Banner

Under The Radar #10: Lopes/Almeida/Smal + Eugene Chadbourne & Schroeder

22 april 2016, De Nieuwe Ruimte (Rotterdam)

Guy Peters - 23 april 2016

Feit: kleine DIY-initiatieven of artistieke vrijplaatsen geven je meer dan eens de indruk dat ze het échte kloppende hart van de muziekwereld zijn. Het zijn plaatsen waar alles mogelijk is, niets bij voorbaat wordt uitgesloten, waar je tijdens een soundcheck kan binnenwandelen, eventueel nog een hapje mee kan eten, ook als vreemde bezoeker die helemaal vanuit België aangereden komt. Een ongedwongen sfeer, geen kapsones of opgefokt gedoe. En iedereen is daar om muziek te beleven. Zolang je geen stok in de wielen gestoken krijgt tenminste, zoals de cinéPalace in Kortrijk onlangs overkwam (ga dan op z’n minst naar het slotfeest op 2 juli). Het tiende deel van de Under The Radar-reeks in De Nieuwe Ruimte zorgde alleszins voor een originele combinatie van twee fijne concerten.

Het eerste trio bestond uit vaste klant Gonçalo Almeida, de in Rotterdam gebaseerde bassist van o.m. Lama en het heftige jazzcoretrio Albatre, maar intussen ook bekend als een muzikant met een veelzijdige actieradius, die nu een paar concerten speelde met Amsterdamse drummer Rogier Smal, die intussen al te horen was met o.m. Colin Webster, Eugene Chadbourne en Ryoko Ono (op een splinternieuwe release), en de Portugese gitarist Luís Lopes. Diens terrein, dat op deze site al uitgebreid ontgonnen werd, is al net zo onvoorstelbaar: van de potige jazz van zijn Humanization Quartet en de knetterende impro van het Lisbon Berlin Trio, tot de abstractie van zijn Lisbon Freedom Unit en de solo noisecocerten. Terwijl de eerste ontmoeting van het trio, twee dagen eerder in Amsterdam, nog gepaard ging met het nodige volume, moest deze keer noodgedwongen gekozen worden voor een iets minder daverende aanpak (ook De Nieuwe Ruimte kreeg intussen ook al te maken met de nodige burenproblemen).

Maar dat hoefde geen beslag te leggen op de creativiteit. Integendeel, want het trio liet al snel horen dat (een hoog) volume helemaal geen centrale rol hoeft te spelen. Het leidde tot een set op gematigd volume, met veel ademruimte, aandacht voor detail, ritme en variatie. Terwijl de ritmesectie vlot aan het verkennen sloeg, ontpopte Lopes zich tot een eigenzinnige en wat schuchtere gesprekspartner, die aanvankelijk losse noten in het gesprek liet vallen en met een gebruik van pedalen de versterker de helft van het werk liet doen. Het aanzwellende gezoem vleide zich als een fundament onder de steeds hechter rond elkaar strengelende interactie. Smal gebruikte allerlei minder gebruikelijke objecten – een snijplankje, een handdoek, tamboerijn, etc – maar de flow van de discussie bleef intussen in beweging, terwijl hij ook met rods en stokken zorgde voor veel kleur, zonder de snare drum te gaan geselen.

Lopes legde de gitaar vervolgens op z’n schoot en al snel gingen hij en Almeida in de weer met strijkstokken. Wat aanvankelijk een abstracte toer op leek te gaan, leidde gaandeweg tot steeds inniger en mooiere harmonieën. Dat werd geduldig uitgeprobeerd, met steeds intenser en excentrieker klanken, die de gitarist later zou afwisselen met conventioneler, maar wel stekelig spel met een scherpere attack. Het drietal bleef alleszins actief discussieëren, laveerde tussen passages die speelden met textuur en ruimte, en andere die meer zochten naar ritmische mogelijkheden en trance. Zo zorgde het slot voor een mooi moment met roterende bewegingen, percussie op de contrabas en iele gitaarklanken die geproduceerd werden met een metalen doosje. Een subtiel spel van klank en dynamiek met een knap gedoseerde, poëtische invulling.

Snarenexpert Eugene Chadbourne is een van de onvermoeibare excentriekelingen uit de marge, een muzikant die zich begeeft in de zone tussen avant-garde en roots, die in de jaren zeventig al in de weer was met John Zorn en nu nog altijd heen en weer getrokken wordt tussen de werelden van Derek Bailey en Merle Haggard, die allebei trouwens aan bod kwamen in een set die in het teken stond van muzikale eerbetonen. Daarvoor liet hij zich ondersteunen door ene Schroeder, een drummer die op een bescheiden drumkit schijnbaar simpele en functionele dingen deed, maar de occasionele onvoorspelbaarheden van Chadbourne wel perfect wist te anticiperen en beantwoorden. Zagen we ooit al tegendraads wringende concerten van de man, dan was dit van een heel andere orde. Het was deze keer echt een plezier om Chadbourne aan het werk te zien. Hij staat erbij als een mad professor, voorziet zijn teksten voortdurend van muzikale commentaren en stapt voortdurend terplekke, alsof hij niet enkel het ritme wil aangeven, maar ook nog eens wat calorieën wil verbranden.

De eerste songs hanteerde hij de vijfsnarige banjo, die hij op even virtuoze als rafelige manier bespeelt. Vingervlug en met de traditionele picks, maar de songs werden hier en daar voorzien van ruime coda’s die naar het terrein van de vrije improvisatie neigden. En als hij er dan enthousiast stond te stappen, met de vastberadenheid van een geëngageerd scout en verhalen die een ode aan het leven van alledag leken, dan was het moeilijk om hem niet te zien als een combinatie van Loudon Wainwright, Woody Guthrie en D. Boon. En voorts werd het publiek getrakteerd op een geinige setlist, waarin plaats was voor “Groovin’” van The Rascals (simpel en onbezorgd rollend), “Keep On Rockin’ In The Free World” (bijna onherkenbaar in z’n monotone voordracht) en “Misty Roses” van Tim Hardin (aandoenlijk in z’n wiegende eenvoud).

Het recente overlijden van held Merle Haggard leidde ook tot een aantal klassiekers uit het grote Countryboek, met voorop klassieker “I Think I’ll Just Stay Here And Drink”, ingekleurd met een even chaotische als virtuoze gitaarsolo en strakke roffels van Schroeder, dat naadloos overging in Willie Nelsons “Three Days”, versierd met geinige effecten, zoals vochtige vingers die over de gitaar piepten. En dan waren er ook nog “Drive On” (Johnny Cash) en het zelfrelativerende “I Used To Be Somebody” (June Carter Cash), dat Chadbourne op het lijf geschreven was. Het is de muzikant ten voeten uit: gezegend met een imposante techniek en bagage, maar nog altijd in de weer met dreigende chaos en songs waar heel wat liefhebbers met experimentele voorkeuren vermoedelijk wat meewarig over gaan doen. Afsluiten gebeurde met “The Way It Is”, van Bruce Hornsby & The Range, dat in handen van Chadbourne en de strak roffelende en met brushes spelende Schroeder iets kreeg van militante folk. Zo gefocust en intiem als het eerste concert was, zo geinig en spontaan was het tweede. En toch hield het steek voor dit publiek. Mooi, toch?

E-mailadres Afdrukken