Banner

Brand! Festival

10 november 2017, Kc Nona & Cultuurcentrum Mechelen

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 11 november 2017

Terwijl het reguliere concertseizoen z’n zenit bereikt, blijven de festivals niet achter. Voor de fervente concertganger betekent dat vooral verscheurende keuzes maken. Laat dat nu een van de vele talenten zijn waar we niet over beschikken, dus doen we maar een beetje vanalles. En op vrijdag betekende dat een uitstap naar de stad van de Maneblussers, waar voor de derde keer het fijne Brand! Festival georganiseerd wordt.

Net zoals de eerste editie in 2015, die rietblazer Joachim Badenhorst centraal stelde, werd ook nu gewerkt met een gast die mee het programma bepaalt. Niels Van Heertum duikt zo op in vier van de tien festivalconcerten. Meteen ook een indicatie van de rijrichting? Van Heertum, die goedschiks of kwaadschiks ingedeeld wordt in het ‘jazz’-vakje, is het typevoorbeeld van de muzikant die zo’n eenduidige typering overstijgt, vanuit de gedachte dat er vertrokken kan worden vanuit een individuele kern die los van externe invloeden bestaat en naargelang de context anders ingezet kan worden.

Op de eerste dag speelde de man het openingsconcert in de Sint-Romboutskathedraal en als afsluiter met het kwartet Veder. Op de slotdag maakt hij deel uit van Vvolk, het uit Antwerpen overgekomen orkest van de traagheid, maar daartussen krijgen we Ifa y Xango nog eens te horen. Het was binnen die context dat we voor het eerst van Van Heertum hoorden, en het blijft een bijzonder geval. Geen echte working band die frequent samenkomt, maar wel eentje die langere periodes van inactiviteit kan overleven. Het was nu al een hele tijd geleden dat de band nog eens op een podium stond, al viel daar weinig van te merken.

Snel wordt dan ook duidelijk waarom. Deze band is geen vastgelegd principe, geen vehikel dat automatisch in de ‘juiste’ versnelling belandt, maar een kneedbaar collectief en een vrijbrief voor die combinatie van muzikanten op dat moment. Om maar te zeggen: debuutalbum Abraham (2012) was een warrig weefwerk van zestien stukken die soms erg fragmentarisch van aard waren. Opvolger Twice Left Handed \\ Shavings (2015) was een stuk woeliger en excentrieker. Elektrisch ook. Voor dit concert zou teruggekeerd worden naar het grotendeels akoestische universum. Het resultaat was een lange beweging die vooral teerde op een gevoel van sereniteit dat recent zo sterk naar voren kwam in een paar Van Heertums muzikale bezigheden, waaronder Veder en zijn solowerk.

De zevenkoppige band had met Van Heertum (eufonium), Filipe Nader (altsax), Viktor Perdieus (tenorsax), Seppe Gebruers (harmonium) en Laurens Smet (contrabas) vijf originele leden in de rangen. Zij werden aangevuld met de later erbij gekomen Ruben Machtelinckx (gitaar, banjo) en gastdrummer Eric Thielemans. Duchtig repeteren zat er sowieso niet in, dus bleef het bij een beperkt aantal afspraken over scharniermomenten in een overkoepelend geheel dat leek te bestaan uit een handvol langere secties die organisch transformeerden, geduldig maar gestaag vervelden. En het mocht dan aanvoelen als een minimalistisch parcours; het was geen oefening in gemakzucht, want er waarde een samenhang door de muziek van overlappende stemmen die voortdurend communiceerden, bijstuurden, aanvulden.

Vanaf de zachte blazersaanzetten in het begin was het aftasten, voelen, voor het licht houden, becommentariëren. Vaak in slow motion, met zuchtende golven die het geheel deden aanzwellen met fraaie harmonieën en weer zachtjes liet leeglopen, maar tegelijkertijd met een half weggemoffelde, maar blijvend aanwezige lijfelijkheid, overduidelijk in de wiegende en draaiende bewegingen van geconcentreerde, geëngageerde lichamen. Machtelinckx was de eerste die eigenlijk een ‘echte’ solorol kreeg, of opnam, op een ondergrond waarbij het harmonium en de bas soms fungeerden als een complementair tweespan, maar zich binnen die groepscontext ook konden onderscheiden.

Ook Thielemans’ rol was diffuus, door het ene moment op de proppen te komen met ritmisch geritsel en een stuwende beat, maar even later het verst te gaan in abstractie, met o.m. iele strijkstokklanken en roterende objecten. Binnen deze context werkte dat wonderwel, zoals korte knikjes, subtiele signalen en lachende blikken duidelijk maakten. Ifa y Xango zat door de lange beweging, de traag veranderende geluidsmassa en de contemplatieve sfeer vermoedelijk wat verder van de jazz en improvisatie dan sommigen verwachtten, maar het was een concert dat niettemin uitblonk in cohesie en een even subtiele als weldadige reeks van nuances. Een band die dit kan klaarspelen na een lange periode van afwezigheid, is tot veel in staat. In een recent verschenen interview sprak Van Heertum zijn geloof in een lange levensduur voor deze vriendenkliek uit. Je kan maar hopen dat hij gelijk krijgt.

Trompettist Verneri Pohjola leek zich ook in z’n sas te voelen bij z’n collega’s, maar dat leverde daarom nog geen memorabel concert op. Nochtans heeft de Fin zich de voorbije jaren wat in de kijker weten te spelen met een paar degelijke platen die lieten horen dat hij genoeg in huis had om de platgetreden paden te ontwijken. Met zijn recentste project brengt hij een ode aan zijn vader, Pekka Pohjola, die als muzikant en producer vanaf de jaren zeventig furore maakte in de zone tussen progressieve rock en fusion, labels die altijd met wat omzichtigheid benaderd moeten worden, al is het maar omdat dit soort escapades in het verleden al te vaak voor een muzikale indigestie zorgden.

Dat viel eigenlijk nogal mee. Door de vrij rechtlijnige ritmes en soms potige riffs zat er zeker ‘rock’ in deze set, en niet noodzakelijk met technische bombast. Maar daarom was het nog niet goed, want de composities bleven al te vaak trappelen in een wat floue tussenvorm met lome grooves, in reverb badend trompetspel (misschien maar goed ook, want echt toonvast was het niet altijd), en allerhande gebricoleer achter de Rhodes. Aan een gebrek aan enthousiasme zal het niet gelegen hebben, want de leider was overduidelijk dolgelukkig om stukken als “The Dragon Of Kätkävaara” en “First Morning” te kunnen delen. Of die de tand des tijds doorstaan hebben is nog een andere zaak, want die laatste herinnerde aan de periode dat progrockers met iets te veel gretigheid leentjebuur speelden bij middeleeuwse muziek.

Als Pohjola’s enthousiasme nog enigszins aanstekelijk werkte, dan was dat voor de gitarist minder het geval. Was het spelen met iele klanken en texturen in “Inke And Me” al een lesje in gladheid, dan was de eindeloze aanloop van het stuk erna gewoonweg irritant, een en al flashy vertoon vol vlugge riedels en zoutloze effecten, dansend op pedaaltjes die het gebrek aan zeggingskracht enkel nog aandikten. Dan liever het vinniger “Pinch” met z’n olijke folkthema, al werd ook dat weer onderuit gehaald door nodeloos simultaan gepingel. Het klonk allemaal wel strak en professioneel, maar te afgelikt, met solo’s die spanning en emotie misten en samenspel dat veel te weinig durfde bruuskeren, laat staan verrassen. Jammer.

Dan vonden we de onbehouwen emotionaliteit van Angles 7 zoveel mooier, oprechter, pakkender. De voorbije jaren is Martin Küchens Angles 9 uitgegroeid tot een vaste waarde in de linkerflank van de moderne (free) jazz en improvisatie. Het is een band die in een voortdurende spreidstand staat tussen opruiende vrijheid en hechtheid, die het ene moment uithaalt met melancholische opdoffers vol Balkanmelancholie, maar die naadloos kan combineren met opjuttende ritmes en expressief in het rond gekladderde klanken die rechtstreeks uit de fire music van de jaren zestig komen. Angles 7 - een bezetting zonder baritonsaxofonist Eirik Hegdal en kornettist Goran Kejfes, en met pianist Johan Graden als vervanger voor Alexander Zethson – speelde het simpel, door zijn recentste album Disappeared Behind The Sun integraal en chronologisch te brengen, enkel onderbroken voor eentje uit Injuries.

Dat betekende starten met de saxkreten van “Equality & Death (Mothers, Fathers, Where Are Ye?)”, die Küchen afvuurde vanop het balkon boven het publiek. Terwijl de band vanachter de coulissen tevoorschijn kwam en dat eerste hamerende ritme neerlegde, hoorde je de leider de trap nemen om even later rauw toeterend op de tenorsax de zaal binnengestormd te komen. De toon was meteen gezet, want Küchens even hilarische als warrige bindteksten en ongepolijste stijl zullen altijd voorkomen dat het een afgelikt boeltje wordt. Het was even zoeken met het geluid, want Graden werd aanvankelijk helemaal weggeduwd door het blazersgeweld, maar snel kwam de motor op gang, werden de warmbloedige trance-stukken aan elkaar geregen met uitbundige unisono-passages en een koppig rondwentelende ritmesectie, met een sleutelrol voor de souplesse van bassist Berthling en drummer Andreas Werliin die zich afwisselend ontpopte tot nakomeling van Tony Allen, Al Jackson, Clyde Stubblefield en Andrew Cyrille.

Zo breed uitgesmeerd als “Ådror” heen en weer wiegde, zo dwingend werd vervolgens gepompt met het door heen en weer ketsende blazers op gang gedraaide “Pacemaker”. Een mooi voorbeeld van hoe Angles vrije expressie weet te combineren met repetitieve groove als houvast. Maar natuurlijk ook volop met fraaie solomomenten, met meerdere keren een glansrol voor vibrafonist Ståhl (aan het begin even actief op sopraansax) en trombonist Mats Äleklint, die zich opnieuw ontpopten tot kleppers met een schier eindeloze expressiviteit. En als het uit Injuries geplukte “Ubabba” de band op z’n meest funky liet horen, dan werd het beste bewaard tot het einde, met een intense uitvoering van “Love, Flee Thy House (In Breslau)”, met de felle kreten van trompettist Magnus Broo die door merg en been gingen voor ze een laatste keer ingebed werden in dat woest-emotionele, weldadige groepsgeluid. Het blijft bijzonder om een jazzband zo gretig vanuit hart en onderbuik te zien spelen.

Straks begint Brand! aan z’n laatste dag met Christian Wallumrød Ensemble, het Ragini Trio feat. Bojan Z en Sawani Mudga, en Vvolk.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Brand! Brand!