Banner

Joachim Badenhorst + OakTree

22 januari 2014, Handelsbeurs

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 23 januari 2014

Bij eerste aanblik misschien een wat vreemde combinatie op de affiche, maar waarom ook niet? Waarom zou je liefhebbers van artiesten die – vermoedelijk – een ander publiek aantrekken, niet eens laten proeven van ‘de andere kant’. In dat opzicht was de missie van JazzLab Series geslaagd, al was het probleem heel eenvoudig: wat als je voorganger een verbluffende demonstratie met een enorme focus en dosering gaf en net dat je zwakke plek blijkt te zijn?

Joachim Badenhorst is ook nog maar net klaar met z’n tweede soloalbum, Forest//Mori, dat verschijnt op z’n eigen Klein Records. Zoals programmator Wim Wabbes al meegaf in zijn inleiding, heeft Badenhorst niet enkel gezorgd voor bijzondere muziek, maar een al even prachtige vormgeving. Elk exemplaar heeft een andere cover en is verpakt in magazinevorm met artwork van vrienden en familie. Een prachtig idee, maar vooral als je ook een stapeltje bij hebt om na je concert te verkopen. Helaas zat hij na een paar stuks door z’n voorraad en zullen een aantal geïnteresseerden geduld moeten oefenen.

Maar die muziek. Meer dan een goed half uur had de rietblazer niet nodig om een onuitwisbare indruk te maken. Door The Jungle He Told Me en de concerten die er op volgden hadden we er al een goed beeld van gekregen hoe Badenhorst intussen is uitgegroeid tot een artiest die zich ook in de meest uitdagende context overeind kan houden. Het nieuwe album leek, meer nog dan zijn voorganger, niet enkel in te spelen op technieken en improvisatie, maar ook terugkerende melodieën en harmonieën, er leek meer sprake van structuur te zijn, van songs.

Dat bleek ook uit het concert, dat van start ging met “Handsome Eyebrow”, de afsluiter van Forest//Mori. Een gouden keuze, want door te beginnen zonder bruuskeren, zonder meteen luisteraars af te stoten zonder kompas, met warme klarinetuithalen, die steeds langer mochten drijven en waar steeds knapper op gevarieerd werd, zorgde hij meteen voor een meeslepende opener met lyrische finesse, waarbij de muziek haast ging fladderen met een sacrale verhevenheid. Bloed-, bloedmooi. Het mooiste van het hele concert was dan ook dat hij niet moest spartelen om dat niveau binnen handbereik te houden, want hij zette het droogweg verder.

Meer nog dan tijdens het releaseconcert van 2012 kreeg je nu immers de indruk dat er een artiest voor je stond die z’n ding gevonden had en er helemaal klaar voor was. Met een haast monnikachtige controle en rust verschoof Badenhorst van stuk naaar stuk. Eerst met een bewerking van wat Monk op basklarinet, dat vanuit de meest uiteenlopende hoeken bekeken en ontrafeld werd, toonladders op en af klom, hier en daar een beetje bluesy werd en uitpakte met een trillend vibrato. "My Left Hand", het stukje waarvoor hij een micro in de klarinet stopte die aangesloten was op een gitaarversterker, was dan weer abstracter, een spel met ruisende, slurpende en jankende, ondergrondse verbeelding.

Vervolgens zette hij de tenorsax aan de lippen om uit te pakken met misschien wel het meest virtuoze staaltje techniek, een ratelmachine die met een enorme controle uitgevoerd werd en gaandeweg ging vertragen, maar ook verdubbelen. De voor de hand liggende vergelijking dezer dagen is Colin Stetson, maar daar had het dan ook iets van, met die parallelle paden en enorm meeslepende melodie en emotionaliteit. Afsluiten gebeurde met knappe dwarsdoorsnede “Een zondagochtend in Delft” op basklarinet, waarvoor voortdurend de randen van de mogelijkheden afgetast werden en uitgepakt met dat dalende motiefje dat hem helemaal naar het laagste, ronkende register voerde.

Het was een voor de hand liggend eindpunt voor een concert dat wel degelijk aanvoelde als een demonstratie. Dat hij er in geslaagd was om zo’n effect te bereiken zonder een greintje van zijn inventiviteit te moeten inboeten, zonder toegevingen te doen, maar toch een geluid te laten horen dat toegankelijk was, de luisteraar vanaf de eerste seconde bij de kraag greep en een kleine tweeduizend tellen later, totaal murw, pas losliet, was uitzonderlijk. Dat bereiken is voorbehouden aan de grote kleppers.

Daarna was OakTree, dat intussen toe was aan het voorlaatste concert van zijn tournee, heel andere koek. Het trio met de opmerkelijke bezetting - zangeres Sarah Klenes, cellist Annemie Osborne en accordeonist Thibault Dille -, kreeg dankzij de overwinning op Jong Jazztalent Gent 2013 de kans om een reeks concerten te spelen en kreeg sindsdien ook al de meest uiteenlopende labels opgekleefd. En terecht, want het gretige trio houdt zich op in een zone waarin verwantschappen zijn met de folkjazz van Florizoone en Tiersen, maar ook gerefereerd wordt aan wereldpop, chanson, musette, veelkleurig theater en hier en daar zelfs een meer weerbarstig randje.

Geen mens die er aan zal denken om de groep een gebrek aan enthousiasme en goede wil aan te smeren. De muzikanten spelen duidelijk met overgave en zangeres Klenes maakte met gebroken Nederlands duidelijk wat er allemaal gebeurde. Best schattig, maar na een tijdje sloeg het om in wat flauw gestuntel dat een beetje ging vervelen. Nochtans deed het trio hard z’n best om indruk te maken door van verschillende vaatjes te tappen. Zo werd de cello niet enkel gebruikt alsof het ging om gestroomlijnde kamermuziek, maar mocht Osborne nu en dan ook vurig plukken en schrapen of de klankkast gebruiken als percussie-instrument. Klenes’ stem wentelde dan weer vaker rond de accordeon, om vervolgens vaak aan zichzelf overgeleverd te worden, wat ze moeite loos wist op te vangen met soms virtuoze controle en veelzijdigheid.

Na een tijdje bekroop je wel het gevoel dat de muziek soms wat naturel mankeerde, leek het alsof de drie teveel ineens wilden, waardoor het bonte drama soms neigde naar drammerigheid en je ook bij een prima gestarte versie van soulklassieker “A Change Is Gonna Come” het gevoel kreeg dat de band meer oog had voor het proces dan het resultaat. Was het tot daar nog een performance die nu en dan gewoon een beetje onwennig aanvoelde na die vetvrije performance van Badenhorst, dan kreeg het een wending met extra gast Kristof Hiriart. De Franse Bask, een multi-instrumentalist, zanger en zelfverklaarde poëet, is het soort artiest waarvoor de term ‘sterke persoonlijkheid’ uit de kast gehaald wordt. Het soort artiest dat, los van de context, de neiging heeft om het zootje te controleren, dominant z’n visie op mens en wereld wil verkondigen, en het concert naar zich toetrekt.

Dat leidde tot een redelijk protserig gedoe met voorgedragen poëzie, vermoeiend getater, gerommel met percussie en excentrieke vocale uitwisselingen met Klenes. Technisch allemaal behoorlijk straf, maar de veelkleurige muziek ging eronder lijden, werd zwaar en log, zelfs in een minimalistische, drone-achtig passage. Doe daar nog eens het gestaag stijgende volume bij – we zijn een en ander gewoon, maar bij deze muziek volstond het om koppijn te krijgen -, en je zat eigenlijk te wachten tot het allemaal voorbij was. En dat is jammer, want OakTree heeft bakken talent, en met een afsluiter van vorige vierde man Tcha Limberger liet het nog eens horen een behoorlijk complex stukje muziek aan te kunnen. Contrastwerking kan schoon zijn maar na Badenhorsts bijna ascetische puurheid en geduld kwam dit aan als een uit z’n voegen barstend charmeoffensief met ongetwijfeld goede bedoelingen, maar een vertroebeld effect.

E-mailadres Afdrukken