Banner

Konfrontationen 2012

19-22 juli 2012, Jazzgalerie Nickelsdorf - Zaterdag 21 juli

Guy Peters - foto's: p. 5: Ig Henneman - 19 juli 2012

De namiddagvoorstelling van Dafne Vicente–Sandoval (fagot) en Klaus Filip (ppooll) moesten we helaas missen, maar met een goed gevuld avondprogramma kregen we meer dan voldoende utdagingen gepresenteerd. Het begon al meteen op hoog niveau met het “A” Trio van Sharif Sehnaoui, Mazen Kerbaj en Raed Yassine, drie sterkhouders van de Libanese vrije improvisatie, die hoogst ongebruikelijke muziek maken met onconventionele speeltechnieken die vooral inzetten op creëren van en variëren op merkwaardige klanken, resonerende oppervlakken en mechanische spielereien.

Het spel van Sehnaoui op akoestische gitaar deed vaag wat denken aan de prepared guitar-experimenten van Paolo Angeli, met gebruik van metalen objecten en sidderende, piepende en trillende effecten die soms wat aanleunden tegen aan sitarachtige sound. Bassist Yassine zou z’n snaren nooit gewoon plukken met de blote hand. Hij drukte kommetjes en schaaltjes ertegen en toen hij die aanviel met z’n strijkstok leidde dat zingende, soms wat Midden-Oosters aandoende resultaten. Meest opvallend was echter Kerbaj (samen met Sehnaoui oprichter van het te ontdekken Al Maslakh-label en zelf ook een begenadigd schilder en tekenaar), die te werk ging met een schier eindeloze creativiteit.

Hij was niet enkel in de weer met een trompet, waar hij piepende en zeurende golven uit perste, maar ook met allerhande speeltjes, het leek wel goedkoop speelgoed, waarmee hij de bezwerende intensiteit van de muziek tot een kookpunt bracht. Dat klinkt allemaal erg artificieel, maar het trio bracht enkele van de meest meeslepende stukken van het festival voort, een hypnotiserend klankenfestijn dat het ene moment klonk als een transmissie uit de ruimte en even later als een losgeslagen klokkenatelier of hysterische volière. Het spelen met terugkerende gitaarpatronen buiten beschouwing gelaten, was dit een concert met weinig melodie of houvast, maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door frisse en speelse inventiviteit. Een origineler opener kan je je moeilijk voorstellen.

Dan volgden een paar concerten van artiesten die voor het eerst met elkaar samenwerkten. Het eerste was een kwartet met Frank Gratkowski (basklarinet/altsax), Tanja Feichtmair (altsax), Peter Herbert (bas) en Christian Lillinger (drums), dat meteen aardig van jetje gaf, maar nooit ging vervallen in richtingloos getoeter en gehamer. De frontlinie met twee saxen werkte uitstekend, waarbij Gratkowksi doorgaans iets agressiever uit de hoek kwam dan Feichtmair, die met krampachtig omhooggetrokken linkerschouder al even vurig, maar tegelijkertijd ook zachter klonk, intussen hevig voor- en achterover buigend als een vrouwelijke John Dikeman. De muziek zocht soms dan ook het terrein van de punkjazz op, maar dan met een indrukwekkende wendbaarheid.

De sound van het kwartet werd voor een groot stuk bepaald door het bijzonder dynamische drumwerk van Lillinger. Die heeft zelf een trio dat Hyperactive Kid heet, en het wordt snel duidelijk waarom. Z’n flamboyante stijl, waarbij hij explosief spel perfect kan afwisselen met gebruik van shakers en manipuleren van cimbaalgeluiden is de gedroomde ondersteuning voor een blazer. Die kuif van ‘m blijft al even driftig op en af wippen als z’n stokken, waarmee hij soms door z’n vellen lijkt te gaan slaan. De enorme troef die hij toevoegt aan het geheel is echter het vermogen om ruimte te scheppen. Z’n soms bombastische spel heeft een sterk showaspect dat vast niet bij iedereen aanslaat, maar je moet erkennen dat hij een fantastisch aanstekelijke motor is die perfect in lager toerental kan draaien zonder excentriciteit te verliezen.

Bassist Herbert is een generatie jonger dan z’n collega’s, maar daverde er al even begeesterd op los en zorgde met Lillinger even voor een prachtig staaltje ingetogen lyriek vol zingende melodieën (zelfs op cimbalen!). Kortom: het was een droomstart (want dit vraagt gewoonweg om een vervolg!) van een nieuwe band, een concert met nuance, swing en kracht, vol hortende en stotende passages van flemende en bronstig beukende saxen, weerbarstig drumwerk en divers baswerk. Dat zo’n aanstekelijk concert, waarbij je een monstertalent ziet bevestigen en een ander kan ontdekken, ook nog eens werd afgesloten door een breekbaar mooi bisnummer maakte het plezier enkel nog completer. Geweldig als alle stukjes zo vanzelfsprekend op hun plaats vallen.

Als het ene kwartet bewees dat een eerste ontmoeting bruisende resultaten kan opleveren, dan zorgde het tweede helaas voor een ervaring die minder geslaagd was. Improvisatie-icoon Paul Lovens ging daarvoor een ontmoeting aan met pianist Alberto Braida, celliste Frances-Marie Uitti en bassist Wilbert De Joode. Het begon nochtans veelbelovend, met Lovens (zoals gewoonlijk in z’n vaste uniform: wit hemd en das) die rommelde met schaaltjes en gebroken ritmes, en dromerig strijkwerk en gedoseerd pianospel. Daarna nam de grilligheid en densiteit enkel toe, maar werd zelden het ultieme doel bereikt: via individuele ideeën komen tot een collectief verhaal. Waar dat dan aan ligt? Te weinig luisteren, te veel ideeën, een combinatie die gewoon niet wérkt? Geen idee. Of misschien een beetje van dat alles.

Dat deze muzikanten beschikken over de bagage om knappe muziek te maken zal niemand betwijfelen, maar deze keer leek het wel of de vier, ondanks het inpikken op en overnemen van elkaars ideeën toch een eigen parcours bleven volgen. Het had even iets van een intellectuele denkoefening waarbij je de sleutel tot de oplossing onthouden werd. Misschien omdat er geen was? Zo wisselden piano en drums ineens wel een ritmisch patroon uit, maar werd er verder weinig mee aangevangen. De bas en cello zongen en raspten, werden gestreeld en getokkeld en vervielen in soms repetitieve patronen, maar het geheel bleef een vreemde afstandelijkheid uitstralen, waardoor het moeilijk was om meegesleept te worden. Laat staan om er iets bij te voelen. Jammer.

Freejazz bereikt slechts zelden andere werelden, maar de collaboratie van Neneh Cherry en het Scandinavische powertrio The Thing - Mats Gustafsson (saxen, elektronica), Ingebrigt Håker Flaten (bas) en Paal Nilssen-Love (drums), elk zowat de Vin Diesel van hun respectievelijke instrument -, bracht een aardige hype op gang. De tuin zat dan ook afgeladen vol voor een concert dat een op voorhand gewonnen wedstrijd leek. Wat meteen opviel: de aanpak van het trio is een pak heviger, maar ook lomper dan op plaat, met direct gebeuk en weinig subtiliteit. Dat is ook niet meteen de bedoeling, want ook Cherry zette het meteen op een wild springen en headbangen vanaf de noisy intro van “Too Tough To Die”.

Aanvankelijk leek ze ook niet goed bij stem, het klonk allemaal wat kapot geschreeuwd en ze zat er geregeld langs. “Dream Baby Dream” klonk even wat bedeesder, net als het exorcisme van “Golden Heart”, maar ook daar sloeg Cherry aan het freewheelen met veel enthousiasme, maar een slordige timing. Nochtans kreeg het kwartet gaandeweg meer focus in de set: “Dirt” was dubbel zo wild als de albumversie en tijdens een sterk “Accordion” kon je enkel respect opbrengen voor het feit dat Cherry na een afwezigheid van vijftien jaar dit doet, en niet kiest voor de makkelijke weg, met een fletse kutplaat en een comeback in het has beens-circuit.

Tot daar zaten we vooral met gemengde gevoelens, maar de finish die de band in petto had maakte veel goed, met een swingende interpretatie van zydecosong “Call The Police”, een overtuigende preek in Archie Shepps klassieker “Blasé” en een razende bis die het botte gebeuk van “Viking” en “Hidegen Fújnak a Szelek” van The Ex aan elkaar naaide. Het was dus niet de verhoopte triomf – daarvoor miste het de scherpte van de beste The Thing-concerten -, maar dat werd goedgemaakt met een donderende finale die de keet ei zo na in de fik zette.

De gemoedelijke aanpak van het festival brengt ook een nadeel met zich mee (al is het dan weer een voordeel voor zij die de kans krijgen om voldoende te slapen): er is een startuur dat ongeveer gerespecteerd wordt, maar geen mens kan voorspellen hoe het daarna verloopt. Toen het Oostenrijkse Radian aan zijn set begon was het half drie, al was een groot stuk van het publiek nog op post. En terecht, want bassist John Norman, drummer Martin Brandlmayr (ook bekend van Trapist) en kersvers bandlid/gitarist Martin Siewert (onlangs nog te horen met o.m. Dieb13 en Mats Gustafsson op (Fake) The Facts) speelden een intens nachtconcert.

Daarvoor putten ze uit een breed gamma aan invloeden die ook te horen zijn op hun albums (al hun Thrill Jockey-releases zijn de moeite), gaande van de postrock van Tortoise en de krautgrooves van Can tot stuiterend elektro-experiment (vooral sterk tot z’n recht komend in de knap bewerkte drumpatronen van Brandlmayr, vol echo’s, clicks en ratelende nevengeluiden), industrial en gierende noise. Siewert had een batterij pedalen op tafel én voor z’n voeten en knipoogde naar soundscape en shoegaze, terwijl de logge basklanken van Norman voor een potige fond zorgden. Centraal stond vaak ook Brandlmayrs spel op de basdrum, dat naar voren geschoven werd in de geluidsmix en zorgde voor een grootstadsvibe en soms dansbare beats.

Er werd gespeeld met duidelijk uitgezette krijtlijnen, maar ook hier was er ruimte voor improvisatie en de drie creëerden muziek die hedendaags en onweerstaanbaar cool klonk, waardoor het even leek alsof het boerendorp integraal overgeplaatst werd naar een stedelijke undergroundlocatie. Zo gepast als de opener was, zo’n goed idee was het ook dit enthousiast ontvangen Radian de boel uitgeleide te laten doen, op deze wat ongelijke, maar boeiende derde festivaldag.



E-mailadres Afdrukken