Banner

Gent Jazz: Igor Gehenot Trio + Miguel Zenon Quartet + Paco de Lucia

5 juli 2012, Bijlokesite

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 06 juli 2012

Lap. Dag 1 van de jazzweek van het festival, en ze maken er al een special night van met een icoon van de flamenco. Het moet natuurlijk niet allemaal vingerknipjazz zijn, zolang het maar overtuigend gebracht wordt (en anders is het op z’n minst nog goed voor verbaal geharrewar, zoals rond de komst van Jamie Cullum op Jazz Middelheim vorig jaar), maar met het tegenvallende concert van snarenvirtuoos Al Di Meola (gent Jazz 2011) in het achterhoofd, hielden we toch even angstig de adem in. Gelukkig was daar achteraf bekeken geen reden toe.

De aftrap werd gegeven door het Igor Gehenot Trio . Nu ja, maak van die aftrap een voorzichtig duwtje, dat is iets dichter bij de waarheid. De 23-jarige Gehenot won in 2011 de Sabam Jazz Award voor jong talent en mag als Luikenaar in de voetsporen treden van eminent jazzvolk als Bobby Jaspar, René Thomas en, iets recenter, Eric Legnini. Geen makkelijke opdracht, al leidt het geen twijfel dat Gehenot, die de microbe te pakken kreeg na het zien van Ray (de biopic over Ray Charles) en na enkele jaren muziekschool er de brui aan gaf om als autodidact verder te gaan, een grote liefde voor zijn stiel heeft. Dat zorgt er misschien voor dat hij, ondanks een voorkeur voor ECM-pianisten, toch wel wat meer in de breedte kan gaan.

Net als op zijn recent verschenen debuut Road Story werd de pianist vergezeld door bassist Sam Gerstmans en alomtegenwoordige drummer Teun Verbruggen, die natuurlijk al grote sier maakte binnen een ander pianotrio en zich met sprekend gemak van z’n taak kweet, moeiteloos, maar vooral sierlijk dansend over cimbalen, met nu en dan een welgemikte roffel of abrupte uitval. Samen met Gerstmans zorgde hij voor een degelijke fond voor het gestroomlijnde spel van Gehenot. Die wist niet altijd de spanning erin te houden, want vooral de tragere songs bleven soms wat trappelen in een lyrische romantiek tussen een vluchtiger Jef Neve of Brad Mehldau.

Wanneer de prikkels de bovenhand kregen, zoals in puike afsluiter “Rude Awakening”, dan ving je wél een glimp op van de mogelijkheden. Het valt dan ook te hopen dat Gehenot verder kan werken aan z’n eigen stem, misschien door die traditie iets meer de rug toe te keren, en een knappe carrière kan uitbouwen, die bij voorkeur wat langer aanhoudt dan die van Jaspar en Thomas.

Het zoeken is bij de leider van het Miguel Zenón Quartet ook een constante, al wordt hij intussen wel al jaren beschouwd als een grote seigneur. Het voorbije decennium profileerde Zenón zich als begenadigd jazzambassadeur, met lezingenreeksen en master classes, die samen met zijn interesse in het samensmelten van verschillende culturen ongetwijfeld hebben bijgedragen tot de uitreiking van de MacArthur Fellowship, die hij in 2008 in ontvangst mocht nemen. Op zijn recentste album met zijn kwartet, Alma Adentro, dook hij in ‘The Puerto Rican Songbook’, zowat de plaatselijke tegenhanger van de Amerikaanse Gershwin/Rogers/Hammersten-traditie, die hij door een moderne jazzfilter jaagt. Wie vreesde voor een uitbundige latincarnaval, werd snel gerustgesteld. Zenón gaat daarvoor iets te subtiel te werk.

Hij staat soms wel driftig heen en weer te wiebelen en de exotische invloeden zijn duidelijk merkbaar in de composities, maar de muziek blijft vaak erg gestileerd, op het droge af, met een ingehouden uitbundigheid die er op en top luistermuziek van maakt. Pianist Luis Perdomo, bassist Hans Glawischnig en drummer Henry Cole zijn daarbij een duidelijk op elkaar ingespeeld stel dat een solide ondergrond vormt voor Zenons scherpe altsound en -stijl, die meer dan eens aan de kwikzilveren glibberigheid van Jackie McLean deed denken. En bij Zenón hoor je ook die onwaarschijnlijk snelle spurtjes, die met schijnbaar gemak afgevuurd worden.

Het kwartet ging van start met een luchtige compositie van Rafael Hernández, maar pieken gebeurde daarna met het tweeluik “Alma Adentro”/”Olas y Arenas” van Sylvia Rexach, dat aanvoelde als een gelaagde suite met een brede waaier aan stijlen en sferen, van minimalistische ingetogenheid tot expressievere jazz met meer punch en strak uitgevoerde thema’s, waarbij Zenón zich ook vaak terugtrok om het trio te laten schitteren. Nochtans kon het niet voorkomen dat het concert gaandeweg z’n focus leek te verliezen met een gepolijste esthetiek die appelleerde aan lichaam, maar vooral hoofd, en na een tijdje kabbelde zonder al te veel impact. Jammer, want de toewijding van het kwartet stond nooit ter sprake.

De organisatie probeerde al jaren om gitaarvirtuoos Paco de Lucía (1947) te strikken en dat was gezien het uitzinnige applaus voor het concert duidelijk een goede zaak. Het decor – een muur van palmstruiken die het meteen naar het terrein van de überkitsch stuwden – deden het ergste vermoeden, of op z’n minst een fletse bedoening zoals bij Al Di Meola vorig jaar, dus het was afwachten wat de Lucía’s flamenco, of de eventuele verkrachting ervan, teweeg zou brengen. Alle bedenkingen werden alleszins meteen de kop ingedrukt toen de gitarist alleen op het podium verscheen. Hij heeft een kop die door de uitzinnige fans vast omschreven wordt als een gelooide karakterkop, met gelaatsgroeven als het chaotische stratenplan van een middeleeuwse nederzetting. De muziek ademde net diezelfde authenticiteit uit.

Van meet af aan stond ’s mans aanzienlijke passie en virtuoze controle meteen centraal. Hij is het typevoorbeeld van een muzikant die vergroeid is met z’n instrument, waarbij de vingers vliegensvlug over de snaren sprintten, de vingernagels fungeerden als plectrums en de klankkast gebruikt werd als percussieve kadering. Ook viel op hoe uniek die flamencotraditie eigenlijk wel is en hoe ver ze van onze volksmuziek staat. De songstructuren zijn vaak enorm complex, met voortdurende wendingen die om de hoek loeren en melodieën die blijven ontglippen. En toch werkt dat, omdat het muziek is die tegelijkertijd met een immense concentratie en intensiteit gebracht wordt, wat dan ook zorgde voor de nodige extatische reacties in de tent.

Net als bij Al Di Meola werd er ook geëxperimenteerd met bezettingen, waarbij eerst een percussionist en drie zangers zich bij de artiest voegden. En het stak ineens vol met dramatische vocale uithalen, gebracht door venten met hese stemmen die de vuisten balden en emotie uit hun strot persten op leven en dood. Indrukwekkend. Uiteindelijk zou het gezelschap nog vervoegd worden door een tweede gitarist, elektrisch bassist en een toetsenist/harmonicaspeler. Die laatste leek even goed op weg om het boeltje te verpesten met wansmakelijke synthklanken, maar die waren gelukkig slechts van korte duur. Op harmonica kwam hij heel wat sterker voor de dag, de snelheid van de Lucía hernemend en zelfs met een knikje richting Thielemans’ “Bluesette” (meer uitzinnige reacties).

Om het feest helemaal compleet te maken had de Lucía ook een danser meegebracht die op een paar vierkante meter z’n act – compleet met geheven kin, daverende hakken en ultrastrakke broek – mocht komen doen. Het resultaat was een bruisend totaalspektakel, een onderdompeling in flamencocultuur die ei zo na de intimiteit van een nachtelijk café in een Spaans stadje wist op te roepen. Kortom: laat die planten waar ze thuishoren en geraak van die toetsen af en het resultaat is ronduit indrukwekkend. Een festivalset brengt natuurlijk wat onvermijdelijke crowd pleasers met zich mee, zoals het gerekte rondje solo’s in de afsluiter, dat even haaks op de spontane ambiance van het concert ging staan, maar geen redelijke ziel zal ontkennen dat de Lucia en co. het concert van Di Meola definitief deden vergeten. Als nu iemand nog hetzelfde wil doen voor het concert van Sonny Rollins in 2011, dan kan die eerste week niet meer stuk.

E-mailadres Afdrukken