Banner

Joachim Badenhorst, John Butcher & Paul Lytton

23 maart 2013, Rataplan

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 24 maart 2013

Voor het vijfde in een reeks van zes concerten in de Rataplan, had gastheer Joachim Badenhorst twee iconen uitgenodigd die gerust tot de wereldtop van de vrije improvisatie gerekend mogen worden. Altijd gevaarlijk, omdat je het risico kan lopen verlamd te worden door al dat geweld (of net gaat overcompenseren), maar niets van dat bij de Antwerpenaar, die z’n eigen insteek zocht en snel z’n draai vond tussen de kleppers. Het werd, met de triomf van Peter Evans nog vers in het geheugen, opnieuw een memorabele avond in de Bezette Stad.

Badenhorst is de laatste tijd weer op reis geweest tussen de continenten. Vorige maand werd hij nog opgemerkt in Chicago en nu staat hij weer thuis, met z’n tenorsax en klarinetten, voor een eerste ontmoeting met Butcher sinds hun duodebuut in Hasselt vorig jaar. Het werken met twee sets en verschillende bezettingen was ook een mooie zet: de luisteraar kreeg zo de dynamiek van solo-, duo- én trio-improvisatie te horen van muzikanten die in alle contexten gedijen. Butcher is al ruim dertig jaar bezig, maar maakte vooral sinds het grensverleggende Thirteen Friendly Numbers (1992) opgang als een van de meest virtuoze saxofonisten van de voorbije generaties, terwijl Badenhorst al enkele jaren meedraait aan de top en vorig jaar z’n solodebuut maakte met het uitstekende The Jungle He Told Me.

Het was de Belg die eerst z’n opwachting maakte, met improvisaties op de klarinetten. Hij zocht minder sterk de extremen op dan zijn Britse collega, maar de hypergeconcentreerde stukken boden een fraai inzicht in zijn ruime bagage. Op de basklarinet begon hij met lange, wat lome golven die gaandeweg minder zuiver gespeeld werden en mochten ontrafelen. Door te spelen met druk, tongpositie en lipspanning varieerde de muzikant met trillingen, overslaande klanken en timbre, van diep geronk tot schrille pieken waarin je zelfs z’n uitschietende stem herkende. De klarinet klonk daarentegen haast verkouden en in zichzelf gekeerd.

Nogal een verschil met Butcher, die in een duostuk met Lytton meteen z’n excentrieke geluidencollectie aansprak, met gekwetter, getjilp, gefluit en geslurp. Geen idee hoe hij er precies in slaagt, maar hij heeft in de loop der jaren een technische volmaaktheid uitgebouwd die volledig buiten categorie staat. Gelukkig kreeg hij al even maf weerwerk van attributenmeester Paul Lytton, een man met de look en onbewogenheid van een Mad Professor en ook nu weer in de weer met breinaalden, brushes, stokken, elastieken, keukengerief, schaaltjes, een koffiepot (van het merk Illy, mocht u dat willen weten) en een houten kikker. Het was een en al geratel en gerammel, neurotisch obsessief en even zelfs met vibrerende spelletjes die Gino Robair ook al liet horen aan de zijde van Butcher.

De zwaaibeweging van knorrig extremisme tot haast autistisch detailwerk was ook terug te horen in het eerste triostuk, waarin Lyttons potten- en pannengeluid excentriek genoeg was om niet weggespeeld worden door de knappe call & response-spelletjes en hysterie van Badenhorst en (vooral) Butcher, die zelfs aan het harmoniëren gingen met boventonen. In Butchers solostuk, aan het begin van de tweede set, kreeg je nog eens de uiteinden van de improvisatie te zien, met pieken die de oren teisterden. De beheersing kreeg trouwens een mooie tegenhanger door de manische gelaatsuitdrukking tijdens circulaire ademhaling van Butcher, waarbij z’n hoofd als een blaasbalg volgezogen en leeggepompt werd.

De kroon op het werk was het tweede triostuk dat een enorme beweging maakte, en van start ging met een subtiele vrijage van tenorsax en basklarinet, die al snel ontspoorde in een contrastwerking tussen ronkend gezoem en snerpend gezeur, tussen agitatie en sereniteit. Toen de sopraansax in de strijd gegooid werd met Badenhorsts klarinet was het hek helemaal van de dam en werd het even een wedstrijd Diertje raden, met een prominente rol voor de kalkoen en de gans. Toch werd het geen gratuite freakshow, met vooral de zachtaardige kant van Badenhorst die het trio terug de lyriek in trok om af te sluiten met een moment van pure schoonheid.

Kortom: na de concertavond in ’t Werkhuys viel er in Antwerpen weer een topavond te beleven voor improvisatieliefhebbers. Chapeau voor Rataplan om de jonge muzikant die kansen te geven en al net zozeer voor Badenhorst om deze gasten uit te nodigen en ze zo creatief en galant van weerwerk te voorzien. Dat was klasse.

Op 26 april kan u in de Rataplan terecht voor het laatste concert in de Badenhorst-reeks: het septet Carate Urio Orchestra. Lytton speelt op 30 maart met Evan Parker en schilder vanche in De Singer (Rijkevorsel), terwijl Butcher met Mark Sanders naar KC BELGIE (Hasselt) komt.

E-mailadres Afdrukken