Banner

Hellwood

5 oktober 2006, AB Club

Guy Peters - foto's: Evy Ottermans - 07 oktober 2006

"I am the God of hellfire, and I bring you… FIRE!", waren de woorden die ons door het hoofd schoten toen we op weg waren naar de hoogmis in de AB Club. De verwachtingen waren hooggespannen en de Club zat afgeladen vol, maar zouden de verstoten misdienaars in staat zijn een louterende trip op poten te zetten?

Wie er vroeg bij was, werd getrakteerd op een vertoning van Searching For The Wrong-Eyed Jesus, de documentaire annex road movie die vorig jaar werd uitgebracht, waarin Jim White de kijker door the deep South gidst, een streek waar de oneindige strijd tussen zonde en boetedoening blijft zorgen voor soms hallucinante taferelen en bevreemdende spanning. De DVD zorgde ook voor het eerst voor een gezamenlijk optreden van White en collega-outsider Johnny Dowd, de meeste intense chroniqueur van Amerika’s rammelende onderbuik. Op Chainsaw Of Life, het onlangs verschenen album dat de twee met behulp van multi-instrumentalist Willie B (sinds jaar en dag Dowds vaste begeleider) opnamen, werden veel van de thema’s uit de film opnieuw aangewend. Dowd klonk toegankelijker dan ooit, maar het leed geen twijfel dat het publiek getrakteerd zou worden op een niet-alledaagse eucharistieviering.

Het album werd er voor het grootste stuk doorgejaagd, en meteen viel op dat White nu een grotere rol toebedeeld kreeg: hij zorgde voor de interactie met het publiek, terwijl Dowd zich best comfortabel leek te voelen in de rol van begeleider. Dit betekende ook dat White een song als "Fireworks Factory", op het album nog gezongen door zijn spitsbroeder, nu zelf voor z’n rekening nam. Door zijn hogere timbre leken de vocale duels bij momenten dan ook veel op die van Dowd en Kim Sherwood-Caso, die deze keer afwezig was. In haar plaats had toetsenist Michael Stark ook de overtocht gemaakt, en meteen werd duidelijk dat hij er een al even ongewone stijl op nahoudt als de collega’s: een haast percussieve aanpak die constant balanceerde tussen sci-fi-riedels en jazzy accenten, terwijl Willie B exotische patronen afwisselde met retestrakke, minimalistische slagen en de doemsfeer intact hield met zijn loodzware baspedalen.

Dowd zag er zoals gewoonlijk uit als een braaf burgermannetje (nu zelfs met ziekenfondsbrilletje), maar zodra hij zang voor z’n rekening nam, kwam zijn ware aard naar boven: de man straalt een bij momenten zieke, dierlijke intensiteit uit. Het sarcastische "Thank You, Lord", dat eindigde met een chaotische finale, leidde tot het eerste hoogtepunt van een vreemde set die ingetogen momenten afwisselde met ouderwets snarengegesel. Zo werd Whites verraderlijk ingetogen huwelijkshorror "A Man Loves His Wife" gevolgd door Dowds "Demons And Goats" (aangekondigd als "a song about my penis") en een opgefokt "Man In A Plaid Suit". White wist ook een eigen song in de set te smokkelen, die door z’n titel alleen al ("God Was Drunk When He Made Me") op goedkeurend gebulder werd onthaald. De set eindigde echter weer in typische verwarring toen een tweede rustmoment ("Dream On") geneutraliseerd werd door een geschifte rapsong (!), waarvoor White zijn trucker cap netjes scheef op het hoofd zette.

Er werd nog tweemaal gebist, waarbij een roadhouse-interpretatie van Dowds "Murder" (van zijn debuutalbum) het hoogtepunt was. Helaas zorgde dat nummer ook voor het enige moment waarbij de voet volledig van het rempedaal gehaald werd. Naar goede gewoonte balanceerde de band constant op de grens tussen focus en chaos, maar je had niet het gevoel dat de vier er écht voor gingen, alsof de twee songwriters nog wat moesten wennen aan elkaars aanwezigheid, niet alle duivels durfden te ontbinden en bijgevolg slechts bij momenten lieten merken tot wat ze werkelijk in staat zouden zijn: een ervaring die de ingewanden doet samenkrimpen zoals de doodsangst in het gekrijs van een varken.

DE FOTO'S

E-mailadres Afdrukken