Banner

Marc Ribot

12 oktober 2012, De Singer

Guy Peters - foto's: Archief Geert Vandepoele - 13 oktober 2012

Ze spelen het toch maar klaar, daar in Rijkevorsel. Slagen ze er al mooi in om een breder publiek aan te spreken met veel toegankelijke jazz en roots op de agenda, dan hebben ze anderzijds ook een neus voor avontuurlijk spul en improvisatie uit de avant-garde marge die je zelden te zien krijgt op onze podia. Met de komst van gitaargigant Marc Ribot haalden ze bovendien een van ’s werelds meest gerespecteerde gitaristen in huis, een kanon dat zowel binnen de mainstream als het pure experiment zichzelf kan zijn.

Het was dat evenwicht van avontuur en traditie dat ervoor zorgde dat dit concert aansloeg bij een publiek dat misschien minder vaak geconfronteerd wordt met het dissonante/tegendraadse spul uit de linkervleugel van de geïmproviseerde muziek. Hoewel Ribots eigenzinnig kronkelende en hoekige gitaarspel (als er een gitarist is die je zelden écht sierlijk hoort spelen, dan is hij het wel) opdook op platen van grote namen uit de muziek (we gaan ze niet nog eens herhalen), is de overstap naar zijn kleinschalige projecten en soloreleases vaak snel gezet. Ook op soloalbums als Saints, Exercises In Futility en Silent Movies vind je die onmiskenbare stempel terug, dat rafelige randje en die schijnbewegingen.

Het is de dosering van de gitarist die het verschil maakt, plus het feit dat hij gewoonweg houdt van een goeie melodie. Die worden dan ook niet overboord gegooid, maar via een omweg geïntroduceerd, zodat je als luisteraar vaak al een hint aangereikt krijgt, een paar keer in vrij onbeschadigde vorm gespeeld en vervolgens ontmanteld, vanuit alle ooghoeken tegen het licht gehouden en met zorgvuldigheid opnieuw in elkaar geplaatst, vaak met een vervreemdend effect. De licht versterkte gitaar klonk eerder metalig, waardoor hij bij momenten leek op een verhakkelde versie van Joe Pass en Bill Frisell. De gefragmenteerde aanpak was even verwarrend als charmant.

Passeerde het ene moment een flardje “Jingle Bells”, dan werd er later een stukje binnengesmokkeld dat zo van bij Fats Waller leek te komen, of "Invocation" uit zijn eigen Albert Aylerhommage Spiritual Unity. Americana jazz, verbasterde pop tunes en soms haast klassiek werk werden in de eerste set bijna een uur lang samengesmolten tot een geheel dat uitblonk in eenheid door verscheidenheid. De tweede set was iets korter, coherenter en nog sterker.

Het openende stuk, dat soms zelfs leek aan te sluiten bij de raga’s van John Fahey, koppelde Aylers “Saints” (een vaste factor in Ribots concerten) en “Holy Holy Holy” aan elkaar door een tussenstuk Coltrane (“Dearly Beloved”), bood een prachtig geloopt “Fat Man Blues” en nog wat heimelijke deconstructie. Het is de aanpak die hij al liet horen op zijn debuutplaat Rootless Cosmopolitans (nog steeds een gepaste titel voor zijn aanpak) en nu nog steeds hanteert, zij het in licht gewijzigde vorm.

De gitarist die doorbrak op Tom Waits’ Rain Dogs (luister naar zijn spel in “Jockey Full Of Bourbon”, nog altijd een van de knapste gitaarsolo’s uit de rock-‘n-roll) is zevenentwintig jaar later nog altijd een unieke figuur binnen de wereld van de gitaar, met muziek die bij het eerste gehoor vaak met haken en ogen aan elkaar lijkt te hangen, maar toch getuigt van een meesterlijke veelzijdigheid en controle. En dat allemaal in de Noorderkempen. Zomaar.

E-mailadres Afdrukken