Banner

Konfrontationen 2012

19-22 juli 2012, Jazzgalerie Nickelsdorf - Zondag 22 juli

Guy Peters - foto's: p. 5: Ig Henneman - 19 juli 2012

Wat een volume en wat een brullende begeestering! Als Ab Baars die tenorsax aan z’n lippen zet, diep ronkend en expressief blatend, met de blues van Frank Wright en Albert Ayler nog nazinderend in die uitschieters, dan wordt het plots wel heel erg stil op de bankjes van de Evangelische kerk van Nickelsdorf. Hij varieert op stotende uithalen en hyperintens gegil, om even later over te schakelen op een zachtere, haast romige klank die nauwer aansluit bij de Zen-beheersing die hij uitstraalt. Samen met de in Nederland verblijvende bassist Meinhard Kneer en veteraandrummer Bill Elgart (Paul Bley, Lee Konitz, etc) speelt hij slechts sporadisch concerten, maar het lijkt wel alsof ze niet anders doen.

De bassist en drummer zijn daarbij erg goed op elkaar afstemd en pikken voortdurend in op suggesties, waardoor je bedwelmende combinaties krijgt van subtiel gestreken snaren en zacht behandelde toms en ruisende cimbalen, met nu en dan ook een enkele explosie. Baars zorgt voor een meditatieve sfeer met zijn shakuhachi en schakelt tenslotte over op klarinet, met zowel aangehouden noten als hysterische uitschieters waar de geest van John Carter in rondwaart. Dan valt ineens ook op dat Baars’ spel op de klarinet van invloed geweest is op dat van Vandermark.

Het hoogtepunt vindt plaats in het tweede stuk, als een serene klarinetsolo enkel maar aan expressie en emotie lijkt te winnen, bloedmooi en intens jammerend wordt en gewoonweg door merg en been gaat met kervende vegen. Dat je zoiets kan bereiken zonder een vorm van voorbereiding vergt openheid, luisterbereidheid en bagage, iets dat deze drie met verve etaleren. Baars, Kneer en Elgart hielden de volgelopen kerk in de ban met misschien wel het meest intens geconcentreerde concert van de vierdaagse. Machtig mooi. Zo mooi dat we het nazinderen niet wilden verstoren met de performance van Sqid, even later in diezelfde kerk.

Het optreden van The Necks, dat door de val van pianist Chris Abrahams niet kon plaatsvinden op donderdag, kreeg dan toch een herkansing op de slotdag. Samen met drummer Tony Buck en bassist Lloyd Swanton zorgt de pianist al jarenlang voor een van de meest herkenbare werkwijzen uit de moderne jazz en improvisatie. The Necks heeft immers een patent op marathonconcerten die uitblinken in samenhang, vloeiende bewegingen en hypnose. Hier geen swing, bruuske ritmewendingen of conventionele solo’s, maar een groepsperformance die aanluit bij minimalisme, drone en majestueuze klaagzangen.

Soms dat kan heftige spanningsbogen opleveren (de band stond niet voor niets in het voorprogramma van apocalyptisch rockfenomeen Swans), iets dat ook knap uitgewerkt werd op het podium van Konfrontationen. Abrahams opende met eenvoudige herhalingen van schijnbaar verdwaalde noten die door het sustainpedaal konden blijven resoneren. Buck voegde amper hoorbare, metalige percussie toe, terwijl Swanton pulserend getrek aan z’n bas ontfutselde. De machine trok zichzelf op gang en zou drie kwartier lang een ritualistische gedaante aannemen.

Je zou gaan denken dat het een en al climaxwerking zou zijn – intensifiëren tot het boeltje ontploft en van voor af aan herbeginnen -, maar het knappe was dat dit niet gebeurde. Er werd wel gewerkt met pieken, vooral door het collectief spelen met densiteit en volume, maar dat was dan eerder een vertrekpunt voor een volgende segment, waardoor je eigenlijk een stuk met natuurlijke golfbewegingen kreeg die koos voor de tactiek van de aangehouden spanning en coherentie, en niet die van het makkelijke geweld. Toch wel een verademing tussen het grilliger werk van de collega’s.

Spelen met tanden, tong, lippen, adem, speeksel en (eventueel) een mondstuk, is het handelsmerk van Christine Abdelnour, die het vocabularium van de altsax heeft uitgebreid met een vrij imposante koppigheid. Jarenlang beweegt ze zich al in improvisatiemiddens en is ze in de weer met collega’s uit uiteenlopende werelden en generaties, maar blijft die obsessie voor pure klank een constante. Dat zorgt ervoor dat jazzliefhebbers hier niets te zoeken hebben en ingang wordt gezocht bij de avant-garde. Samen met Andrea Neumann (inside piano) en Bonnie Jones (elektronica), met wie ze zopas een album als As : Is uitbracht dat werd opgenomen in Q-O2, de Brusselse werkplaats voor klankkunst, zorgde ze opnieuw voor een opgemerkt concert.

De taak van Neumann mag bovendien letterlijk genomen worden: wat er op haar tafel lag was daadwerkelijk het binnenwerk van een piano, dat ze behandelde, bepotelde en streelde met allerhande objecten, waarvan de strijkstok het meest frequent passeerde. Jones deed het dan weer met knetterende, fluitende en ruisende klanken (of dat gezeur dat je soms hoort net voor je GSM afgaat) en field recordings die ze ontfutselde aan een laptop, waardoor het in combinatie met de mondexperimenten van Abdelnour leidde tot een komen en gaan van schuifelgeluiden.

Opmerkelijk was het alleszins, soms alleen al voor het opmerkelijk lage volume, maar of het ook genoeg was, zal vermoedelijk afhangen van individuele voorkeur. Persoonlijk vonden we dit een intrigerende, maar weinig beklijvende performance. Een muzikant een sax zien bespelen zonder mondstuk, dat is een eerste keer iets ongewoon, maar als er verder weinig mee gebeurt, dan ben je snel uitgepraat. Om echt te kunnen overtuigen had dit concert dan ook wat meer reliëf en dynamiek kunnen gebruiken. Nu was het wat mager, zeker in vergelijking met wat er nog te beleven viel.

Het concert van Keith Tippett (piano), Julie Tippetts (stem/speeltjes) en Willi Keller (drums) rekenen we alleszins tot de meest opmerkelijke van het festival. Sinds de jaren zestig neemt Tippett al een bijzondere plaats in binnen de vrije muziek, door z’n vele links met de rockwereld (King Crimson, Brian Eno, etc) en z’n voorkeur voor grote ensembles, maar ook door z’n liefde voor soloperformances. Deze keer bracht gaf hij een concert met echtgenote/zangeres Julie Tippets (voorheen Driscoll), met wie hij een redelijk unieke samenwerking ontwikkeld heeft opgebouwd.

Er is moeilijk een stempel op te plakken – het ene moment sluit het haast aan bij de werelden van pop/folk en iets later gaat het er wat robuuster en grilliger aan toe -, maar het sprekend gemak waarmee het gebeurt, is indrukwekkend. Tippett weet dan ook hoe hij moet spelen met dynamiek, door het ene moment te jongleren met rinkelende arpeggio’s en dromerige akkoorden, die door de sirenenzang van Tippetts vaak het terrein tussen spook- en sprookjesachtig opzochten. Door haar gebruik van allerhande speeltjes, gaande van trommeltjes en rammelaars tot duimpiano, tamboerijn en kinderxylofoon, had het soms ook iets naïef kinderlijks, met veel nadruk op ritmepatronen. Nu eens was het lyrisch en dan weer krachtig, vooral als Willi Kellers zich even liet gaan met explosief spel. Wat hij deed met een grote alumium schaal was ook erg knap, geduldig ratelend en wentelend rond de pianoverhalen van Tippett.

De voorstelling sleepte net iets te lang aan om te blijven boeien, maar op z’n best was dit een theatrale, opmerkelijk vloeiende voorstelling – intens intiem en majestueus –, met tribale, bijna-kitscherige en krachtige impulsen die moeiteloos gecombineerd werden. Als er nog muzikanten zijn die dit soort spul brengen, dan horen we het graag, want we kennen ze niet.

Het concert van Bauer 4 was er eentje van het soort dat je best wat vaker zou mogen horen op improvisatiefestivals. Want geef toe: in Nederland hebben ze er nog een handje van weg om absurde invalshoeken te gebruiken, maar elders durft improvisatie vaak wel wat droog en navelstaarderig zijn, van het soort intellectualisme dat weinig ruimte laat voor een moment van licht, luchtigheid en humor. Het Duitse Bauergeslacht heeft intussen een adellijk status verworven binnen de improvisatie. De bekendste twee, trombonisten Johannes en Connie, gingen deze keer in de weer met 3e broer Matthias (bas) en Connie’s zoon Louis Rastig (piano), zelf een proponent van een nieuwe generatie voortrekkers en organisator van het nieuwe A L’Arme! Festival, dat ongeveer tegelijkertijd in Berlijn plaats vond.

De Bauers leken wel te beseffen dat het publiek na een twintigtal concerten toe was aan een verteerbare brok en hun reactie was navenant: ze speelden een energieke set, met vooral korte stukken die zowat het hele palet afwerkten, gaande van hypernerveus gepruttel en geblaat (met zoals gewoonlijk een glansrol voor de jarige clown van dienst Johannes) tot dreunend samenspel die leidde tot een forse wall of sound, waarbij opviel dat ook Rastig z’n mannetje kan staan tussen al dat geweld, met een opvallend fysieke betrokkenheid (zet ‘m bij Lillinger en een dat wordt satisfaction guaranteed voor liefhebbers van muzikale action painting) en hamerend pianospel. De mannen beseften echter ook heel goed de rol die ademruimte kan geven en gingen vaak in de weer met kleinere bezettingen.

Zo was er een solostuk van Connie Bauer dat eigenlijk nogal luchtig en voorspelbaar in elkaar zat, maar wél zorgde voor een mooi moment van afwisseling. Of een expressieve uitwisseling tussen Rastig en Bauer, die het op een bepaald moment ook aan het roepen en tieren zetten, met komisch effect. Het resultaat: een diverse, bruisend performance die het ene moment neigde naar het werk van Carl Stalling of the Keystone Cops, maar ook introspectieve momenten had. Het blijft alles ook voor het publiek een genot om een zotte bende aan het werk te zien die zich te pletter amuseert.

Het vijfde en laatste avondconcert was er bijna een beetje te veel aan, maar met de kerels van Papajo - drummer Paul Lovens (zelfde uniform, maar deze keer kortgeschoren), bassist John Edwards en trombonist Paul Hubweber – krijg je natuurlijk een stel te zien dat zowel individueel als gezamenlijk op heel hoog niveau kan spelen en dat was ook deze keer het geval. Opnieuw is het vanzelfsprekend dat deze knapen op gezette tijdstippen met elkaar in de weer zijn, want het was een voortdurend heen-en-weer-verkeer van aangereikte suggesties en telepathisch samenspel, waarbij het eigenzinnige drumwerk van Lovens gecounterd werd door de schier eindeloze techniekenmand van Hubweber (zelden een muzikant gezien die door bedreven en gedreven in de weer is met hulpstukken) en de briljante beheersing van Edwards.

Het is dan ook behoorlijk straf dat de bassist zelfs in die context, met een trombonist en drummer die er zo'n eigenaardige stijl op nahouden, de meest opvallende figuur was, met vliegensvlugge basloopjes, pizzicato spel en zelfs heel wat percussieve aspecten. Nu en dan ving je zelfs een glimp op van het groove-georiënteerde spel dat hij onlangs ook nog liet horen aan de zijde van Mulatu Astatke. Wat het misschien miste, was een duidelijke spanningsboog of een geslaagde climaxwerking, maar dat is op een festival als dit, waar alles in het teken staat van de verrassing, eigenlijk geen bezwaar. Het avontuur en de vrijheid waren alleszins een sprekend eerbetoon aan de eigenheid van het festival.

Dan rest ons enkel nog een conclusie. Een daarvan is dat we de bewering “Je weet pas wat het voorstelt als je het meegemaakt hebt” alleen maar kunnen onderschrijven. Dat heeft niets te maken met elitarisme of plagerigheid, maar met de vaststelling dat dit een festival is dat zowat alle regels aan z’n laars lapt, resoluut z’n eigen koers vaart en een onvoorwaardelijke liefde voor de muziek uitstraalt. Het programma wordt samengesteld met kennis van zaken en heeft oog voor traditie en vernieuwing, de sound is er altijd goed en muzikanten en publiek lopen er vier dagen lang door elkaar en drinken samen een glas. Omdat het er vanzelfsprekend is. Dat irritante geklap blijft er ook achterwege. We hoorden geen enkel applaussalvo na een solo. Dat wordt bewaard tot na het stuk. Eten en drank zijn er betaalbaar. En goed. De ontvangst is hartelijk, de sfeer gemoedelijk.

Kortom, het is een festival met een groot kloppend hart, en dat is in grote mate te danken aan de gedrevenheid, de visie en gekte van organisator Hans Falb (foto), die al sinds 1980 de motor van het gebeuren is en kan rekenen op de al even enthousiaste medewerking van een grote kring vrijwilligers. Na enkele dagen wordt duidelijk waarom Nickelsdorf is uitgegroeid tot een Mekka voor improvisatieliefhebbers uit alle windstreken, waarom veel muzikanten (van Mats Gustafsson en Georg Graewe tot Roscoe Mitchell, Christof Kurzmann en Evan Parker) het festival als een tweede thuis beschouwen, waarom dit voor ons misschien wel de mooiste (festival)ervaring was uit ruim twintig jaar concertbezoek. De uiteindelijke bedoeling van deze hele tekst is dan ook niet om te benadrukken dat u er niet was, maar om ervoor te zorgen dat dit bewaard en herinnerd wordt. Waardevolle ervaringen zijn er om gekoesterd te worden. En volgend jaar gaat u gewoon mee.



E-mailadres Afdrukken