Banner

Konfrontationen 2012

19-22 juli 2012, Jazzgalerie Nickelsdorf - Donderdag 19 juli

Guy Peters - foto's: p. 5: Ig Henneman - 19 juli 2012

De in Berlijn verblijvende Els Vandeweyer (vibrafoon/marimba), een van de grootste Belgische improvisatietalenten, ging de confrontatie aan met twee artiesten van een oudere generatie. De klassiek geschoolde performer/componiste Ute Wassermann is al bijna dertig jaar actief met de meest uiteenlopende ensembles en binnen diverse contexten (gaande van voor haar gecomponeerde solostukken tot abstracte geluidsinstallaties), terwijl de Brit Aleks Kolkowski, een veteraan die al samenwerkte met o.m. Evan Parker, Phil Minton en Louis Moholo, een expert is van ‘mechanisch-akoestische’ muziek, met vooral analoge instrumenten als de violofoon (een soort viool met een hoorn in de plaats van een klankkast die vaak gebruikt wordt binnen de Balkanmuziek), net als stokoude fonografen en grammofonen.

Voor deze performance had Kolkowski ook z’n zingende zaag meegebracht, wat in combinatie met de stemacrobatiek en fluitjes van Wassermann en de onconventioneel bespeelde instrumenten van Vandeweyer (naar goede gewoonte in de weer met allerhande percussieve effecten, vreemdsoortige stokken en gepimpte handschoenen) zorgde voor een even ongebruikelijke als verfrissende combinatie. Wassermanns arsenaal aan technieken, waarbij ze abrupt kan overschakelen van sissende en grommende uitvallen tot merkwaardige geluiden waardoor je zou gaan denken dat ze ergens een theremin verschuilt, was al voldoende om de aandacht naar zich toe te trekken, maar de qua timbre vaak erg gelijkaardige geluiden van Kolkowski verrijkten het klankpalet alleen maar.

Vandeweyer leek deze keer minder dominant dan we van haar gewoon waren, wat gezien deze combinatie van texturen zeker een verstandige beslissing was. Het concert laveerde tussen soms spookachtige nukkigheid, verwarrende abstractie en kermisgekte, al ging de aandacht door de beperkte lengte van de stukken en de set eigenlijk nooit verslappen. Met die opvallende combinatie en ‘fout’ gebruik van instrumenten werd meteen benadrukt dat Konfrontationen nooit gek genoeg kan, wat nog eens werd onderstreept toen Wassermann een bloemlezing uit het werk van The Chipmunks bracht in het van de pot gerukte bisnummer. Zot, maar goed zot.

Met het trio Black Top leek het even alsof Run DMC naar Oostenrijk was afgezakt, maar die indruk vervloog al na vijf seconden. Pianist Pat Thomas is bij ons niet zo bekend, maar maakt al ruim twintig jaar deel uit van de bruisende Londense scène, maakte z’n opwachting op een dozijn Emanem-releases, was vaak te horen naast figuren als Derek Bailey, Lol Coxhill en Tony Oxley, en werkte zelfs even samen met Thurston Moore. Met vibrafonist Orphy Robinson en tenorsaxofonist Steve Williamson, die aan het begin van z’n carrière vooral naambekendheid kreeg als sideman voor Abbey Lincoln en Cassandra Wilson, werkt hij momenteel aan een eigenaardige tussenvorm die zwalpt tussen free jazz, vrije improvisatie en pulserende elektronica.

Robinson bespeelde de vibrafoon op een veel toegankelijker manier dan Vandeweyer en bleef doorgaans de braafste (en soms wat voorspelbare) muzikant van het trio. Williamson hanteerde dan weer een behoorlijk eigenzinnige stijl, die nu eens deed denken aan de kronkelige riedels van Steve Lehman, maar in het hoge register net zo goed aan de klaagzangen van een David S. Ware, eindeloos herhalend op vervliegende motieven en introspectieve rondedansjes. Thomas’ spel op keyboards en piano kon amper nog meer verschillen. Op het ene ging hij resoluut voor sci-fi-achtige weerbarstigheid en soms verrassend aanstekelijke grooves (die echter zelden lang aanhielden), op de piano ging het er een stuk tegendraadser aan toe, vaak met bruuske intervalsprongen.

Hoorde je het ene moment iets dat nog best te situeren valt tussen Monk en z’n Britse collega Veryan Weston, dan ging het er even later behoorlijk hypnotiserend aan toe. Opmerkelijk was vooral het derde stuk, dat uiteindelijk meer dan de helft van de set zou overspannen, aanvankelijk wat ongeïnspireerd en doelloos van start leek te gaan, maar gaandeweg open bloeide tot een fors staaltje improvisatie naar het bijna oneindige. Ook hier zorgde het bisnummer voor onnozele fratsen (het thema van “If I Were A Rich Man” uit Fiddler On The Roof blijft ondanks de knipogen een irritant stukje muziek), al werd het uiteindelijk in een hoekiger koers gestuurd met een donkere beat die even groovy als plat was.

Het meest besproken concert van de dag was ongetwijfeld dat van het Franse kwartet Qwat Neum Sixx. De intussen 67-jarige saxofonist Daunik Lazro is al jarenlang een vaste waarde in kennersmiddens, maar lijkt pas de voorbij jaren ook buiten de landsgrenzen op meer krediet te kunnen rekenen. Hij had alleszins een band rond zich verzameld die zorgde voor een marathon die volledig de kaart van de intensiteit trok. Daarvoor werd hij ondersteund door pianiste Sophie Agnel, de androgyne figuur Michael Nick (viool) en Jérôme Noetinger, de man achter het Metamkine-label en zelf vooral in de weer met ‘dispositif électroacoustique’, een rol die binnen dit concert even mysterieus als essentieel was.

Van meet af aan werd het terrein van de avant-garde opgezocht, met timbrale exploraties, aandacht voor resonanties en subtiele spanningsbogen. Agnel dook vooral in haar piano met de handen, prutsend met bekers en draden, waarmee ze de snaren driftig floste in de klankkast. Het volume oversteeg daarbij aanvankelijk amper het fluisterniveau, door het ruisende luchtverkeer van Lazro en de sluimerende wazen van Noetinger, die zorgde voor sputterende effecten en gerecycleerde klanken van z’n kompanen die naadloos in het geheel geïntegreerd werden. Op z’n extreemst deed het wat denken aan de samenwerking van Peter Evans, Mats Gustafsson en Agusti Fernandez op Kopros Lithos, maar doorgaans ging het er toch wat minder radicaal aan toe.

Het bleef echter een taaie hap, want meer dan een uur weerbarstigheid vergt wat van een publiek, dat het soms moeilijk leek te hebben met deze mentale fitnesssessie. Nochtans was dit zowel als individueel als collectief niet minder dan een krachttoer en een luisterervaring die je best van al over je heen kon laten rollen. Lazro’s controle over de baritonsax was ronduit imposant, al was dit eigenlijk vooral een ontmoeting met een kwartet dat zich profileerde als een massief blok dat vrije improvisatie en hedendaagse avant-garde samensmolt tot een bezwerende trip voor doorzetters. Het bewees ook eens te meer dat elektroakoestisch experiment een steeds prominentere rol inneemt binnen de vrije improvisatie.

Ondanks een enkele kwinkslag en een aantrekkelijke melodische flard was de eerste festivaldag een cerebrale bedoening, luistermuziek om de oren bij te spitsen, muziek die concentratie vergt en van de luisteraar verwacht dat die in de lucht zwevende hints oppikt en er al dan niet een verhaal van brouwt. Totaal andere koek met het Congolese Konono No 1, dat vooral mikt op buik en benen, met ritmische en repetitieve feestmuziek die het volk vooral aan het dansen wil krijgen. De improvisatie die je op je bord krijgt is dan ook van een totaal andere, horizontale soort, waarbij vooral wordt gespeeld met variaties op ritmes en de opzwepende aanmoedigingen in schril contrast staan tot de bedachtzame improvisaties van ervoor.

Centraal in het geluid van de zeskoppige band is het gebruik van de duimpiano (likembé), die meteen zorgt voor een even feestelijke als sjofele sound, met weinig ruimte voor subtiliteit, maar wel met bakken vrolijke soul en zomerse ambiance. Onder leiding van Augustin Makuntima Mawangu, die de solopartijen voor z’n rekening nam, werd gewerkt aan een resem songs die gerekt konden worden naargelang de grillen van de band. En het wérkte alvast: de manier waarop de lichamen in beweging kwamen durfde nogal eens verschillen – voor de ene bleekscheet is het voorzichtig wiebelen en het zwaartepunt verschuiven, terwijl het voor de andere vooral gaat om kniebuigingen of het radicaal loswerpen van elk loshangend lichaamsdeel (soms een even hilarisch als verbluffend spektakel) -, maar het werd het uitzinnige feestje dat de band beloofde.

Wie op zoek is naar een voortdurende uitdaging of een creatieve uitwisseling van ideeën, die is er natuurlijk aan voor de moeite, maar je moet het weten te plaatsen in de juiste context. Konono No1 draait om ritme, ritme, ritme, zeker toen drummersduo Tony Buck (The Necks) en DD Kern (BulBul)er nog eens bij gesleept werden, de muziek nog meer naar het trance-effect van Steve Reid gestuwd werd en de onwaarschijnlijk energieke dansbewegingen van zangeres Pauline Mbuka Nsiaka deden vrezen voor een uit de kom schietende heupkop.



E-mailadres Afdrukken