Banner

Konfrontationen 2012

19-22 juli 2012, Jazzgalerie Nickelsdorf - Vrijdag 20 juli

Guy Peters - foto's: p. 5: Ig Henneman - 19 juli 2012

Het eerste concert van de dag vond plaats in een wat afgelegen schuur in een idyllisch glooiend landschap. Daar zorgde het duo Ona - de Weense video- en geluidskunstenares Billy Roisz en Ilpo Väisänen van het legendarische elektronicaduo Pan Sonic – voor het concert dat het verst verwijderd was van het traditionele akoestische avontuur dat doorgaans met vrije muziek geassocieerd wordt. In de compleet verduisterde ruimte, met forse speakers in elke hoek, werkten de twee aan een performance die zowel visueel als auditief de kaart van het minimalisme trok, met verblindende, flikkerende roodblauwe visuals en klankgolven die belandden in de zone tussen drone, soundscape en verdrukkende elektronica.

Roisz zorgde met een basgitaar voor daverend gedreun en was verantwoordelijk voor de projecties, terwijl Väisänen vooral rotzooide met golvende en versmachtende lage frequenties, goed om de oorkanalen te smeren en de hartslag onder 50 slagen/minuut te brengen. Opnieuw was dit muziek die de gedachtegang een halt toeriep en met ruisende, pulserende, grommende en sidderende klanken een publiek overmande. Heel even, naar het einde van het 35 minuten durende stuk, werd het abstracte terzijde geschoven voor wat old school geluiden tussen Kraftwerk en BRT-legende Xenon, al bleef het uiteindelijk vooral een oefening in koppig minimalisme.

Het avondprogramma bulkte van de zwaargewichten. Dat zorgde meteen voor hooggespannen verwachtingen, maar die werden probleemloos ingelost. Het trio BassDrumBone (respectievelijk Mark Helias, Gerry Hemingway en Ray Anderson) heeft slechts een handvol albums uitgebracht, maar hun samenwerking gaat intussen terug tot de late jaren zeventig en dat voel je. Muzikale interactie en smoelwerk spraken boekdelen: het ging hier om muzikanten die elkaar niets te bewijzen hadden, intuïtief kunnen inpikken op aangereikte suggesties en een taal ontwikkeld hebben die meteen herkenbaar is, of het nu gaat om met groove en swing volgestouwde stukken als “Hence The Real Reason”, de duizelingwekkende solo’s van “Soft Shoe Mingle” of het naadloos aan elkaar geplakte slotduo “Space”/“Show Tuck”.

Net zoals hun albums bijna inwisselbaar zijn – door die onmiskenbare identiteit -, zo ook volgen veel van hun nummers een vergelijkbaar pacours, met individuele intro’s en catchy melodieën, die vrijere stukken soms genadeloos de kop durfden afsnijden. Ondanks wat moeilijker passages en de soms merkwaardige gebroken ritmes van Hemingway (weinig drummers slagen er in om een concert lang net niet op conventionele manier te spelen), bleef dit een bij momenten erg toegankelijke performance die een vanzelfsprekend evenwicht vond tussen structuur en vrijheid, en traditie en vernieuwing. Daardoor vond het zowat het ideale evenwicht tussen Helias’ meer cerebrale Open Loose en Andersons nog toegankelijker werk met Marty Ehrlich.

Een zwakke schakel zit er in niet in dit trio, maar het heeft met Anderson een opvallende troef in huis. Als je hem ziet staan, een schriele kerel met een brede grijns, dan zou je ‘m zo een blokfluit in handen willen duwen, maar wat hij tevoorschijn tovert uit een trombone – brede uitschuivers, keiharde staccato uitvallen en aartsmoeilijke circulaire ademhaling, die dan nog eens vol variatie gestoken wordt – getuigt van een even grote verbeelding als instrumentbeheersing. Een man met zo’n talent het volle pond zien geven, samen met collega’s die hem daar maar al te graag bij willen (en kunnen) helpen, is dan ook een puur genot om naar te kijken.

Maar het kon nog zotter. Ook het nieuwe trio John Butcher (tenor- en sopraansax), Mark Sanders (drums/percussie) en Georg Graewe (piano) heeft intussen niks meer te bewijzen. Dat Butcher en Sanders een perfecte tandem kunnen vormen, bewezen ze nog op het onlangs verschenen Daylight, maar de samenwerking met Graewe was al even onbevreesd avontuurlijk. Misschien wel ietsje té, want het duurde niet lang of de blazer en pianist haalden alles, maar dan ook alles uit de kast. In het geval van Graewe betekende dat soms woeste razernij over het ivoor, met handen die voortdurend haasje-over speelden en de muur tussen vrije improvisatie en moderne klassiek sloopten, bombastisch, met de voet vol op het gaspedaal.

In combinatie met het spel van Butcher zorgde het even voor overkill. Zelfs een wereldtopper als Ray Anderson, die, toegegeven, bezig is met een instrument dat notoir moeilijk te bespelen is, zal het immers moeten afleggen tegen Butcher als we het hebben over de meest complete en compromisloze benutting van de mogelijkheden van een instrument. Butcher blaast, perst, zuigt en smakt de meest waanzinnige klanken – van vogeltjesgetjilp tot ronkende drones en onmenselijk gegier – uit z’n saxen. Verbluffend om te zien en te horen, maar even ook goed op weg om uit te draaien op een muzikale freak show, krachtpatserij met Icarusambitie. Gelukkig kreeg de eerste marathon na verloop even een rustmoment, waarna ingetogener en met een strakkere focus werd gemusiceerd.

Wie in het oog van die storm voortdurend overeind bleef, en zich profileerde als misschien wel de meest muzikale artiest op het podium, was Mark Sanders. Wat hij deed kan enkel omschreven worden als schilderen op een drumstel. Voortdurend variërend met brushes en stokken, spelend met minitrommeltjes en strelend met de blote handen, zorgde hij voor een indrukwekkende verfijnd geluidenspel dat naadloos inpikte op wat rond hem gebeurde, maar vooral coherentie bleef uitstralen. Sanders schetste met zelfvertrouwen verfijnde contouren en gaf dit straf concert met enkele ronduit geniale momenten een menselijk gezicht. Prachtig.

En dan moest het beste nog komen. Rietblazer Ken Vandermark had z’n nieuwe project Made To Break al eens voorgesteld op het Follow The Sound festival, maar met wisselend succes. Het was wel een goed concert, al bleef het toen wat stroef, viel de sound tegen en leek de band nooit écht op dreef te komen. Nu duurde het ongeveer tien seconden voor je vergeten was dat Nickelsdorf af te rekenen kreeg met een paar smerige regenbuien. Het kwartet schoot uit de starblokken met een imponerende vurigheid en energie die mateloos aanstekelijk was, met opzwepende drum- en baspartijen van Tim Daisy en Devin Hoff en driftig spel van Vandermark.

Joker van dienst was echter Christof Kurzmann, die vanachter z’n laptop een cruciale bijdrage leverde tot het geheel, door het aanzetten van de ritmische patronen, invoegen van stuiterende klankgolven en het terugkaatsen van Vandermarks furieuze tenorspel. Het resultaat was een bruisende aanval op de middelmaat, die nergens pompeus of patserig klonk en het beste leek te combineren van Vandermarks meer gedreven bands uit het verleden. Het leek wel alsof Spaceways Inc. (de soul en funk), Powerhouse Sound (de groove) en The Vandermark 5 (de eclectische, genrevermengende composities) hier samengesmolten werden tot een nieuwe, alles vermorzelende bastaardzoon.

De voorbije jaren zat Vandermark niet stil. Het is een artiest die voortdurend op zoek is naar nieuwe geluiden en samenwerkingen, wat recent vooral leidde tot projecten die aansluiting zochten bij kamermuziek, vrije improvisatie en gestileerde tussenvormen om zijn honger naar compositorische uitdagingen te stillen. Het deed echter deugd om hem nog eens aan het roer te zien staan van een geoliede machine die zowel in staat is om terug te plooien in subtiel samenspel als om uit te pakken met bonkende power. Wie dacht dat Vandermark met het ontbinden van The Vandermark 5 z’n vlaggeschip kwijtgespeeld was, kreeg nu lik op stuk. Dit klonk gewoonweg als het echte begin van een opwindend, nieuw hoofdstuk, dat ons na eerdere recente overrompelingen (zowel met het Resonance Ensemble als solo) sterkt in de overtuiging dat de man in een van zijn vele creatieve piekperiodes zit. Magistraal spul.

En dan was er even wat verwarring. Pianist Chris Abrahams van afsluiter The Necks was na een val in allerijl naar het ziekenhuis afgevoerd. Het was even wachten op wat er nog stond te gebeuren en dat werd een ad hoc samenwerking tussen achtergebleven Necks-leden Tony Buck (drums) en Lloyd Swanton (bas), die van jetje gaven met Steve Williamson en Orphy Robinson van Black Top. Al snel werd duidelijk dat, misschien gemakshalve, de route van de vurige freejazz gekozen werd. Buck, Abrahams en Robinson (op marimba) hamerden er meteen als bezetenen op los, Williamson meteen verplichtend om uit z’n schulp te komen. En dat gebeurde.

Het sloot aan bij de complexloze fire music van de jaren zestig, waarbij vooral opviel dat Buck z’n drumkit te lijf ging met razende manie die zowel naar Keith Moon als Paal Nilssen-Love leek te verwijzen. Na zo’n wilde climax was er even sprake van een puddingeffect met wat aanmodderend geplingel, al was het kwartet snugger genoeg om het zootje naar een nieuwe climax te sturen om met een knaller af te sluiten. Vernieuwend en origineel was het allemaal niet, maar het werd gesmaakt door een publiek dat de band na een avond vol verwennerij bedankte met een overdonderend applaus. Zo’n festivaldag die van hoogtepunt naar hoogtepunt raast maak je zelden mee.



E-mailadres Afdrukken