Banner

Gent Jazz 2013: Phronesis + Kurt Elling ‘1619 Broadway – The Brill Building Project' + Diana Krall

13 juli 2013, Bijlokesite

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 14 juli 2013

Naar Gent Jazz 2013 zal waarschijnlijk tot het einde der tijden verwezen worden als ‘de vocalisteneditie’, omdat zij het dit jaar voor het, euh, zeggen hebben. Was het op de eerste festivaldag al van dattum met Dee Dee Bridgewater (tja) en Cécile McLorin Salvant (in het oog te houden), dan volgen later o.m. nog Madeleine Peyroux, Valerie June, José James, Becca Stevens en koorknapen Jamie Cullum en Mike Patton. Maar op 13 juli arriveerden ook Kurt Elling, de winnaar van de gezaghebbende Downbeat Critics Poll, en megaster Diana Krall, die er eigenhandig voor zorgde dat de dagtickets het duurst waren op deze dag.

Maar eerst eens naar die Gardenstage, die perfect opgesteld staat in de hoek van het festivalterrein, ver weg van het XL-terrasgedruis en de cateringwalmen (nochtans geen voze festivalboef te bespeuren, waarvoor dank). Het Nicolas Thys Trio kan er z’n eerste van twee sets meteen in een prettig zonnetje afwerken. Van de complete Belgische jazzbassisten is Thys misschien wel degene die het vaakst te zien is met een elektrische bas omgegespt, maar deze keer blijft het bij de contrabas in een set die de dag wel heel traditioneel op gang trekt. Hoewel deze bezetting vrij nieuw is, speelt Thys al jaren samen met saxofonist Jeroen Van Herzeele en drummer Karl Jannuska. Telepathische hechtheid valt er niet echt te rapen, maar de gezamenlijke ervaring is zo groot dat deze drie zelfs in een hagelstorm overeind zouden blijven.

Het leek wel alsof het trio de opdracht gekregen hadden om vooral niet te moeilijk te doen en échte jazz te spelen, want er werd uitgepakt met een setje old school die gedomineerd werd door standards “On A Misty Night”, “I’ll Remember April” en “I Want To Talk About You”, met wat eigen werk ertussen gegooid. Van Herzeele, vermoedelijk de grootste Coltrane-adept in Vlaanderen, kleurde opvallend binnen de uitgezette lijnen, leunde een paar keer (maar vooral in “I’ll Remember April”) eerder aan tegen het vloeiende spel van Sonny Rollins en schakelde ook eens over op sopraansax. Het samenspel zat behoorlijk goed en er was ruimte voor een paar prima solo’s, maar door de korte duur had de eerste set vooral een hoog opwarmgehalte. Met muzikanten van dit formaat had het ook wel wat spannender gemogen.

Met Phronesis had de organisatie een van de boegbeelden van een nieuwe generatie jazzmuzikanten aan boord gehesen. Jong, modern en resoluut jazz, maar toch in staat om een groot publiek aan te spreken, net als pakweg het trio van Avishai Cohen, dat vorig jaar een overtuigende beurt maakte in Middelheim. Terwijl die laatste het soms in vrij patserige richting zoekt, gaat het door de Deense bassist Jasper Høiby opgerichte, maar in Londen gebaseerde trio meestal iets verfijnder tewerk. Wie hen al eerder aan het werk zag – er waren al een paar gesmaakte optredens op Belgische bodem – kent intussen de basisingrediënten: de knappe interactie van Høiby en drummer Anton Eger, de meeslepende trance-stukken,grillige ritmische wendingen en de vaak erg lyrische, soms ongrijpbare stijl van pianist Ivo Neame.

Hoewel de band een aardige live-reputatie heeft weten op te bouwen, leek hij soms niet helemaal gefocust en er soms wat onwennig bij te staan. De bindteksten werden wat knullig afgewerkt, de beloofde uitleg over het nieuwe werk werd uiteindelijk achterwege gelaten en je had herhaaldelijk het gevoel dat de aandacht begon te verslappen. Nochtans spelen de drie muziek die je soms in een handomdraai bij de lurven grijpt, met hypnotiserende basgrooves die drijven op hyperkinetisch drumgerammel. Met “Abraham’s New Gift” ging het sterk van start, maar daarna maakte het trio een golfbeweging tussen meer potige stukken vol secure ritmische uitvinding en meer ingetogen stukken, die doorgaans wat minder overtuigden.

Terwijl het volk gezapig binnenwandelde en een enkele verdwaalde VIP achter ons met een luid gebrald “Is dat hier voor de VIP?” amechtig op de… VIP-tribune kroop, werd Phronesis vergast op een traditioneel festivalgebeuren: hoe baldadiger en luider de solo, hoe extatischer het applaus. Gelukkig liet het trio zich niet verleiden tot al te makkelijk scoren en bleef hij zijn ding doen. Dat gebeurde niet altijd even boeiend en soms was het slalommen tussen opwinding en wat verdampende aandacht binnen één en hetzelfde nummer, maar je kon je niet van de indruk ontdoen dat deze drie in de juiste omstandigheden en op het juiste moment wél in staat zijn tot een topdemonstratie. Misschien later dit jaar, wanneer ze hun stunt met het spelen van concerten in het volledige duister ook eens in een paar Vlaamse concertzalen komen overdoen.

Het jonge LABtrio – pianist Bram De Looze, bassiste Anneleen Boehme en drummer Lander Gyselinck – is een naam die intussen al een half decennium de ronde doet. Dat het debuutalbum er nog altijd niet van gekomen is, doet vermoeden dat het trio niet over een nacht ijs wil gaan. Met twee korte sets kreeg het stel de kans om dat nieuwe materiaal uit het binnenkort te verschijnen album voor te stellen. Dit voorproefje suggereerde dat het voor elk wat wils in de aanbieding zal hebben, met een paar nummers die zich laten leiden door potige, zingende baslijnen en een vrijere rol voor piano en drums, maar hier en daar ook met een vleug impressionisme, grooves (vooral door de Rhodes) en bricolagewerk van Gyselinck dat nooit verzandt in goedkope effecten. Om de strijd aan te kunnen met de kleppers van Too Noisy Fish en De Beren Gieren, die ook een nieuwe plaat uitbrengen, zal het trio misschien nog wat meer uit z’n schelp moeten komen, maar een nieuw en fris geluid lijkt een zekerheid.

Dan zanger Kurt Elling. Die was al eerder van de partij in 2007 en 2010, maar het wordt snel duidelijk waarom hij een graag geziene gast is. Bovenop een meesterlijk vocalist is Elling immers een innemende, goedlachse performer die het publiek de indruk geeft speciaal voor hen afgezakt te zijn, zonder daar al te veel hysterisch geëmmer aan op te hangen. En ja, het is allemaal erg gestileerd, gepolijst en vermoedelijk ook een stuk op automatische piloot, maar Elling beschikt over een quasi-nonchalante naturel waar je ook voor valt als je geen juwelenrammelende madame op leeftijd bent. Elling fleemt, grapt en bromt zich een weg in ieders gratie. Daarvoor wordt hij natuurlijk ook geholpen door een goedgeoliede band en een resem prachtsongs uit het Brill Building-archief.

De songs die destijds vanuit het gebouw aan 1619 Broadway aan de man gebracht werden, blonken niet altijd uit in diepgang (“Yakety Tak” of “Do You Know The Way To San José?”, anyone?), maar het is verbluffend hoeveel er tot het collectieve geheugen behoren, en een centrale rol zijn gaan uitmaken van de pop-, jazz-, doowop- en soultradities. En Elling, die laat ze allemaal over de tong rollen, kneedt ze naar z’n goesting, geeft er z’n eigen draai-met-veelbetekenende-knipoog aan. En het kan geen toeval zijn dat hij opende met “Come Fly With Me”, een song die een goede halve eeuw geleden voor Sinatra geschreven werd. Daarna: het afgelikte “You Send Me”, waarin Elling erbij stond als een gladde wiseguy en uitpakte met falsettopartijen à la Al Green.

Hij sloeg even aan het beatboxen met de drummer (een verplicht nummertje), pakte uit met een vaselinezachte versie van Bacharach & David’s “A House Is Not A Home” en de sexy shuffle van “I’m Satisfied”. De versie van “I Only Have Eyes For You” zou elk mens met een ademhaling en een functionerende romantiek-knop doen smelten, want er werd geen noot, geen zucht verspild. Timing, gevoel en frasering op één lijn in een volmaakte slaapkamerintimiteit. Je zou kunnen beweren dat de randjes wat te veel weggevijld waren, maar dan was het spelletje met de vocale loops tenminste een verrassing. Knap om te zien hoe de stemgymnast laveerde tussen gekir en grove keelzang in de aanloop naar “On Broadway”. Enkel jammer dat de set daarna afgerond werd door een halfslachtige versie van “La Vie En Rose”, een wat makkelijke crowd pleaser. Niettemin: Elling is een klasbak en zowat de enige die zonder blozen in de voetsporen van Ol’ Blue Eyes kan treden.

De tijden veranderen. Diana Krall, vermoedelijk de populairste jazzzangeres aller tijden (vijftien miljoen verkochte platen), stond vorig jaar als een echte boudoirmadame - in jarretellengordel – op de hoes van haar laatse plaat Glad Rag Doll, waarmee ze in de vooroorlogse jazz dook die ze leerde kennen via de 78-toerenplaten van haar ouders. Dat leidde tot een succesvolle combinatie van rootssongs en het popformaat, iets dat ze moeiteloos wist te bespelen met haar nonchalante stijl en onderkoelde seksualiteit. De show was alleszins een pak soberder dan het gala van Melody Gardot een jaar geleden, want alles stond in het teken van de wat gezapige, maar swingende combinatie van oerjazz en blues, waarin Kralls degelijke stridespel vaak een hoofdrol opeiste. Een pijnpunt was wel dat andere festivalfenomeen: bij een solo gaat het volume van de solist zo hard omhoog dat het een ronduit lullig effect krijgt.

“We Just Couldn’t Say Goodbye” en de erop volgende saloonblues, compleet met barrelhouse piano, waren nog degelijk, maar de machine begon wel wat te haperen bij “Just A Little Butterfly That’s Caught In The Rain”, waarin Kralls vlakke, haast luie performance tekortschoot om te blijven boeien. Ze klonk even als een gedrogeerde Dusty Springfield, zonder de soul. “Let In Rain”, een knappe ballade, bracht daarna wel enigszins redding en werd gevolgd door een versie van Tom Waits’ “Temptation”, een song die ze een decennium geleden ook al op een album zwierde. Deze uitvoering sleept wat lang aan, maar bevatte wel de bruisende energie die daarvoor te veel afwezig was. Wel jammer dat Krall het nodig vond om haar pianospel te bedekken onder de franjes. Ze mist de lichtvoetigheid van een Allen Toussaint of de fantasie van een James Booker om dat met succes te kunnen verkopen.

En natuurlijk werden we nog maar eens eraan herinnerd dat dit een festival was en dat er een rondje ‘bekende songs coveren’ moest volgen. “Peel Me A Grape” en “Fly Me To The Moon”, OK. Maar een zoveelste jazzartiest die zich waagt aan Neil Young (“A Man Needs A Maid” én “Heart of Gold”?) en Dylan (“Simple Twist Of Fate”), moet dat nu echt? De versie van Fats Wallers “I’m Gonna Sit Right Down And Write Myself A Letter” werd bovendien slordig afgehaspeld en verloor volledig het speelse van het origineel en veel andere, betere interpretaties. Wedden dat Madeleine Peyroux, die de song ooit op haar debuutplaat zette, het er binnen een paar dagen beter van af brengt? Met de competente band terug aan boord werd afgestevend op afsluiter “I’m A Little Mixed Up”, die nog eens bevestigde dat Krall zich best hield bij de aanstekelijke roots van haar recentste plaat. Nu nog dat routineuze kwijtspelen en ze kan misschien tonen dat ‘populaire’ niet steeds het eerste adjectief moet zijn waar we naar willen grijpen. Ofwel eens navragen hoe Elling dat probleem oplost?

E-mailadres Afdrukken
 
Gent Jazz 2013: Phronesis + Kurt Elling ‘1619 Broadway – The Brill Building Project' + Diana Krall

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST