Banner

Charles Gayle Trio

4 februari 2012, Hnita-Jazz

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 05 februari 2012

De schreeuwerige freejazz van Charles Gayle -- een bloedende biefstuk naast de kleffe kaviaartoastjes van heel wat aaibare, gestileerde jazz die dezer dagen voor ‘avontuurlijk’ versleten wordt -- is muziek die haast onlosmakelijk verbonden lijkt met de duistere krochten van anonieme grootsteden. Dat het ook werkt op de Vlaamse boerenbuiten, zelfs bij een temperatuur van -13°C, bewees het Trio met een gul en soms ontvlambaar concert.

Albumhoes en titel van het recent verschenen Streets (een van de vroege hoogtepunten van het jazzjaar) verwezen naar ‘Streets the Clown’, een alter ego dat Gayle in de jaren negentig ging gebruiken om indirect enkele hangijzers (vaak religieuze en politieke overtuigingen die hem niet steeds in dank werden afgenomen) te kunnen aankaarten via pantomimeperformances en spoken word-stukken. Tot dat laatste zou het nooit komen, maar een sterk afgevallen Gayle schuifelde wel het podium op in zijn clownspak, inclusief schoenmaat 56, een rode neus, brilmontuurtje zonder glas en witte make-up. Je vroeg je meteen af hoe dat schriele kereltje er in zou gaan slagen om de tenor te temmen, maar dan zette hij het instrument aan zijn lippen.

Een variant op wat volgde, had je ook al kunnen horen op Touchin’ On Trane, Homeless of Streets: weerbarstig om zich heen schoppende freejazz, rauw en ongedurig, te nerveus om te settelen in gezapige grooves en te compromisloos, te expressief en te intens om als minder dan een frontale aanval beschouwd te worden. Gayle’s muziek is niet vijandig, niet bedoeld om de jongens van de mannen te kunnen scheiden, maar een confronterende wake up-call, een jankende, huilende, tot aan de enkels in de modder verzopen oerschreeuw vol gesplitste tonen, bronstige uithalen en schrapende furie. Misschien niet meer met de verzengende kracht van twintig jaar geleden, maar nog altijd heel erg in your face.

Prachtig om de man daar te zien staan: de knieën gebogen en tegen elkaar geklemd, soms haast spastisch schuddend met het hoofd, de ogen gesloten en de voeten voortdurend heen en weer bewegend. De afstand tussen denkproces en uitvoering: zo klein mogelijk. De improvisaties: met espresso in de aderen. Oerjazz, folkblues, gospel en een resolute weigering om te kiezen voor voorspelbare of afgelikte melodieën, dat was waar Gayle voor stond en wat hij ook nu liet horen. Dat spontaniteit geen synoniem is voor willekeur werd ook nu echter bewezen. De saxofonist speelde met een overtuigende focus, nam kompanen Larry Roland (bas) en Michael Wimberly (drums) op sleeptouw en was zelfs niet te beroerd om ze nu en dan op te jutten of het zwijgen op te leggen.

Roland was zo een paar keer de kop van jut, al leek ’s mans vurige, soms erg ongepolijste spel, zowel met zijn stugge vingerspel als met de ruwe halen met de strijkstok, een ideale toevoeging voor de onderbuikpartijen van Gayle. Wimberly, een sparringpartner sinds de jaren negentig, was echter de sterke figuur, die voortdurend inpikte op het spel van de saxofonist, accenten plaatste op perfect gekozen momenten en zowel kon uitpakken met krachtpatserijen als subtiel weerwerk. Dat laatste liet hij een paar keer horen tijdens de stukken dat Gayle toevlucht nam tot de piano. Op dat instrument laat hij soms nog altijd een verwarde indruk na en lijkt hij net iets minder coherent, maar het stilistische bereik is er zo mogelijk wel groter.

Zo liet hij niet na om soms ronduit romantische passages te spelen, die zo weggeplukt lijken uit de begeleidingsband van een stille film, maar even later zwierde hij het boeltje met een paar flukse ragtime- en bebopverwijzingen naar excentrieker terrein. Hierdoor leek het soms alsof hij Art Tatum én Cecil Taylor door de mangel wou halen, met zowel compact uitgevoerde ideeën als grove intervalsprongen, waarbij hij zijn hele voorarm op het ivoor liet denderen. Best wel imposant om te zien, maar nergens zo meeslepend als zijn spel op de tenorsax. De drie eerste stukken van de eerste set gingen steeds intenser pieken en toen hij Roland ineens aanmaande tot stilte en in een vingerknip overschakelde van zachte lyriek naar hartverscheurend gebries, kon je moeilijk anders dan tegen het canvas gaan.

In de tweede set werd sneller overgeschakeld naar de piano in een stuk dat uiteindelijk meer dan een half uur zou duren. Het miste de geconcentreerde intensiteit en samenhang van de stukken in de eerste set, maar stilvallen deed het nooit, ook niet toen Gayle tegelijkertijd tenorsax en piano speelde (iets dat hij ook op enkele platen deed, maar wat nu niet echt werkte) en even zijn mime-act het voorplan liet nemen door iets charmant/naïef te doen met een denkbeeldige vlieg. Uiteindelijk zou hij echter weer toevlucht nemen tot de tenorsax, het instrument waarmee hij naam en faam vestigde, en afsluiten met een aan gruzelementen gespeelde versie van Coltrane’s “Giant Steps”.

Het was een merkwaardige, soms wat ongelijke performance, maar in zijn beste momenten -- als hij gewoonweg dreigde te gaan leviteren van intensiteit en zijn kompanen het denkspoor (net) konden volgen -- was dit een performance die van deze twee keer vijftig minuten een behoorlijk indrukwekkende belevenis maakte. Kijk anders maar eens wat uw bompa van 72 ganser dagen uitvreet.

E-mailadres Afdrukken
 
Charles Gayle Trio

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST