Banner

Rodrigo Amado

‘‘Improviseren is mijn levensproject’’

Guy Peters - foto's: Nuno Martins (1,2,3,6), Vera Marmelo (4,CE), David Stanley Aponte (5) - 30 september 2015

Op vrijdag 2 oktober speelt saxofonist Rodrigo Amado met zijn Motion Trio in De Singer (Rijkevorsel) zijn eerste concert in België. En dat is een belevenis, want – en u zal ons op ons woord moeten geloven – de concerten die we de band zagen geven in Oostenrijk, Portugal en Duitsland, behoren tot de beste die we de voorbije jaren meemaakten. Dat, en het feit dat we deze week zot genoeg zijn om de Portugese improvisatie onder het licht te houden aan de hand van een stuk of twintig albums, was reden genoeg voor een gesprek.

Amado (1964) bewijst ook dat de wereld van de vrije improvisatie steeds verrassingen in petto heeft. Hij was rond de millenniumwisseling een van de stichtende krachten achter het Clean Feed-label, iets dat er, zo wordt duidelijk uit de antwoorden hieronder, ook voor zorgde dat zijn carrière een forse injectie kreeg. Hij is intussen al drie decennia in de weer met improvisatie, maar het lijkt wel alsof het hele traject een gestage reis is naar een piek die nog altijd niet bereikt werd. Vooral sinds het begin van het vorige decennium is de man steeds actiever bezig, zowel lokaal als met internationale kleppers, én is ook zijn status toegenomen. Door die lange ervaring, de vele internationale contacten en stille autoriteit die de man uitstraalt, leek hij ons de ideale figuur om aan te spreken. Niet enkel over zijn eigen muziek, maar ook de huidige bloei in de Portugese improvisatie en de geschiedenis die eraan vooraf ging. Het werd een echte longread, maar dan wel eentje waar we een pak wijzer uit geworden zijn. We hopen van u hetzelfde.

Een beetje Portugese geschiedenis

Het is erg moeilijk om informatie terug te vinden over de vroegere jazz en improvisatie in Portugal. Terwijl de scenes in o.m. Duitsland, Groot-Brittannië en Scandinavië uitgebreid gedocumenteerd werden en de chronologie en impact van de eerste vernieuwers duidelijk in kaart gebracht werd, is dat wel anders voor Portugal. Lang verkeerde de natie onder het dictatoriale bewind van Salazar en zijn opvolger Caetano (waar met de Anjerrevolutie een einde aan gemaakt werd), en dat had volgens Amado een ernstige impact op de kunsten: “Het fascistische regime dat het land onder de duim hield tot 1974, zorgde ervoor dat muziek zich niet kon ontwikkelen. In de jaren zestig en zeventig gaapte er een enorme culturele kloof tussen Portugal en de rest van Europa. En zelfs na 1974 duurde het een hele tijd voor er opnieuw sprake was van een gezonde bloei.
De uitzonderingen waren een interessante underground rockscene, een paar muzikanten als Carlos Zíngaro of Jorge Lima Barreto (van Telectu) die door velen beschouwd werden als aliens, en een snel groeiende mainstream jazzscene rond de Hot Clube [legendarische jazzclub in Lissabon, gp], met muzikanten als Carlos Martins, Bernardo Sassetti, Carlos Barretto, Mário Laginha, Zé Eduardo en Carlos Bica. Zíngaro was de eerste die ook regelmatig buiten Portugal ging spelen met belangrijke namen uit de avant-garde en improvisatie, waardoor we allemaal naar hem opkeken. Telectu, met Jorge Lima Barretto en Vítor Rua, was ook heel belangrijk en speelde regelmatig met internationale zwaargewichten als Chris Cutler, Sunny Murray, Elliott Sharp, Eddie Prévost of Jac Berrocal.”

Wie de voorbije jaren een bezoek bracht aan Lissabon en ook tijd maakte om in het concertgebeuren te duiken, zal het kunnen beamen: er leeft wat in Lissabon, en zeker in de muzikale ondergrond. Er duiken bij de vleet nieuwe, veelal kleine, concertlocaties op, er lijkt een eindeloze stroom muzikanten actief en daar bovenop zijn er ook nog eens heel wat buitenlandse artiesten die er – al dan niet permanent – neerstrijken. Gevraagd naar wat precies de succesfactor daarvan is, geeft Amado een handvol op elkaar inspelende factoren mee: “Lissabon heeft al vele jaren een heel boeiende underground-scene. Aanvankelijk ging het vooral over alternatieve rock en experimentele muziek, en iedereen maakte deel uit van die gemeenschap. Er waren ook veel crossovers van verschillende genres en ook buiten Portugal werd dat wel opgemerkt. Bovendien waren er ook een aantal hele sterke platenwinkels en geweldige radioprogramma’s. Ik herinner me er eentje in het bijzonder, zeer invloedrijk, van Rui Neves, nu de programmator van Jazz em Agosto [jazz/impro-festival dat elke zomer plaatsvindt in Lissabon, gp].
Het belangrijkste scharniermoment voor ons was de oprichting van Clean Feed, in 2001. Het was eigenlijk de eerste keer dat muzikanten die ‘opgesloten’ waren in de experimentele scene en een interesse hadden in jazz, mezelf incluis, ook meer inzicht konden krijgen in zichzelf en deel gingen uitmaken van een grotere gemeenschap waarin ze konden experimenteren, creatief zijn. Ervoor, in de jaren tachtig en negentig, had de mainstream scene alles drooggelegd en werd de vrije improvisatie, waar ik eigenlijk al mee bezig was sinds 1984, niet eens ernstig genomen. Dat is dus wat Clean Feed betekende voor heel wat muzikanten: het besef dat we niet alleen waren, dat we deel uitmaakten van iets groters en dus ook een ruimere scene konden vormen. Toen heb ik ook mijn eerst ervaring opgedaan met internationale muzikanten en ben ik mijn eigen projecten beginnen opnemen.
Een andere belangrijke factor is natuurlijk ook de stadsdynamiek – voor elke club die sluit, steken meteen twee nieuwe de kop op -, en een fascinerend web van onafhankelijke promotoren die het circuit bruisend houden, vaak met ad hoc ruimtes die, om wat voor reden ook, tijdelijk beschikbaar zijn, zoals leegstaande appartementen of gebouwen die gesloopt zullen worden. Het alsmaar groeiende aantal toeristen is natuurlijk een grote uitdaging voor Lissabon, maar dat geldt zowat voor elke grote Europese stad, en de identiteit van onze stad is redelijk sterk.”

Als we het hebben over Portugese jazz, dan zijn het - en dat is een beetje vergelijkbaar met België -, vaak dezelfde ‘Grote Drie’ die vermeld worden. Heb je bij ons Brussel, Antwerpen en Gent, dan gaat het in Portugal om Lissabon, Porto en Coimbra. Hebben die laatste twee dan scenes die vergeleken kunnen worden met die van Lissabon? Of zijn ze anders? Amado: “Hoewel je zou kunnen zeggen dat de scene van Lissabon nog wat sterker staat, heeft Porto ook een fantastische persoonlijkheid wanneer je het hebt over jazz, of muziek in het algemeen. De stad was de eerste om een echte graad in de jazz aan te bieden en ESMAE [Escola Superior de Música, Artes e Espectáculo, gp ] zorgde voor enkele van de sterkste spelers van het land. Het is ook waar Susana Santos Silva vandaan komt. Ook de oprichting van de Casa da Música speelde een belangrijke rol. En toch is de identiteit van Porto ook wel anders dan die van Lissabon. De associatieve spirit is er sterker, wat leidde tot een paar fascinerende collectieven die de jazz- en experimentele scene van de stad grondig beïnvloed hebben, zoals Porta Jazz en Sonoscopia.
Wat Coimbra betreft, is het verhaal wat anders. Coimbra is altijd een bijzondere plaats geweest voor muziek, als universiteitsstad. Maar voor jazz was het grote kernmoment er ongetwijfeld het Jazz ao Centro festival van 2003, georganiseerd en geprogrammeerd door Pedro Rocha Santos. De eerste paar edities van het festival waren werkelijk geweldig. Ik speelde er op de eerste editie met Carlos Zíngaro en Ken Filiano, maar de line-up bevatte later ook nog eens het William Parker Quartet, Ken Vandermark’s LKV, Davis S. Ware Quartet, Jemeel Moondoc Quintet, Charles Gayle Trio, Vinny Golia/Bobby Bradford Quartet, Ivo Perelman Quartet, Frode Gjerstad Trio, Mujician, John Law Quartet – enkele jaren ervoor nog compleet onvoorstelbaar. Recent is het festival een beetje van z’n kracht kwijtgespeeld, maar er werd een nieuw label opgericht – JACC Records – dat de vlam brandend houdt en een grote impact heeft. Coimbra blijft ook belangrijk voor de ‘ziel’ van de Portugese jazz en Salão Brasil, een club die geprogrammeerd wordt door de JACC-ploeg, is ook een vaste halte voor muzikanten uit de avant-garde en improvisatie die door het land reizen.”

Opleiding en groei

Amado wordt dan wel geassocieerd met de vrije jazz en improvisatie, maar de vraag is natuurlijk hoe hij daar beland is en wat de belangrijkste invloeden waren op zijn muzikale vorming. Dan blijkt dat die helemaal niet zo voorspelbaar liep en ook passeerde via omwegen ver buiten de jazz: “Ik ben vrij laat begonnen met de saxofoon, toen ik al zeventien was. Ik heb een ernstig ongeluk gehad, ben door een glazen deur gevallen, waardoor ik lang moest herstellen. Mijn moeder vroeg me of er iets was dat me kon helpen om die tijd te overbruggen. Ik aarzelde geen seconde en antwoordde: een saxofoon! Ik was toen al volledig geobsedeerd door muziek, ook al was ik nog niet bezig met jazz. Mijn vroegste referenties voor de sax kwamen eigenlijk via artiesten als David Bowie, Roxy Music, Van Der Graaf Generator, King Crimson, Brian Eno, James Brown en vele andere rock-, funk- en popbands. Ik hield me niet bezig met een stijl in het bijzonder, maar alles veranderde wel na de aanschaf van die saxofoon.”
Samen met het instrument kreeg ik drie platen van m’n ouders die ik compleet versleten heb: een Charlie Parker-compilatie, Go van Dexter Gordon en Three For All van Phil Woods. Mijn vader had zelf ook wat spullen van Sonny Rollins, zoals een geweldige versie van “Sonnymoon For Two”, en Art Blakey, zoals “Three Blind Mice” met Wayne Shorter. Dat waren eigenlijk mijn eerste bewuste jazzinvloeden. En snel daarna volgde de rest: Ornette Coleman, Archie Shepp, Booker Ervin, Tim Berne, Pharoah Sanders, Arthur Blythe, Julius Hemphill, Gerry Mulligan, Glenn Spearman, Steve Lacy, John Carter, Sam Rivers, Hamiet Bluiett and zo veel anderen. Maar ik ben al die tijd ook blijven luisteren naar andere muziek. En wat Portugese invloeden betreft, was de grootste ongetwijfeld Carlos Martins, een van mijn eerste leraars. Ik ging vaak naar hem kijken, vooral in de Hot Clube, en was op zoek naar ‘die’ sound.”

Het fascinerende binnen de jazz, is dat elke goede muzikant beschikt over een geheel unieke sound en stijl. Vaak is die sterk beïnvloed door voorgangers, maar heel wat internationale kleppers hebben een timbre, tics of visie die meteen herkenbaar is. Zo ook die van Amado. Zijn sound zou je kunnen omschrijven als enigszins old school, met een warm timbre, terwijl ook zijn manier van interactie – zeer gefocust, soms verrassend melodieus en meestal met een broeierige energie die vaak lang nét onder het oppervlak blijft dreigen – heel eigen is. Jazzcriticus Stuart Broomer omschreef het in de liner notes van Amado’s recentste album This Is Our Language nog als een dialogische aanpak. Hebben sommige artiesten vooral een hang naar frictie of contrast, dan wil Amado steeds een gesprek op gang brengen. Maar hoe vind je zoiets als je eigen ‘stem’ op de saxofoon, en als improvisator? Amado: “Dat proces – absoluut cruciaal in mijn oeuvre – is eigenlijk gebeurd in verschillende stadia sinds ik begon te spelen in 1984. Ik herinner me nog goed m’n eerste betekenisvolle doorbraak. Dat was toen ik door Joã Peste, de zanger van Pop Dell’Arte, gevraagd werd om te spelen op een underground rockfestival in een legendarische club in Lissabon, Rock Rendez Vous. Ik speelde misschien twee jaar saxofoon en besloot in duo te spelen met drummer Luís Desirat, met wie ik tien jaar een improduo gevorm heb.
Daar stonden we dan, voor een enorm publiek, met onze idiomatische improvisatie, maar de reactie was enorm enthousiast en kwam volledig als een verrassing voor ons. Dat was het moment dat ik voor het eerste besefte dat ik iets zou kunnen doen met mijn eigen sound en ideeën. Geïmproviseerde muziek maken en ermee aan de slag gaan. Daarna volgden nog heel wat momenten die aanvoelden als bepalende stappen, of momenten die me naar een nieuw niveau stuwden, of waardoor ik een aspect van mijn sound of frasering ging ontdekken die daarvoor minder vertrouwd aanvoelde. Dat gebeurde meestal wanneer ik speelden met muzikanten die een pak beter waren dan mij, zoals Steve Swell, Ken Filiano, Lou Grassi, Bobby Bradford, Dennis Gonzalez, Jeb Bishop, Paal Nilssen-Love, Taylor Ho-Bynum, John Hébert en vele anderen. Ze hadden allemaal veel meer ervaring dan mij en met elk van hen beleefde ik momenten die me voor altijd veranderden, achterlieten met het gevoel dat ik een beter en dieper begrip van mijn eigen spel had. Recenter heb ik dit mechanisme ook ondervonden door het spelen met mijn ‘working bands’, en dan vooral het Motion Trio. Dat is meteen ook een van de redenen waarom ik vind dat we zo hard moeten werken: om dat volgende niveau te bereiken, individueel én als groep."

Over improviseren

Labels kleven op muziek is een natuurlijke reflex, en voor recensenten in het bijzonder (ja hoor, we pleiten schuldig), maar Amado probeert zelf te vermijden om het enkel te hebben over zijn muziek als ‘freejazz’, of dat nu wordt geïnterpreteerd als een muziekvorm die zich wil afzetten van iets, of engageert tot het exploreren van andere mogelijkheden: “Ik ben niet echt bezig met ‘freejazz’ of andere manieren waarop vrij geïmproviseerde muziek gelabeld worden. Het voornaamste is voor mij de creatie van het moment, het creëren van een directe flow tussen hoofd, hart en lichaam, die me in staat stelt om muziek te spelen die waarachtig is, echt is, voor mezelf en de muzikanten waar ik me samenspeel. Al de voorbereidingen die ik doe, met de band of oefenend in m’n eentje, zijn er om ervoor te zorgen dat die flow sneller kan gaan, zodat de communicatie tussen brein en vingertoppen, brein en hart, nog beter wordt. Het voelt aan als componeren in real time en dat is ook waarom ik, als ik specifieke vormen, harmonisch constructies en melodieën hoor, ze niet zal tegenwerken. Het sleutelwoord is dus improvisatie en ja, om de muziek te kunnen buigen in de richting die we zoeken. Het potentieel is eindeloos. Dat gezegd zijnde, erken ik wel dat het rauwe materiaal waarmee ik aan de slag ga, meestal afgeleid is uit de jazztraditie. Maar dat gebeurt op een onbewust niveau.”

Het is ook opmerkelijk dat Amado binnen zijn eigen bands enkel werkt met vrije improvisaties. Hoor je hem op de albums van Luís Lopes’ Humanization Quartet al even bedreven in de weer met thema’s en duidelijk afgesproken structuren, dan blijven die achterwege in de eigen projecten. Een bewuste keuze, zo blijkt: “Ja, het is een keuze die ik lang geleden gemaakt heb. Ik wijd mijn eigen projecten aan de discipline van de improvisatie. De belangrijkste reden daarvoor is dat het zo’n veeleisende en complexe discipline is, dat je er een heel leven in kan investeren en dan nog niet klaar bent met evolueren. Ik ben uitermate gefascineerd door het feit dat ik kan samenkomen met een muzikant die ik nog nooit heb ontmoet – zoals binnen een paar dagen het geval gaat zijn met Matthew Shipp – en dat de muziek zomaar uit de lucht komt vallen. Maar dat betekent niet dat ik het niet serieus neem. Ik moet voorbereid zijn en het is nooit genoeg. Je bent nooit genoeg voorbereid om de andere muzikanten te respecteren. En dat is waarom ik er een levensproject van gemaakt heb, voorlopig toch. Anderzijds doet het me ook enorm veel deugd om mee te werken aan projecten zoals het Humanization Quartet, met gecomponeerde en gearrangeerde passages. Maar het is net zo goed belangrijk dat de andere muzikanten in die band - Luís Lopes, Stefan Gonzalez en Aaron Gonzalez – ook improvisatoren zijn.”

Het mooie van de (vrij) geïmproviseerde muziek is het engagement om van niets iets te maken, te starten zonder duidelijke afspraken en enige tijd later te kunnen terug kijken op een stuk muziek dat niettemin mooi, uitdagend, complex, meeslepend, spannend of zelfs ontroerend kan zijn. De keerzijde van de medaille is natuurlijk dat een sprong in het diepe ook tot een lelijke val kan leiden. Je hebt als muzikant niets om op terug te vallen, geen collega die je influistert waar je ook alweer zat. Dat is iets waar zelfs de beste improvisatoren ooit wel mee geconfronteerd worden. Amado benadert de mogelijkheid van falen het stoïcijns : “Ik accepteer die mogelijkheid, op voorhand. En ik respecteer het ook. Het is meteen ook een van de grote uitdagingen voor improvisatoren: het aanvaarden en respecteren van mislukkingen. Als je dat kan, dan kan je het bijsturen en verwerken in je muziek zodat je gaat spelen met een perspectief waar je ervoor niet aan dacht. Gewoon toegeven dat de mogelijkheid bestaat, is een van de meest krachtige en stimulerende dingen voor het maken van muziek. Je mag er geen schrik voor hebben. Je moet gewoon beseffen dat het er altijd is en dat je ervan kan leren.”

Het is voor Amado ook niet vereist om concerten achteraf te gaan ontleden: “Nee, niet echt. Na een concert willen we eigenlijk gewoon relaxen. Misschien hebben we het wel over de muziek als er iets dramatisch gebeurd is op het podium, maar we hebben geen formele discussies over wat gespeeld werd. Soms herinneren we ons in de dagen erna wel specifieke dingen waar we het over hebben, maar dat is dan steeds op een informele en constructieve manier. De enige uitzondering wanneer we toch de muziek gaan analyseren en praten over de muziek die we maken, is wanneer we naar opnames luisteren voor een nieuwe release. Dan duiken we er heel diep in. En dat is ook nodig.”

Het Motion Trio, een ‘working band’ pur sang

En zo belanden we bij Amado’s belangrijkste en meest zichtbare ‘working band’, het Motion Trio met cellist Miguel Mira en drummer Gabriel Ferrandini. Het is een eenheid die vanaf het begin (of toch zeker dat eerste titelloze album uit 2009) een eigen synergie creëerde en die, zo menen we toch te kunnen afleiden uit de volgende albums en de concerten die we zagen, steeds beter blijft worden. Zo’n vaste band kan natuurlijk zorgen voor een heel eigen energie, stijl en charme, iets wat een stuk moeilijker is met muzikanten die elkaar zelden of nooit zien, al loert ook steeds het gevaar van de gewenning om de hoek.
Zijn Amerikaanse collega Ken Vandermark besloot zo zijn meest succesvolle band – The Vandermark 5 – na een decennium op te heffen, omdat het risico te groot geworden was dat de band zich ging herhalen, dat muzikanten zouden gaan spelen waarvan ze wisten dat het verwacht werd of dat het zou werken. Is dat iets dat Amado ook bezig houdt?: “Natuurlijk, en ik ga er ook mee akkoord. Wanneer we repeteren met het Motion Trio gedragen we ons soms als zombies op weg naar een uitgang, telkens geconfronteerd met beperkende muren waar we tegenaan lopen. We zijn ons zeker bewust van die comfortabele elementen die opduiken, maar we verzetten ons ertegen, zoeken naar manieren om ermee om te gaan, om ze te transformeren en – hopelijk – te belanden op een nieuwe plaats, ook al betekent het dat we alles op het spel moeten zetten en de kans lopen om op ons gezicht te gaan. Maar het is exact dit proces dat het spelen met een ‘working band’ zo boeiend en belangrijk maakt. Tijdens dit proces leer je bij en ontwikkel je de skills om clichés te vermijden en te belanden aan de andere kant van die dunne grens die je opwindende en nieuwe oplossingen schenkt. Al is het natuurlijk zo dat elke improvisator individuele clichés heeft en dat is natuurlijk wat me het meest haten aan onszelf horen spelen. Dat is meteen ook de reden waarom ik voor verschillende fases van het Motion Trio ook werk met verschillende instrumenten, altsax en tenorsax: om mezelf uit die comfortzone te duwen.”

Amado is intussen eenenvijftig. Daarmee behoort hij zowat tot dezelfde generatie als cellist Miguel Mira, maar is hij toch een stukje ouder dan twintiger Ferrandini, die zich in geen tijd ontpopte tot een van de centrale figuren van de Portugese improvisatie, en zeker in Lissabon. Opnieuw wordt bewezen dat leeftijd er niet echt toe doet: “Miguel organiseerde lange tijd sessies op zondagen bij hem thuis. Eigenlijk waren het jamsessies voor vrienden die muziek speelden op verschillende niveaus. We kwamen allemaal samen voor een avondmaal, soms met meer dan vijftien mensen, en dan gingen we naar zijn huis om te spelen tot twee-drie uur ’s nachts. Zijn huis lag in een afgelegen gebied, dus we moesten ons geen zorgen maken over het lawaai of de buren. Dat was geweldig! Gewoon non-stop muziek spelen, drinken en roken, en plezier maken. Soms kwamen er ook gasten langs om met ons te spelen en op een dag ging Gabriel achter het drumstel zitten. De impact en empathie was er meteen. Hij kende mijn muziek goed – hij vertelde dat Teatro [album met Kent Kessler en Paal Nilssen-Love uit 2006, gp] belangrijk voor hem geweest was – en hij speelde met een ritmisch concept waar ik eigenlijk al langer naar op zoek was. Meteen zorgde hij er ook voor dat Miguel serious shit uit zijn cello haalde. Dat was hét moment, sindsdien zijn we blijven spelen. Telkens ik met Gabriel speel – we hebben er ook al redelijk wat tours op zitten, met een band of als duo – heb ik niet het gevoel dat ik met een jongere kerel speel. Hij is in veel opzichten heel volwassen en dat heeft een belangrijke rol gespeeld in het in stand houden van de band.”

Amado en Ferrandini vinden elkaar naast het Motion Trio ook in het Wire Quartet, een band met bassist Hernani Faustino (RED Trio, Clocks & Clouds, etc.) en gitarist Manuel Mota. Beide bands spelen vrij, dus dan rijst al snel de vraag of het werken met een andere, maar verwante bezetting ook een andere insteek vergt: “Toen ik het Wire Quartet oprichtte, deed ik dat vooral omdat ik wist dat Manuel ons in een heel andere richting zou voeren, zowel qua sound en energie, als overkoepelende esthetiek. Ik heb die band eigenlijk opgericht om eens met hem te kunnen samenwerken en elkaar frequenter te ontmoeten. Daarna noemde ik die band ook het Wire Quartet, naar de snaren op zijn gitaar. Natuurlijk mag je ook niet vergeten dat ook meester Hernani Faustino de contrabas speelt. Hij heeft ook een heel bijzondere band met Gabriel. Maar het was dus vooral de bedoeling om een band op te richten rond Manuel Mota.
Wat verdere afspraken betreft gelden ook hier dezelfde regel: geen afspraken of instructies, niet op een podium en niet in de studio. Beide projecten zijn, net als alle andere dingen die ik onder mijn naam uitbreng, volledig geïmproviseerd. Het enige wat ik misschien zal doen, is een teken geven dat een of meerdere muzikanten een stuk kunnen starten. En dat is het.”

Werken met anderen

Redelijk vroeg stond het Motion Trio bekend als een eenheid die de hand reikte aan spelers uit het buitenland. De Amerikaanse trombonist Jeb Bishop voegde zich bij de band voor een live album en een studioplaat, terwijl de rol iets later werd overgenomen door Peter Evans, met sterk verschillende resultaten. Leverde het met de trombonist een meer klassieke, jazzgerichte sound op, dan trok de aanwezigheid van Evans de boel helemaal open, werd het trio hoorbaar opgejut om tot ver buiten het vertrouwde terrein te gaan. Kan de komst van één speler dat evenwicht dat toch zo sterk beïnvloeden? Amado: “Omdat Gabriel nog heel jong was toen we het Motion Trio startten en Miguel eigenlijk uit een heel andere hoek kwam, zaten we allemaal op verschillende fases in onze ontwikkeling. Onze concerten zouden altijd wel een explosie van energie en vreugde zijn, maar er was ook behoefte aan een meer consistente groei van de band, als een eenheid.
Dat is waarom ik een vierde man binnenbracht, om ons uit die comfortzone te halen. Het introduceren van muzikanten met de persoonlijkheid en kracht van Jeb en Peter is de ultieme manier om het trio op de proef te stellen en te doen groeien. Maar het is ook heel moeilijk om dat te doen zonder de identiteit van het Motion Trio te schaden. Naast de muziek op zich, zijn er dus heel wat uitdagingen aan dergelijke samenwerkingen. En dat is wat we nodig hebben en waar we van houden. Beide muzikanten brachten hun hele hebben en houden mee, gingen nooit op het rempedaal staan. In het geval van Jeb en zijn universum, is het een beetje zoals met Joe McPhee: dat universum ligt dicht bij het mijne en is sterk geworteld in de Noord-Amerikaanse jazztraditie. Het moeilijke was het Trio als geheel, want toen we Jeb ontmoetten waren we de hele tijd heen en weer aan het bewegen tussen een meer herkenbare freejazz ‘feel’ en soms zeer abstract spel, zeker toen ik in de weer was met de altsax. Gabriel speelt ook heel anders dan Jebs reguliere speelpartners. Wat gebeurde was eerst een explosie tijdens het eerst concert, met absurde energieniveaus – een verbazingwekkend, organisch en intuïtief concert in ZDB [Galeria Zé dos Bois, een concertclub in Lissabon, gp] – en daarna werd die energie gaandeweg ingeruild voor een diepere communicatie, meer cerebraal en gebalanceerd. Bovendien kwam het ‘samenwerken’ op een interessant en krachtig niveau, wat magie kan opleveren, zoals je wel weet.
Maar als Jeb ons uit onze comfortzone trok, dan duwde Peter ons op oorlogsterrein. We zullen nooit de eerste ontmoeting vergeten in Teatro Maria Matos (uitgebracht als Live In Lisbon), omdat het echt aanvoelde alsof we vochten voor ons leven. In dat concert was Peter een en al confrontatie, speelde hij exact het tegenovergestelde van wat we verwachtten of nodig hadden. In plaats daarvan speelde hij lijnen, noten, geluiden die ons evenwicht voortdurend onderuit haalde, dwong hij ons steeds opnieuw om onszelf bij te sturen, aan te passen. En om het nog wat erger te maken, begon hij binnen een vingerknip ook nog eens imitaties te geven van wat een van ons deed – zelfde noten, zelfde geluiden, maar dan op zijn trompet. Alsof hij ons duidelijk wilde maken wie het voor het zeggen was, met machtsvertoon. Begrijp me niet verkeerd, het was een geweldig concert… maar het was als een veldslag. En achteraf waren Gabriel, Miguel en ik het erover eens dat het ons voor altijd veranderd had.”

Toen we het Motion Trio in Lissabon zagen, werd het een tweedaagse extravaganza waarbij een set van het Trio werd aangevuld met drie sets met gasten, van gitarist Norberto Lobo en bassist Hernani Faustino tot gitarist Luís Lopes, saxofonist Pedro Sousa en pianist Rodrigo Pinheiro in een vlammende finale. Het leidt vanzelf naar de vraag wat er nog allemaal aan te komen staat. Of zijn er muzikanten in het bijzonder die nog op de verlanglijst staan? Amado: “Deze week spelen we met Matthew Shipp, wat voor ons weer een groot muzikaal avontuur gaat zijn. Dat concert gaan we ook opnemen. We zijn ook uitgenodigd om in Brazilië op te treden en opnames te maken, in maart 2016, en dat bestaat de kans dat we dan nog eens spelen met Matthew Shipp. Wat mijn volgende album betreft, dat wordt een duo-album met Chris Corsano. Ik zou daar ook heel graag mee op tour gaan en een live album maken. Maar ik zit ook in een fase waarin ik zin heb om nog eens terug te keren naar eerdere samenwerkingen.
Daarbij denk ik in eerste instantie aan het trio met Kent Kessler en Paal Nilssen-Love, maar ook het kwartet van Searching For Adam (met Taylor Ho-Bynum, John Hébert en Gerald Cleaver). En Jeb Bishop is een muzikant, net als Peter Evans en Steve Swell, waar ik nog eens mee wil samenwerken. Met die kerels spelen en opnames maken is voor mij het grootste privilege en een manier om mijn evolutie te blijven voelen. Natuurlijk steken er ook altijd nieuwe namen en mogelijkheden de kop op door de geweldige muziek die dezer dagen wordt opgenomen. De tijd zal het uitwijzen.”

This Is Our Language en de toekomst

Het recentst verschenen album van Amado, is This Is Our Language (NotTwo Records, 2015), een samenwerking met Joe McPhee, Kent Kessler en Chris Corsano, en een warme en broeierige plaat die duidelijk het resultaat is van een ontmoeting van zielsverwanten. Spelen met niet één, maar drie gasten was vanzelfsprekend een nieuwe uitdaging: “Het is altijd anders om te spelen met kerels die je maar twee-drie keer per jaar ziet. Het startpunt voor dit kwartet was McPhee. Ik ben ervan overtuigd dat hij een van de levende meesters is, en nog altijd onderschat wordt. Ik wilde een project met hem hebben, maar ik wist ook dat hij zo goed kan zijn als de context waar hij in zit. Ik heb hem in de loop der jaren vaak zien spelen en in de juiste situatie zal hij je verbluffen. Anderzijds is het ook zo dat hij in een zwakkere situatie zelf ook wat zwakker zal spelen. Hij kan dat niet veinzen of forceren. Voor mij zijn dat tekenen die wijzen op een echte artiest, meer dan nog dan een muzikant.
Daarnaast dacht ik ook aan Corsano, omdat dat een heel expressieve én ultragevoelige muzikant is. En hij speelt natuurlijk ook al een hele tijd met McPhee in duo. Toen ik een bassist moest gaan kiezen, wist ik dat ik iemand nodig had om het kwartet met de voeten op de grond te houden en te zorgen voor een krachtig groove-element. En daarom koos ik Kessler. Ik denk dat die nooit gespeeld had met Corsano, terwijl ik nog nooit had gespeeld met McPhee of Corsano. Heel wat eerste ontmoetingen dus, maar toch ook wat connecties. McPhee kwam een paar dagen eerder aan en speelde een concert met de Lisbon Improvisation Players voor de opening van mijn fototentoonstelling “Un Certain malaise”, en de andere kwamen vlak aan voor het concert in CCB [het Culturele Centrum van Belém, gp].
We speelden voor een publiek van vierhonderd aanwezigen en dat voelde meteen goed aan. Ergens klonk het ook meteen zoals ik het me had voorgesteld. Het was fantastisch om het vorm te zien krijgen uit het niets en zo helder te zien worden, met zo’n sterke en duidelijke vormen en lijnen. Daarna gingen we de studio in en de muziek werd er nog intenser. McPhee heeft me daar veel geleerd, allemaal overgebracht door intuïtie, gewoon via de muziek, zijn aanwezigheid en gulheid. Hij heeft een impact gehad op mijn spel. In de studio begon ik een stuk met Kessler en Corsano, en na een tijd werd het trio zo intens dat ik plaatsen begon te creëren waar McPhee zich bij ons zou kunnen voegen. Maar hij bleef gewoon toekijken en luisteren met zo’n concentratie dat het voelde als hij meespeelde. Dat triostuk belandde uiteindelijk op het album en ik noemde het “Theory Of Mind (For Joe)”.

Er is ook nog een opname van het concert dat Motion Trio speelde met Peter Evans in Café Oto in Londen - dat klinkt goed en werd uitstekend opgenomen. Vermoedelijk was dat het sterkste concert dat we tijdens de tour van eerder dit jaar speelden en ik zou het graag uitbrengen. Black Bombaim [Portugese space/jamrockband, gp] brengt ook een opname uit van een concert waarvoor ik meespeelde met hen en Isaiah Mitchell van Earthess. En tenslotte zijn Luís Lopes en ik al een hele tijd aan het spreken over nieuwe concerten met het Humanization Quartet. Dat zou geweldig zijn!”

Tenslotte: toen Amado in de jaarlijkse El Intruso Poll, waarin de lijstjes van een groot aantal internationale recensenten bij elkaar wordt gebracht, bij de top drie tenorsaxofonisten van het jaar gestemd werd, gaf hij mee dat het een eer en grote verantwoordelijkheid was. Heeft hij na al die tijd dan nog steeds het gevoel dat hij iets te bewijzen heeft als muzikant? Aan zichzelf of de gemeenschap waar hij toe behoort? Amado verklaart: “Ik heb niet het gevoel dat ik mezelf moet bewijzen en dat ik, muzikaal gezien, verantwoordelijkheden heb ten opzichte van iemand. De enige verantwoordelijkheid die ik voel naar mezelf, is de nood om steeds harder te werken, om de erkenning die ik krijg van anderen ook te verdienen. Op een sociaal niveau hebben we allemaal een verantwoordelijkheid, om een bijdrage te leveren aan het creëren van een betere wereld. De waanzin is te ver gegaan en iedereen kan bijdragen om komaf te maken met intolerantie.”

Rodrigo Amado speelt op vrijdag 2 oktober met het Motion Trio in De Singer (Rijkevorsel). Ook van de partij: CO2, het duo Cel Overberghe en Tom Van Overberghe. Niet te missen.

Foto's: 1 Nuno Martins, 2012 / 2 Wire Quartet - Nuno Martins, 2011 / 3 Nuno Martins, 2012 / 4 Motion Trio - Vera Marmelo, 2010 / 5 Amado & Dennis Gonzalez - David Stanley Aponte, 2006 / 6 Amado, McPhee, Kessler, Corsano - Nuno Martins, 2012

E-mailadres Afdrukken
 
Rodrigo Amado

Uit ons archief
Banner

TEST