullen. En waarom zou je je ook afvragen of je nu niet de riff van "Satisfaction" hebt gekopieerd als je met een engelengezicht kunt beweren dat je 't echt niet doorhad? Zo enthousiast, zo charmant is het viertal hier, dat je hen dit gloriemoment van harte gunt.

All Them Witches dan. HOLY FUCKSCHNITZEL. Eigenlijk volstaan die twee woorden als recensie, maar ter toelichting: wat een bom van een optreden. Een dik kwartier voor aanvang stond het tentje al aardig vol. Doordringende wietgeur, misselijkmakende vanille-vapegeur, lijfgeur van mensen die op dag één toch écht nog geen excuus hebben. En "Black Magic Woman" van Santana: zomer, zwoelheid, ouderwets lang soleren. Het klópt, want ook bij All Them Witches is die zomerbries standaard ingebouwd. Achteloos komt het viertal tijdens Santana het podium opgeslenterd in nonchalant korte broek, alsof ze niet de toekomst van de rock'n'roll waren. Enkele richtingloze gitaarnoten, een beetje gestommel op de drums en dan: HOLY FUCKSCHNITZEL. All Them Witches is de missing link tussen ouderwetse blues en stoner rock: de loomheid van "The Marriage Of Coyote Woman", de haast Pinkfloydeske finale van "Am I Going Up", de vuile riffs van "3-5-7", de verschroeiende hitte van "When God Comes Down". Alles loeihard, alles snikheet en gedaan voor iemand doorhad dat er tijd was gepasseerd.

Hiphop live, dat kan al eens tegenvallen, zeker op een festival. Een man staat op het podium. De man in kwestie heeft een fluohesje aan. De man rapt. De rest komt uit een laptop op een tafel aan de zijkant van het podium. Soms is dat elektronisch en klinkt het als alle dubstep ooit. Soms is dat agressief gitaarwerk en klinkt het als vroege Limp Bizkit. Zo gaat het vandaag toch bij Tyler, The Creator. Nochtans is Tyler geen rapper als alle andere, maar een belangrijke rapper. Als stichtend lid van Odd Future Wolf Gang Kill Them All gaf hij de hiphop een kleine tien jaar geleden een broodnodige schop onder de kont en met Flower Boy bewees hij dat hij solo nog steeds een man is om rekening mee te houden. Helaas, vandaag is daar slechts zelden iets van te merken. Raps passeren nogal kwansuis, vaak plichtmatig en slechts sporadisch zijn de beats opwindend. Het meest opmerkelijke komt pas op het einde, wanneer de homoseksuele rapper trots "I've been kissing white boys since 2004, biiiitch!" boast en je begrijpt: belangrijke figuur, deze mens, maar vandaag niet echt op muzikaal vlak.

Deerhunter opent in de Two met "Agoraphobia" en je weet: het wordt een popsetje. Haha neen, mopje. Het kaf moet bij deze notoir tegendraadse band toch altijd eerst van het koren worden gescheiden en dat gebeurt met een taaie, ondoordringbare synthtrip die naar Flaming Lips neigt, waarover Branford Cox -- met een gek Sparks-toupetje -- een hermetisch parlando loslaat. Het is een laatste schijnmanoeuvre voor Deerhunter aan een concert begint dat song na song minder afstandelijk wordt. In het dronende "Desire Lines" horen we Sonic Youth en Velvet Underground, en een warmte die we bij deze groep op eerdere concerten al eens misten. Bij "Take Care" wordt het ronduit mooi, wanneer het nummer naar een zinderende finale wordt gestuwd. Nog nooit eerder zagen we Deerhunter zo bevlogen en toegankelijk als vandaag en zelfs die monotone riedel van "He Would Have Laughed", een eerbetoon aan de overleden Jay Reatard, klinkt vandaag als iets warm en bekends. Een popsetje, dus, dan toch.

Als je op je twintigste debuteert, hou je er vast geen rekening mee dat je tot de groten van je generatie gaat behoren en dat je op je tweeëndertigste al aan je zesde album toe zal zijn. Je kunt geen zes albums hetzelfde blijven doen en dus moesten Arctic Monkeys, zoals alle groten uit het verleden, zichzelf opnieuw gaan uitvinden. Dat gebeurde al redelijk voelbaar met AM, met zijn tragere grooves en soul-invloeden, maar met de nieuwe Tranquility Base Hotel & Casino zijn de heren pas écht een andere richting uitgeslagen. Met voorlopig wisselend succes.

De liveshow is ook herontworpen. Op de backdrop enkel "Monkeys". Op de schermen enkel zwart-wit en op het podium hooguit wat meer geel licht. Het doet denken aan de Roy Orbisons tv-special Black and White Night, mede dankzij opener "4 Stars Out Of Five". De kersverse single is traag, slepend en heerlijk ouderwets. Heel even klopt het hele audiovisuele plaatje en een sfeer lijkt gezet.

Niet dus. Met de gejaagde drum-intro van "Brianstorm" gaat het al meteen helemaal de andere kant uit. Het tempo wordt aangehouden met hits "Don't Sit Down 'Cause I've Moved Your Chair" en "I Bet You Look Good On The Dancefloor". Drie hitsingles uit drie albums na elkaar: het lijkt erop dat de band de nieuwe plaat als hoofdgerecht wil houden.

De tweede tempowijziging gebeurt minder abrupt. Er wordt geleidelijk gas teruggenomen met "Why'd You Only Call Me When You're High?" en "505" voor we terugkeren naar het nieuwe werk. "Tranquility Base Hotel & Casino" komt live energieker over dan op plaat en met tragere oldies "Do Me A Favour" en "One For The Road" lijkt de nieuwe worp toch niet zo'n grote stijlbreuk.

Daarna begint het helaas bergaf te gaan. "Knee Socks" zit in een nieuw kleedje, maar helaas is dat het soort kleedje dat je aandoet als de rest in de was zit. "Arabella" kan er mee door, maar lijkt trager dan op de plaat. Nieuweling "One Point Perspective" is net ietsje té loom voor een festival en het publiek begint uit te dunnen. Misschien heeft de nieuwe langspeler nog wat meer tijd nodig voor ze live haar werk kan doen. Hoe het ook zij, het zakt allemaal wat in elkaar. De nieuwe nummers worden afgewisseld met materiaal uit hun minst warm onthaalde album Humbug en zelfs hits als "Do I Wanna Know?" en "The View From The Afternoon" -- veel te traag gespeeld -- kunnen de boel niet meer redden.

Hoewel Arctic Monkeys zeker een terechte headliner waren, bevatte deze setlist net iets te veel rare keuzes om te overtuigen. Jezelf opnieuw uitvinden is hit and miss, dat is begrijpelijk, maar deze keer was het net ietsje te veel miss.

Voor wie vandaag géén zin heeft in Arctic Monkeys staat in de Five Brittney Denise Parks met nadruk ráár te wezen. Het duurt een nummer of drie voor alles zijn vorm vindt, maar dan wordt het wel erg fascinerend. Neem alle bizarre viooltics van Andrew Bird, trek er de alt.country van af, mix met wat beats en je krijgt de vreemde, eigenzinnige R&B van Sudan Archives. Waar we ons wel een half uur het hoofd over hebben staan breken: was dat nu een pruik of toch gewoon een ontplofte berenmuts op haar hoofd? Het is een vraag die blijkbaar iedereen boeit, want wanneer we ons richting Two reppen, staat de tent ondertussen aardig vol.

Dat Chvrches met Love Is Dead niet zijn beste plaat uitheeft, het kon u duidelijk aan de reet roesten. De Two zit mooi volgepakt voor het Schotse drietal én laat zich ook horen. Van bij opener "Get Out" wordt meegezongen en -gebruld, in een dreunend "Bury It" gaan vuisten de lucht in. Er schuilt een boos meisje in iedereen, zo blijkt, en dat mag vandaag van de leiband. De beats van "Never Ending Circles" klinken als Thors hamerslagen op het aanbeeld, "Here's to taking what you came for", zingt Lauren Mayberry en alweer een ex gaat tussen de boterham. In "Forever" mag Iain Cook een ouderwetse gitaarsolo door de outro jagen en in "Recover" zien we zowaar een crowdsurfer, zo'n ouderwets beeld dat het jonge Best Kept Secret het stomweg vergat te verbieden zoals alle andere festivals.

Chvrches brengt een sterke set die op "Under The Tide" na, de verplichte zangstonde van toetsenist Martin Doherty, enkel uit straffe nummers bestaat en in zijn laatste kwart het dak er helemaal afblaast. In "Leave A Trace" zet Mayberry haar beste vocale prestatie neer, "Clearest Blue" is dreunende elektro die een vleug Depeche Mode uitbouwt tot clubknaller. En dan is er dat ene anthem, doorbraaksingle "The Mother We Share"; één en al meezingen en wuiven. Het is een orgelpunt, maar Chvrches wil nog krachtiger eindigen. Heerlijk om te zien hoe Mayberry in "Never Say Die" luchtdrumt en headbangt. Chvrches mag dan zonder schroom popsucces najagen, het zal in die zoektocht nooit flauw worden. We spoelen de nasmaak van Love Is Dead in november nog wel eens weg in de AB, om er nadien nooit meer over te klagen.

Mopperen over de Brexit mogen we naar verluidt ook niet langer. Dat zegt Boris Johnson toch. Nevermind The Brexit, dan maar, een gegeven dat DJ St. Paul op de Four viert met een set vol Britse knallers, van Burial tot Bowie, van rave tot pop, van dansen tot meezingen. "All Together Now" ging het met The Farm en natuurlijk werd de Best Kept Discotheek dus een voetbalplein bij een meegebruld "Don't Look Back In Anger". Doen we niet, lieve Britse vrienden, en hou dit in gedachten uit The Smiths' "Stop Me If You Think That You Heard This One Before": "Nothing's changed, we still love you, only slightly less than we used to". Tot morgen!



E-mailadres Afdrukken