Banner

Sonic City

11-12 november 2017, Depart (Kortrijk)

Tom De Moor & Guy Peters - foto's: Alex Vanhee (zaterdag) / Geert Vandepoele (zondag + CE) - 12 november 2017

Voor de tiende editie van Sonic City mocht Thurston Moore de line-up voor zijn rekening nemen. Hij ontrafelde zijn invloedenpakket in een eigenzinnige mix van nicheprojecten, maar bracht niettemin zo’n opkomst teweeg dat het festival grotere oorden -- in de vorm van de voormalige Kortrijkse spoorwegloods Depart -- opzocht.

Zaterdag 10 november

Sonic City bracht een eerste dag die in twee categorieën artiesten op te delen viel: experiment op het randje van noise en het uitdagen van de omlijning van de singer-songwriter. Daarbij wordt avontuur niet geschuwd: Liars kon zonder meer de meest traditionele act van de avond genoemd worden. En dan hebben we het over een antiheld die in een roze bruidsjurk zijn songs door de mangel haalt. Toch representeerde deze zwartgeblakerde electrorock in vergelijking met de andere namen op het menu de catchier kant van Moores oeuvre. Met een flukse Angus Andrew en wat hyperkinetische spots was Liars meteen ook de enige act die echt paste in de grote zaal van Depart, een onderdak waaraan nog wat geschaafd moet worden, getuige het aanvankelijk lege zaalgevoel en de kille temperatuur bij deze eerste editie.

De free-form artieste Ashley Paul vertegenwoordigde de andere kant van het spectrum. De gedeconstrueerde singer-songwriter bracht enkele schijnbaar atonale composities waarin dissonante saxofoon, flarden lyrics, kabbelende gitaar en tinnitus-inducerende reverb elkaars pad kruisten. In de gitaarpassages kon je nog songs herkennen die een mijmerende nachtwandeling zouden kunnen vergezellen -- ware het niet dat ze allemaal nogal gelijkaardig aanvoelden. Het blazersgepers kon echter flink de zenuwen testen, heen en weer zwiepend tussen een jazzy koortsdroom uit een film noir en een pretentieuze aanval op je trommelvliezen.

Het toppunt van pretentie kreeg je toch pas later op de avond voorgeschoteld bij Sun Kil Moons sfeervolle composities overladen met drammerige parlando; de songwriter die niet langer singt dus. De een is er voor, de ander is er tegen -- hoewel het lauwe applaus liet veronderstellen dat de anderen in de meerderheid waren in Kortrijk. Wat je ook van de stijl vindt, vandaag ging de sfeer van de set gebukt onder een te zwaar versterkte microfoon die Mark Kozeleks prekerij bij momenten heel log door de boxen joeg. De songwriter Mark kan nog steeds snedig uit de hoek komen, maar dreigt hier en daar -- wanneer hij de Trumpverkiezing door de ogen van een huiskat beschijft, om maar een voorbeeld te noemen -- in een parodie van zichzelf te vervallen. Ook de mens Mark stond een goed concert in de weg. Nog niet halfweg de set had hij zijn publiek al meermaals tot beter applaus aangezet en wanneer hij een vete met een bepaald lid van de eerste rij startte, kreeg hij al een welgemeend “don’t be a dick” van achterin toegeroepen.

Het dichtst bij de pure definitie van singer-songwriter zat Steve Gunns diep dooraderde americana met een flinke scheut melancholie. Muzikaal stond zijn set als een huis: een mooi duospel van akoestische en elektrische gitaar en een stevige drum die een hartslag in de composities klopt. Deze nemen hun tijd om te ontwikkelen en tikken langer aan dan wat je normaal van het genre zou verwachten, zonder te gaan vervelen. Helaas ontbrak dat doorleefde in de live vocals, die aan het einde van een lange noot al eens durfden wankelen of wat zoekend tot realisatie kwamen. De lange instrumentals die doorheen de nummers opdoken, toonden nochtans dat zijn songs ook zonder zang wat kwijt kunnen. Marisa Anderson deed net dat later op de avond en liet haar elektrische gitaar als enige de protestfolk bezingen. Hoewel Anderson soepel haar snaren emotie kon inspelen, begonnen de nummers al vroeg in de set als eenheidsworst aan te doen. Zo werd ook zij geplaagd door de vloek van vele sets deze zaterdag: interessant experiment, maar niet beklijvend genoeg om een hele duur te blijven boeien.

Nøught had geen verhalen te vertellen, maar mikte puur op muzikale sfeerschepping, heen en weer pendelend van jazz tot aan de beginselen van metal. Ze daagden traditionele compositieregels uit door te spelen met het verwachtingspatroon van hun publiek met valse eindes, onverwachte versnellingen en bij momenten radicale koerswijzigingen. Na een jazzy intermezzo gaf een vertraagd bellenspel de set plots een intrigerend donker, bijna sacraal karakter. Enkel de hardrockintermezzos mochten wat ingesnoerd alvorens ze te karikaturaal werden. Helaas namen deze de hoofdmoot van de tweede helft van de set in beslag, die in het donderende begin zowaar naar thrash metal zweemde. Door zo hard te gaan, verliepen de overgangen een stuk minder vlot, waardoor dit eerder als een staalkaart dan als een werkstuk aanvoelde. Niettemin een staalkaart van puike instrumentale beheersing.

Het experiment werd meer de richting van noise ingeduwd door Wilco-lid Nels Cline, die tekende voor de meest minimalistische podiumsetup van de avond: de man, zijn elektrische gitaar en wat knoppenwerk. De soundscapes die hij daaruit tevoorschijn toverde, vulden echter zonder problemen de grote zaal met een scheurend sfeerspel dat als een trip te beleven viel. De set duurde net te lang om muzikaal te blijven behagen, maar al bij al gaf hij een unieke en intrigerende aanvulling aan het noiseverhaal van de avond.

Dat werd in zijn meest verregaande vorm afgesloten door Pharmakon, die meteen ook voor het sterkste concert van de dag tekende. Margaret Chardier bracht een langere set dan eerder dit jaar in de AB Club, die werk uit haar verschillende albums compileerde tot een half uur durende uppercut. Nadat ze voor elk nummer eerst in opperste concentratie de noisescape in elkaar mixte, nam ze de microfoon om rond het podium en doorheen het publiek de demonen uit haar lijf te krijsen. Deze keer gaf ze meer gedaantes aan deze duivels, die haar bij momenten als een venijnig kind de eerste rijen liet jennen. Wanneer ze op het einde live aan de slag ging met samples van haar eigen schreeuwen, opende ze mogelijk een intrigerend nieuw hoofdstuk in haar oeuvre. Zo wordt steeds meer duidelijk dat ze niet zomaar af te doen is als een industrial brulboei, maar een avantgardistische artieste is die meer en meer naar de Diamanda Galás van de digitale generatie aan het evolueren is.

De NMBS-dienstregeling verhinderde ons de gastheer bij te wonen op de openingsavond van zijn Sonic City. We keerden terug met een rijk palet aan muzikale indrukken die vaak niet de experimentele waarde overstegen. Zo kon Pharmakon de enige pure victorie scoren, tenzij we ook Madensuyu in rekening nemen. Zij proefdraaien hun nieuwe plaat vier maanden voor de release enkele malen, telkens voor een uiterst select gezelschap van "60 ears only". De Kortrijkse editie van dit exclusieve gebeuren bestond uit 30 gelukkige Sonic City-bijwoners. Vooral voor zo'n fysiek spelende groep was het een absolute meerwaarde om op de dynamische vingers en armen te staan kijken. Madensuyu speelde integraal het nieuwe album, dat hun gekende geluid aanvult met wat puurder klassieke piano in de koppen en staarten. Geen zorgen echter: wanneer het hard gaat, gaat het nog steeds hard en dus waren we getuige van opnieuw een sterke tour de force van een enthousiast duo dat met terechte trots de nieuwe songs boven de doopvont hield. Zo verhoogden de heren alsnog onze tevredenheid bij het terugkeren.

(tdm)

Zondag 12 november

Even recapituleren: Millionaire, Dälek, Deerhoof, Liars, Suuns, Beak>, James Holden, Viet Cong, Savages. Het lijstje van curatoren mocht er intussen al wezen, maar met Thurston Moore, zelf nog present als gast op de editie van 2015, had de organisatie een vette vis gestrikt. Fijne ironie: de curator van deze jubileumeditie is de grootste naam die ooit op het festival speelde, maar stelde ongetwijfeld het meest dwarse programma uit het rijtje samen. Eigenlijk hoeft dat niet te verbazen, want Sonic Youth was een band die voortsproot uit een rijke avant-garde traditie, en een band die naast succesvolle albums als Goo en Dirty ook spul bleef uitbrengen dat resoluut in het experiment verankerd zat. Leg Slaapkamers Met Slagroom of Goodbye 20th Century gerust nog eens op, of duik eens in de talloze kleine releases van Moore en een legertje verwanten.

Ook voor dag 2 werd het een eclectisch zootje, met een paar nieuwe(re) namen maar vooral ook een verzameling oudere cultbands en gerenommeerde iconen van het avontuur en de vrijheid. Twaalf concerten, dat is veel. Zeker bij experimentele muziek die dwingt tot een andere, meer participatieve luisterhouding. Dat de concerten regelmatig overlapten en je daardoor vaak een zaal binnenwandelde terwijl het concert al even aan de gang was, maakte het ook al niet makkelijker om helemaal mee te zijn. Zo hebben we slechts halve indrukken kunnen opdoen van de Poolse Ela Orleans (fascinerende oorfilms tussen dromerig minimalisme en meer voluptueuze muzikale vergezichten met aanzwellende strijkerssamples), Dennis Tyfus & Cameron Jamie (dwars gebricoleer met stemloops, knetterende beats en noisy gemorrel) en Moor Mother (een duistere, claustrofobische, politiek geladen aanval op de zintuigen), stuk voor stuk artiesten die in te passen zijn in genrehokjes, maar ook functioneren als outsiders.

Opgediept uit de annalen van het radicale experiment: The New Blockaders. Venten in balaclava’s die zich bezighouden met afbraakwerken die geënt zijn op de klassieke Art of Noise-principes. Een hoop gierend kabaal à la Merzbow (al zit de beïnvloeding misschien eerder in de andere richting), maar vooral ook meer dan wat knopjesdraaien, want er kwam een betonmolen aan te pas (een échte), een vuilbak werd het podium rond geschopt, en een buffetpiano werd terplekke uit elkaar geklopt. Daniel Menche deed het een paar jaar geleden nog op plaat, hier was het voor echt. Met hamer en zaag, al kostte het behoorlijk wat moeite. Anno 2017 is het vooral het volume, en niet zozeer de daad, die nog aankomt als een provocatie, al werd er onder die balaclava’s ongetwijfeld gegrijnsd, want geef nu toe: wie zou dat niet willen, zo’n berg gelakt hout eens naar de kloten fucken? Rest enkel nog de vraag of de band z’n eigen aanhangwagen mee had of niet.

Heeft geen aanhangwagen nodig: Dälek. Acht jaar geleden curator van een memorabele tweede Sonic City-editie en nog altijd een van de meest heavy hiphop acts ooit. MC Will Brooks -- klein van gestalte, groot van woordenschat -- weet zich dezer dagen gesteund door elektronicaman Mike Manteca en DJ rEK en Dälek staat nog altijd garant voor een kolossaal geluidstapijt dat zelfs een kloek gevaarte als Depart doet daveren op z’n grondvesten. Brooks spuwt, de pet diep over de ogen getrokken, die tongbrekende verzen nog altijd met een vlammende autoriteit, al zijn ze doorgaans ingebed in een genadeloos op het lichaam inhakkende stortvloed van beats en sonische vulling. De nuance, vindingrijke retoriek en gelaagdheid van de composities moeten het meer dan eens ontgelden, en het nieuwe van 2009 is er intussen een beetje af, maar dat wordt deels gecompenseerd door de onverminderd brutale impact van het geheel. Dälek ga je niet kijken, die onderga je.

Vrouwentrio Ut ontstond in het New York van James Chance, Lydia Lunch en DNA, en bracht in de jaren tachtig een paar albums uit op de weerspannige wip tussen nerveuze rock en grootstadsexperiment. Een kwarteeuw geleden hielden de drie het voor bekeken, maar intussen verschijnen er reissues van de moeilijk vindbare platen en staat de band weer op enkele poda. Na al die tijd staat de sound eigenlijk nog overeind, met Spartaanse gitaren, declamerende zangpartijen en vaak minimalistische drumpatronen, die ergens het midden vinden tussen DNA, het bezwerende van Patti Smith (toch als Sally Young aan de micro staat) en het vroegste van The Feelies. Maar een sound is niet alles, en de uitvoering laat te wensen over. Er wordt voortdurend gejammerd over geluidsproblemen, songs worden onzeker ingezet en rommelig afgehaspeld, een baslijn moet zelfs eens voorgezongen worden en het regelmatig wisselen van instrumenten haalt de vaart compleet uit de set. Beetje pijnlijk. Een paar maanden intens repeteren en we willen opnieuw proberen.

Dan ging het er aan de start van de dag heel anders aan toe. Teun Verbruggen en Jozef Dumoulin, amper een half etmaal ervoor nog actief op een jazzfestival in Oostende (weliswaar met andere projecten), speelden een concert met sjamaan, feedbackmeester en culticoon Keiji Haino. The Miracles Of Only One Thing was vorig jaar al een stevige boterham om te verteren, en live zou dat niet anders zijn. Haino’s fluit riep even een wereld van folk en rite en glooiende landschappen op, maar dat was van korte duur, want er ontstond al snel een dichtgepakte, pruttelende geluidenwaanzin, met gierende noise die in stereo door de speakers gejaagd werd, en aangevuld werd met oorlogskreten en een ritmische heksenketel. Tien minuten ver, en de drie zaten al in een frontaal kolkende hel die herinnerde aan de orgastische veldslagen van Fushitsusha. Dumoulin kneep voorovergebogen de meest excentrieke klanken uit die Rhodes, Verbruggen roffelde en kletterde erop los, en Haino zwierde de witte manen in het rond, gul feedback rondstrooiend en onverstaanbare commando’s kelend. Een even korte als opzwepende wake-up call.

Een uur of zeven later zou nog eens zo’n storm van geluid ontketend worden door gitaristen Thurston Moore, Stephen O’Malley (o.a. Sunn O)))) en de Zweedse saxbeul Mats Gustafsson, die er al jarenlang allerhande connecties op nahouden. Zo stonden Moore en Gustafsson een jaar of vier geleden nog in Antwerpen met een verschroeiende set. Ook nu beperkte de centraal opgestelde Zweed zich aanvankelijk tot schurende, pulserende, zeurende elektronica, terwijl de twee gitaristen een intimiderende muur van geluid produceerden. Moore snediger, met vaak haast etherische boventonen, O’Malley onbewogen voor een muurtje versterkers met een massieve, uitzettende geluidsmassa. Zodra Gustafsson de sax aan de lippen zette, was het plaatje compleet: een schuifelende calvarietocht die er eindeloos op bleef inhakken, maar wel met gestage verschuivingen in de dikke brij. Terwijl de ene na de andere in het publiek afdroop, lieten we ons gewillig overmeesteren door de vette geluidspap, met de bedenking dat het concert exact klonk zoals we het ons hadden voorgesteld. Geen idee over wie dat iets zegt, die drie of ons.

Veertig jaar geleden zette Wire met Pink Flag de eerste meta-punkplaat op de wereld, een toetssteen voor generaties van punks, wavers en kunststudenten, ook al zocht de band gaandeweg andere regionen op. Vandaag is de band veruit de meest conventionele op deze festivaldag. De songs uit het recentste wapenfeit Silver/Lead doen zelden de oren spitsen zoals het vroege werk of het magistrale Send dat deden. Nu krijgen we vooral een band te zien die zich professioneel, maar weinig bevlogen door een beproefde festivalset baant, met een voorman die het charisma van een beursbericht heeft. Zo’n song als “This Time” -- de eerste die goed klonk -- is niet slecht, maar eigenlijk ook wat drammerig. Misschien zelfs wat lui. Plak er vervolgens nog eens “Three Girl Rhumba” achter en het effect wordt al helemaal duidelijk. Is dat dan maturiteit? Misschien is het te wijten aan de context, maar wat klonk dit ineens doorsnee.

Nee, dan liever The Ex, een band die van totale overgave zijn handelsmerk gemaakt heeft en ondanks een carrière van bijna veertig jaar nog altijd speelt met de vitaliteit en mentaliteit van een stel jonge punks die nog alles te bewijzen hebben. Het was ook hier even zoeken naar een goede sound, maar al snel kon dat heen-en-weer stuiteren een aanvang nemen, met Arnold De Boer die regelmatig in de tang genomen werd door strijdmakkers Andy Moor en Terrie Hessels, intussen grootmeesters van de complementaire gitaarfurie. Repetitief én vrij, hypnotiserend én toch helemaal ontregeld, en dan nog voortgestuwd door het exotisch roterende drumwerk van Kat Bornefeld, die erin slaagt om Afrika en Beefheart dichter bij elkaar te brengen dan op papier mogelijk is. Toegegeven: we zien deze band een stuk liever in kelders, achterafzaaltjes of zelfs in een restaurant dan in een betonnen bunker, maar zodra ze beland waren bij de finale met een witheet “I Can Foresee” zou je willen dat ze de hele set gewoon nog eens zouden spelen, want dit ga je met de beste wil van de wereld niet beu worden.

De jazzacts maakten ongetwijfeld een goeie beurt op Sonic City. Op de eerste festivaldag maakte het James Brandon Lewis Trio naar verluidt furore (geen verrassing) met zijn moderne jazz, waar volop invloeden van rock, funk en hiphop in opduiken, en op de slotdag werd dat nog eens overgedaan door DKV Trio & Joe McPhee. Sinds de eerste samenwerking twintig jaar geleden, stonden improvisatieveteranen Ken Vandermark en McPhee al talloze keren samen op een podium, maar de dag voor Sonic City was McPhee pas voor het eerst te gast bij het DKV Trio, van Vandermarks projecten misschien wel degene die het dichtst tegen ‘traditionele’ freejazz zit. Dat het improviseren deze vier in de genen zit, werd snel duidelijk, want de band bewoog als één levend organisme, met Kent Kessler (bas) en Hamid Drake (drums) die elk signaal van elkaar én de blazers oppikten met sprekend gemak. Een paar meer ingetogen en abstracte momenten, waarvoor Vandermark de klarinet gebruikte, leken op te lossen in het gewauwel dat snel opdook (wat wil je, na tien concerten en liters Bockor), maar het was een concert dat vooral inzette op soulvol samenspel, momenten vol warme grooves, twee tenorsaxen die naadloos verstrengelden, en motiefjes die eindeloos herhaald werden en zo voor de nodige spanning en herkenbaarheid zorgden. Een toegankelijk concert op maat van een festivalpubliek (van de verwachte publieksvlucht was dan ook geen sprake), dat niettemin uitblonk in cohesie en bakken soul.

Ook wel opvallend hoe de tijden voor sommige bands veranderen. Of hoe sommige bands de dingen doen keren. Tijdens zijn bestaan was This Heat een transmission from outer space, ver vooruit op z’n tijd, met releases die intussen nog altijd geen spatje verouderd klinken. Live, als This Is Not This Heat, klinkt het intussen wel wat anders. Net als, pakweg, Swans, zijn de scherpste, vijandige randjes er wat afgevijld, klinken de songs niet meer zo radicaal als ze ooit waren. Niet dat het een punt van kritiek is, want de nieuwe gedaantes van de zevenkoppige band hebben een grandeur, zelfs een elegantie, die de moderne Swans ook kenmerkt. Tegelijkertijd slagen Charles Hayward (nog altijd uniek, nog altijd een magneet), Charles Bullen en gasten erin om, met strijkers, blazers, samenzang en eindeloos repetitieve patronen een sfeer op te roepen die meer heeft met Robert Wyatts onderwaterwereld dan die van het verhakkelde collagewerk. Dat we er intussen tien uur ronddwalen in muzikale vrijbuiterij op hadden zitten, zat er misschien ook voor iets tussen, maar dezer dagen klinkt This Heat vooral mooi en majestueus.

(gp)

E-mailadres Afdrukken
Tags: Sonic City