Banner

Gent Jazz 2016

(gp), (jvs), (mvm), (kvp), (mba) - foto's: Geert Vandepoele - 08 juli 2016

Gent Jazz, editie #15. En het belooft een topper te worden qua opkomst, want in tegenstelling tot vorig jaar, toen enkele avant-garde zwaargewichten uit Chicago het moesten stellen met een beperkt kransje geïnteresseerden, zat het kot al vol vanaf Dag 1. Het was dan ook de dag waarop de meest bejubelde Jazzmessias van de laatste jaren z’n opwachting maakte, terwijl ook een andere klepper, die een paar jaar geleden nog tekende voor een oorverdovend spektakel, opnieuw van de partij was. Genoeg ingrediënten om er meteen een hoogdag van te maken, al leek wat terughoudendheid achteraf ook geen slecht idee.

Donderdag 7 juli

Terence Blanchard en zijn E-Collective drukten alle voorbarige jolijt meteen genadeloos de kop in met een van de meest teleurstellende sets die we de laatste jaren in Gent voor de kiezen kregen. Jammer, want de man heeft z’n kwaliteiten in het verleden al genoeg bewezen, ook al zet hij die de laatste jaren vooral in via soundtracks. Deze keer bracht hij de band mee die ook te horen viel op Breathless (2015). De focus werd snel duidelijk: groove en funk, maar werden we daar even getrakteerd op een fout zootje. De man bediende zich van een laptop, waar hij synthgolven uit perste waarvan we eigenlijk dachten dat ze al niet meer gebruikt werden sinds het eerste Apple-prototype. Dat was niet alles: ook wat hij voortbracht op zijn sci-fi trompet, werd met ingrijpende effecten een paar keer verdubbeld en vervormd, vermoedelijk met het oog op een soort van ‘orkestraal’ effect.

Doe zoiets voor een paar seconden (het zou bij een later concert nog eens passeren), en het is een geinig ideetje. Melk het uit, en het is een flauwe gimmick. En als je er vervolgens enkel mee duidelijk maakt dat je muzikaal geen bal te vertellen hebt, dan wordt het gewoon irritant. Wat begon met een slome, bluesy groove ging zo uitmonden in het soort kleffe stadionmuzak die ze enkel in de VS willen (of durven) bestempelen als ‘funky’. Iets dat misschien vanuit de onderbuik kwam, maar zonder nuance of zeggingskracht gebracht werd. Hier en daar een scheut jazzpop, een strakke wending en een notenkakker op gitaar die techniek en snelheid verwarde met zeggingskracht. Een beetje jammer voor de pianist, die in het begin van de set een mooie solo uit de handen schudde, maar op z’n best was dit een onthutsende teleurstelling van een artiest die veel, veel beter kan. Op z’n slechtst lag er een walvis te sterven.

Dan maar hopen op beterschap met Kneedelus, “A live collaboration between Kneebody + Daedalus”, maar daar viel al onraad te ruiken door een verdacht lange soundcheck, die gevolgd werd door een gemiste start. Terwijl we even hoopten op het Amerikaanse antwoord op, pakweg, Jaga Jazzist, zagen we een band die er precies niet veel zin in had en onderweg de groepslijm vergeten was. Het klonk vooral rudimentair, met wat fletse struikel- en strompelritmes en onderontwikkelde arrangementen. Bassist Kaveh Rastegar schoot na de opener in de verdediging met de melding dat de band zichzelf niet kon horen. Geen idee of dat zo’n onoverkomelijk probleem is op die Garden Stage, maar dat hengelen naar sympathie wérkte wel en doorheen de volgende twee stukken vond de band z’n draai. Het blaaswerk werd vinniger, de funk werd vetter en zodra beland werd bij “Nerd Mountain” begon de boel te smeulen. Een verdwaald trompeteffect joeg ons even de stuipen op het lijf, maar onnodig, want de band speelde met goesting, er werd uitgepakt met behendige tempowissels en ook de sax kon een ferm stukje scheuren. Kortom: de band wakker en wij ook. De twee volgende sets zagen we niet, maar als de zes op dat elan zijn verder gegaan, moet het uiteindelijk wel vuurwerk opgeleverd hebben.

alt

Snelsnel terug naar de grote tent, waar het Wout Gooris Trio, winnaar van de vorige Jong Jazztalent Gent, met gastsaxofonisten Erwin Vann en Haden Chisholm net begonnen was. Op papier was dit de ‘braafste’ band van de dag, en in werkelijkheid ook, maar snel werd duidelijk dat dat geen bezwaar hoeft te zijn. Het in 2015 verschenen Current liet ook al horen dat pianist Gooris samen met bassist Nathan Wouters en drummer Stijn Cools een eigen hoekje gevonden had, waar jazz, minimalisme en schuchter ingezette elektronica elkaar gevonden hadden. Gooris had voor dit concert gewerkt aan een nieuwe reeks composities, en die klonken, vermoedelijk ook door de aanwezigheid van Vann (tenorsax) en Chisholm (asltsax), een stuk jazzier dan de triomuziek.

De schijnbaar aaibare muziek stak wel heel knap in elkaar. Gooris heeft intussen al een heel eigen stijl van spelen en componeren (charmant, bedeesd en een beetje weemoedig), en de manier waarop de saxen geïntegreerd en rond elkaar gestrengeld werden, leverde regelmatig erg fraaie momenten op, terwijl ook Nathan Wouters een paar keer opviel met erg lyrisch baswerk. Meteen werd ook duidelijk wat een enorme afstand er schuilde tussen deze ritmesectie en die van Blanchard. Cools speelde zo subtiel en elegant als de rest van de band, wat maximaal rendeerde in het prachtig ontvouwende “Open”. Het was meteen ook de piek van het concert, maar wat volgde was nooit minder dan interessant. Gooris leek heel even een toetsenversie van Ruben Machtelinckx, met knappe, soms wat melancholische thema’s en een neus voor fijne interactie. Kortom: wie buiten zat te tateren (ja, u daar), miste een van de vroege aangename verrassingen van het festival én bindteksten die het midden hielden tussen gortdroog en hilarisch. Voor sommigen misschien een gebrek aan professionalisme of geen voer voor het grote podium. Voor ons dik in orde.

En dan: stijgende koorts voor Kamasi Washington, die duidelijk onthaald zou worden als een echte headliner. Voor het eerst liep de tent zo goed als vol en hoorde je kreetjes van opwinding. En eigenlijk wel terecht, want The Epic en een knoert van een live reputatie hebben ervoor gezorgd dat Washington geldt als een van dé cruciale jazzmuzikanten van het moment. Ook al is zijn muziek niet echt vernieuwend, hij staat er toch maar straffe stoten mee uit te halen en weet door zijn composities, vibe en presence een nieuwe publiek bij de jazz te krijgen. Dat is iets waar een festival als Gent Jazz enkel de vruchten van kan plukken (we zagen deze keer ook heel wat jong volk op de weide). Maar wat werd het uiteindelijk? De staande ovatie achteraf wees op een game, set & match. Was het dat ook?

alt

Nou, nee. Echt niet. Dat een band op gejuich wordt onthaald voor er een noot gespeeld is, geen probleem. Maar dat eerste half uur, waarin prijsbeesten “Change Of The Guard” (u kan ‘m vast al even meefluiten) en “Askim” meteen aan elkaar geregen werden, was in hetzelfde bedje ziek als tijdens het concert in de AB vorig jaar. Toen kregen we dat echter gecompenseerd door dat tomeloze enthousiasme en een elektrisch geladen sfeer. Nu klonk het, mede dankzij de ‘hulp’ van een geluidsman die al z’n knoppen richting podium schoof, als een pompeuze monoliet. Een brok van geluid waar geen speld tussen te krijgen was. Die twee drummers hakten er als een stel slagers op los, Washington zelf kon een straf eindje soleren en de rest van de band haalde ook alles uit de kast, maar het was allemaal compleet dichtgetimmerd, liet geen ademruimte. En hoe vinnig ook werd overgeschakeld van dwingende groove naar losse swing, het mankeerde zo spontaniteit en levendigheid.

Keytar-solo? Loeihard. Te lang. Te patserig. De twee drummers klonken als een troebele soep. De aanloop van “Askim” was even een rustmoment, maar snel trok de machine zich op gang, met ritmes op de wip tussen hiphop en jazz, en snel ook weer met vuurspuwende solo’s in een blok beton. Trouwens: we kregen die bassolo van Miles Mosley al voor de kiezen in Brussel, waar we ook al enkele bindteksten en mopjes over oude vrienden en die kleine oma hoorden. De meeste van bovenstaande bedenkingen zou je nog kunnen beschouwen als persoonlijke interpretatie, maar geen mens die kan begrijpen waarom ze deze setlist zouden hanteren op een festival. “Oscalypso” heeft met z’n opzwepende ritmes en dubbele drumaanval vaagweg iets van James Brown in z’n trancedagen, maar laat het in godsnaam dan niet volgen door een eindeloos drumduet dat werkelijk niets toe te voegen had. Laat die solo’s gewoon over aan Joey Baron. Het was de doodsteek voor een concert dat ondanks al dat volume in elkaar kromp als een soesje dat nog niet gezien mocht worden, en wat had moeten uitmonden in een knoert van een finale die Gent Jazz idealiter een magisch hoogtepunt had bezorgd, werd in werkelijkheid een merkwaardige anticlimax. Maar daar dacht u duidelijk anders over. Fair enough.

Een paar jaar geleden deed trompettist Ibrahim Maalouf wat we bassist Avishai Cohen ook zagen doen op Jazz Middelheim: de tent volledig op z’n kop zetten met een uitbundige, gulle en perfect georkestreerde set op maat van een groot publiek. Weinig spontaan en erg berekend, maar ook dodelijk efficiënt. Daar hoeft niks mis mee te zijn, maar het zorgde er wel voor dat we van Maalouf niet bepaald een concert verwachtten dat het moest hebben van finesse of van de lange beweging. Maar dan lazen we dat hij voor zijn “Kalthoum”-programma (een ode aan Egyptische zangeres Oum Kalthoum, die beschouwd werd als een van de grote stemmen van de Arabische wereld, en stierf in 1975) de akoestische toer op ging en o.m. bassist Scott Colley en saxofonist Mark Turner zou meebrengen. Muzikanten die eerder bekend staan om hun gestileerde en ingetogen aanpak, dan het uitbundige en rockgeoriënteerde. En het werd ook heel wat anders: opnieuw een set waarmee Maalouf een groot publiek kon inpakken, maar de exotische insteek en suiteachtige structuur bleef verteerbaar en werd met verve uitgevoerd.

Het concert werd door de enthousiaste Franse Libanees trouwens voorafgegaan door een woordje uitleg over de structuur van die traditionele muziek en een korte demonstratie door een oud-speler. Dat alles om duidelijk te maken dat het concert beschouwd mocht worden als een lange song, een pocketsymfonie met een lange intro, meerdere ouvertures en terugkerende elementen. Het was muziek die regelmatig teerde op vrij eenvoudige structuren en thema’s die een spirituele geladenheid suggereerden, waarbij vooral ook opviel dat het een echte groepsinspanning was. Het klonk dramatisch, bij momenten zelfs episch, maar dan zonder de verlammende bombast van Washington. Zeker in het begin. Bij dit kwintet werd dan ook subtieler gespeeld en gebruik gemaakt van oorwurmthema’s, terwijl Turner indruk maakte met een paar vloeiende uithalen die uitblonken in een soort van ingehouden extase. Niet echt exuberant of ruw, maar met een net onder controle gehouden intensiteit.

alt

Gaandeweg kwamen ook passages aan bod waarin de band feilloos een paar climaxen op poten zette, en dan zag je wel weer die parallel met Cohen. Weliswaar met dat verschil dat deze performance veel coherenter bleef. Het werd ook duidelijk dat de band hier serieus aan gewerkt had, want ook al bestond de suite uit een structuur die muzikanten van dit kaliber snel in de vingers hebben, toch was de manier waarop ze de passages aan elkaar naaiden en soms versnellingen, vertragingen en wendingen inlasten, best indrukwekkend. Er vielen immers geen partituren te bekennen. Maalouf was trouwens niet té gulzig, want net zoals Turner ervoor al een stap achteruit had gezet, leidde een daverende triopassage tot een nieuwe, onvermijdelijke ontlading. Verfijnd was het dan al lang niet meer, maar zodra de band belandde bij die extatische, emotionele herneming in de finale begreep je wel waarom een mens hierdoor uit z’n dak gaat.

Maar nu even eerlijk. Als er al een parallel te trekken valt met de eerste dag van de editie van 2015, dan is het wel dat het meest memorabele moment plaatsvond aan het einde van de avond. Vorig jaar zorgde het trio Ernst Reijseger, Harmen Franje en Mola Sylla daar voor een stukje magie, en deze keer was het kwartet Sons Of Kemet vanuit Londen overgekomen op het boeltje in het zweet te zetten. De formule van de band is even efficiënt als eenvoudig: neem twee drummers (Seb Rochford, nu kaal, en Tom Skinner), een saxofonist (Shabaka Hutchings, een klepper die o.m. speelt bij Alexander Hawkins, The Heliocentrics en het zich stilaan in de kijker spelende The Comet Is Coming) en een tubaspeler (Theon Cross) en geef ze de opdracht om voluit in te zetten op ritme, ritme en nog eens ritme.

Dat leidde tot een feestje dat zo’n anderhalf uur aanhield en de kleine tent omvormde tot een dansvloer die de Bijlokesite uit z’n evenwicht gebracht moet hebben. Skinner en Rochford haakten in elkaar met een vanzelfsprekende souplesse en onstuitbare swing waar die twee van Washington een puntje aan konden zuigen, terwijl de blazers elk een unieke rol vervulden. Hutchings door eindeloos te variëren op repetitieve thema’s, soms met een haast blaffende sound en schrille uitschieters. Cross door de rol van stuwende bas op te nemen, wat soms een geweldig opruiend effect had. Door om te schakelen van kleine effecten naar heftig pompende baslijnen gaf hij de al opzwepende muziek, die regelmatig herinnerde aan werk van Tony Allen/Fela Kuti en Steve Reid, een enorme turbo boost die elke keer beantwoord werd door extatische kreten vanuit het publiek. Een enkele keer stond hij minutenlang een diepe noot te blazen die de tent in trance bracht als was het een meedogenloos doordreunende technobeat.

alt

Complex of vernieuwend kon je deze muziek ook niet noemen en je moet er zeker niet naar luisteren voor de compositorische vondsten, maar het werd gebracht met een intense, lijfelijke energie, was mateloos aanstekelijk en zette het element van ritme en dans helemaal centraal. We stonden erbij en keken toe hoe het publiek op sleeptouw genomen werd door een organische, complexloze ritmemachine. Hadden ze die laatste bisronde rond 1.40u niet gevuld met een slome versie van reggaeklassieker “Rivers Of Babylon” (vergeet Boney M), dan stonden ze daar om 4u waarschijnlijk nog altijd te dansen. De stukjes vielen eindelijk op hun plaats. Dag 1 had z’n hoogtepunten, maar niet altijd waar je ze verwachtte.

(gp)



E-mailadres Afdrukken
Tags: Gent Jazz
 
Gent Jazz 2016

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST