Banner

COLUMN

Slijpschijf #49

Dirk Steenhaut - foto's: Logo KIm Duchateau - 11 maart 2011

Journalist DIRK STEENHAUT snijdt zich tweewekelijks aan de scherpste kantjes van de rockmuziek.

Zonder de invloed van Krautrockbands als Can, NEU!, Kraftwerk of Amon Duül zou de muziek van vandaag wellicht niet half zo interessant zijn. Maar minstens even baanbrekend en onvoorspelbaar is Faust, een gezelschap dat al dik veertig jaar actief is, maar halsstarrig weigert op zijn lauweren te rusten. De groep blijft permanent in beweging, kijkt nooit achterom, heeft zich nog nooit herhaald en deinst er al evenmin voor terug verwarring te stichten. Zo zijn er op dit moment zelfs twee bands actief die onder de naam Faust opereren. De ene wordt aangevoerd door Hans Joachim Irmler en bracht vorig jaar nog de cd Faust is Last uit. De andere is gebouwd rond de oorspronkelijke ritmesectie, met Jean Hervé Peron op bas en Werner Diermaier op drums. Beide heren vonden inmiddels gelijkgestemden in de Britse gitarist James Johnston, bekend van Gallon Drunk, en diens vrouw, de kunstenares en cineaste Geraldine Swayne, die bij Faust werd ingelijfd als zangeres en toetsenspeelster. Die line-up is verantwoordelijk voor het pasverschenen Something Dirty en zoals verwacht is op dat plaatje zelden sprake van easy listening.

Slechts af en toe schuift er iets voorbij dat op een melodie gelijkt. Deze incarnatie van Faust heeft het namelijk veel meer begrepen op industriële ritmen, atonale gitaren, langgerekte psychedelische jams en minimalistische orgelgrooves. De muziek is hypnotisch en repetitief. Schurende noise, dadaïstische cut-ups an flarden spoken word (vaak in het Frans) zijn steeds terugkomende ingrediënten, terwijl het ongewone instrumentarium - van een vlammenwerper tot geitenhoeven - bijdraagt tot de rauwe energie die van de songs uitgaat. Hoewel de tracks baden in uiteenlopende stemmingen, klinkt Something Dirty verrassend coherent. “Tell the Bitch to Go Home” houdt het midden tussen The Prodigy en de vroege Pink Floyd, “Pythagoras” en de twee versies van “Dampfauslass” zijn dissonante gitaarimprovisaties met knarsende en piepende percussie: experimenteel, uitdagend, maar eerder voor het moment dan voor de eeuwigheid bedoeld, lijkt ons.

De sterkste nummers zijn die waarin Swayne vocaal het voortouw neemt, zoals “Lost the Signal”, een broeierige torch song die na enkele minuten behoorlijk derailleert: Portishead na een langdiurig verblijf in de hel, zeg maar. Ook het hypnotische “Invisible Mending” en de verknipte afsluiter, “La Sole Dorée” zijn bezwerende brokken muziek met een sinistere ondertoon. Soms vertoont Something Dirty raaklijnen met de jongste cd van Seefeel. Maar Faust legt alle verwachtingspatronen naast zich neer, brengt zowel akoestische als elektronische hulpmiddelen in stelling en blijft trouw aan zijn avantgarderoots, zonder de toegankelijkheid uit de weg te gaan. De bandnaam is dan ook niet toevallig gekozen: the devil is in the details.

Een ander combo dat zich in de voorhoede ophoudt, zij het met een heel ander resultaat, is The Luyas. Dit kwartet uit Montréal, op 14 mei te zien tijdens Les Nuits Botanique, bestaat uit leden van Miracle Fortress en Belle Orchestre en is genetisch verwant aan The Arcade Fire. Het is dus geen toeval dat Owen Palett (solo bekend onder de naam Final Fantasy) en violiste Sarah Neufeld op Too Beautiful to Work als gasten mogen opdraven. Centraal bij deze indiesupergroep staat echter zangeres Jessie Stein, een dame met een bevreemdende kindstem die soms aan de zussen van CocoRosie doet denken. Maar dat is niet de enige reden waarom de gelaagde muziek op de tweede cd van The Luyas zo onconventioneel en claustrofobisch klinkt. Met instrumenten als een 12-snarige zither, een hoorn, strijkers, klavieren en bevreemdende percussietuigen weet de groep de spanning regelmatig op te drijven. Songs als “Tiny Head”, “Canary” en het speelse “I Need Mirrors” drijven dan ook op het contrast tussen frivool en onheilspellend, uitbundig en ingetogen, klassiek en futuristisch. Too Beautiful to Work is een stijlvolle, symfonische popplaat van het type waar radiomakers die in hokjes denken doodsbang voor zijn. Maar laat dat er u niet van weerhouden The Luyas in huis te halen. Want rare muziekjes gaan nu eenmaal langer mee dan voor de hand liggende earcatchers.

Geen idee waarom we pas nu voor het eerst horen van Papercuts, want deze Amerikaanse one-man band is met Fading Parade al aan zijn vierde langspeler toe. Het is hoe dan ook een aangename kennismaking: zanger, liedjesschrijver en multi-instrumentalist Jason Robert Quever maakt bedachtzame droompop die vaag verwijst naar de wall of sound van Phil Spector, maar ook naar naar The Zombies, de vroegste platen van My Morning Jacket of de recentere exploraties van Beach House. Bij de eerste beluisteringen doen de songs, vormgegeven met behulp van 12-string-gitaren, mellotrons, een autoharp en strijkers, nogal contourloos aan, maar bij iedere draaibeurt krijgen liedjes als “Do You Really Wanna Know”, “I’ll See You Later I Guess” of “White Are The Waves” meer diepte, kleur en melodie. Papercuts zijn, met andere woorden, trage verleiders: hun ijle melodieën dringen pas geleidelijk je hoofd binnen, maar zodra ze eenmaal bezit hebben genomen van je geheugen, laten ze zich niet zo makkelijk meer verwijderen.

Quever zingt vooral over de eindigheid van relaties. “Do What You Will” en “Wait Till I’m Dead” suggeren dat zijn hart al zo vaak is gebroken dat zelfs contactlijm niet meer helpt. Howel de zanger als een jonge Werther in zijn liefdesleed lijkt te zwelgen, houdt hij zijn drama’s gelukkig impliciet, zodat zijn bitterzoete popminiatuurtjes nooit irriteren. Integendeel: wie met de titel (én de sound) van één van zijn songs expliciet verwijst naar de Nieuw-Zeelandse eightiesband The Chills, kan te allen tijde op onze sympathie rekenen. Littekens laten deze Papercuts niet na, maar je kunt je er op een kille voorjaarsdag wel behaaglijk aan warmen.

Mochten we nog nooit van PJ Harvey of The Kills hebben gehoord, dan zou het debuut van Mon-O-Phone, een man-vrouwduo uit Zonhoven bij Hasselt, ons in één klap onderuit halen. Jammer dus voor zangeres Cisca Van Hoyland en multi-instrumentalist Koen Brouwers dat hun sound, hoe indrukwekkend ook, een beetje tweedehands aandoet. Daardoor ben je aanvankelijk geneigd The Great Depression of Mr and Ms Phono als een schaamteloze rip-off terzijde te schuiven. Toch loont het de moeite te blijven luisteren, want vroeg of zal je teleurstelling omslaan in bewondering. Tenslotte klonk PJ Harvey, ten tijde van Dry, ook nog fel als Patti Smith, terwijl de vroege R.E.M. zich nog nadrukkelijk spiegelde aan de erfenis van The Byrds.

Mon-o-phone maakt lofi-indierock met een bluesy inslag en uitzicht op de garage. Het ene moment klinkt Van Hoyland als een dreigende sirene die haar stem vervormt zoals Polly Jean dat deed in haar Rid of Me-periode (“Sad Dog”), het andere komt ze sensueel en fluisterend uit de hoek (“Higher”, het akoestische “If”), maar in beide gevallen toont ze zich zo trefzeker dat je er onmogelijk onverschillig voor kunt blijven. Brouwers schudt messcherpe riffs uit zijn gitaar, al kan hij zo te horen ook prima overweg met een fuzzy bas, Fender Rhodes, synth, mellotron, Hammond, melodica, smoelschuiver, ukulele of drummachine. En dan hebben we het nog niet over de vibrafoon- of marimbabijdragen van gastmuzikant Steven Dielkens gehad. Met andere woorden: de muziek van Mon-O-Phone maakt een afgekloven indruk, maar is tegelijk rijk aan details en veelzijdiger dan een oppervlakkige kennismaking zou doen vermoeden.

Bovendien komt het Limburgse stel steevast gedreven en gepassioneerd voor de dag en zitten zijn met verraderlijke weerhaakjes uitgeruste songs over lust, verlangen (“Pleasure”) en walging (“Sick”) zeer goed in elkaar. De voorbije week mocht dit bezwerende debuut herhaaldelijk met de volumeknop wijdopen door onze woonstulp galmen en het ziet er nu al naar uit dat we in de nabije toekomst nog vaker aan de Mon-O-Phone zullen hangen.

Van een heel andere orde, maar beslist niet minder interessant, is de gelegenheidsalliantie van de befaamde Amerikaanse gitarist Bill Frisell met de Braziliaanse, zij het al jaren in New York residerende singer-songwriter Vinicius Cantuária. Toen de laatst genoemde in de Big Apple aanspoelde, was hij verbaasd over de hoeveelheid Latijns-Amerikaanse muzieksoorten die er uit de straten en parken opkringelden en het is die multiculturele smeltkroes die voor de songs op Lágrimas Mexicanas (‘Mexicaanse tranen’) als inspiratiebron diende.

Uiteraard beperkt het duo zich niet tot stijlen en ritmen uit Spaanssprekende landen zoals Mexico, Cuba, Puerto Rico of Venezuela, maar komen ook Cantuária’s Braziliaanse roots bovendrijven. De twee muzikanten koppelen traditie aan experiment en gebruiken technieken uit jazz en improvisatie om de muziek die ze aanpakken te kneden en te actualiseren. Die werkwijze hoeft op zich niet te verbazen: Frisell bewees al vaker dat hij van alle markten thuis is, terwijl Cantuária, die eerder al zijn krachten bundelde met Arto Lindsay, Marc Ribot en David Byrne, de bossanovatraditie de 21ste eeuw inloodste door er snuifjes elektronica aan toe te voegen.

De afwisselend in het Spaans en Portugees gezongen nummers, zoals ‘Calle 7’ of ‘Aquela Mulher’, baden doorgaans in een dromerige en poëtische gloed. Vinicius Cantuária begon zijn carrière per slot van rekening in de band van de grote Caetano Veloso en dat heeft zo zijn sporen nagelaten. Bill Frisell musiceert expressief, warm, subtiel en wars van opzichtig effectbejag, wat uitmondt in fraaie instrumentals, type ‘La Curva’ en ‘Briga de Namorados’. Lágrimas Mexicanas is een intieme, organische samenwerking tussen twee buitengewone artiesten die elkaar perfect aanvoelen en aanvullen. Het resultaat laat zich ook beluisteren, zonder dat u voortdurend naar de doos kleenex moet grijpen.

  • Faust:: Something Dirty, Bureau. www.myspace.com/faustband2
  • The Luyas:: Too Beautiful To Work, Dead Oceans. www.myspace.com/theluyas
  • Papercuts:: Fading Parade, Sub Pop. www.myspace.com/thepapercuts
  • Mon-O-Phone: The Great Depression of Mr and Ms Phono, Mr & MsPhono Records. www.myspace.com/mrandmsphono
  • Vinicius Cantuária & Bill Frisell: Lágrimas Mexicanas, Naïve. www.myspace.com/viniciuscantuariaofficial

E-mailadres Afdrukken
 
COLUMN

Columns:
COLUMN :: Slijpschijf #63
COLUMN :: Slijpschijf #62
COLUMN :: Slijpschijf #61
COLUMN :: Slijpschijf #60
COLUMN :: Slijpschijf #59
COLUMN :: Slijpschijf #58
COLUMN :: Slijpschijf #57
COLUMN :: Slijpschijf #56
COLUMN :: Slijpschijf #55
COLUMN :: Slijpschijf #54
COLUMN :: Slijpschijf #53
COLUMN :: Slijpschijf #52
COLUMN :: Slijpschijf #51
COLUMN :: Slijpschijf #50
COLUMN :: Slijpschijf #48
COLUMN :: Slijpschijf #47
COLUMN :: Slijpschijf #46
COLUMN :: Slijpschijf #45
COLUMN :: Slijpschijf #44
COLUMN :: Slijpschijf #43
COLUMN :: Slijpschijf #42
COLUMN :: Slijpschijf #41
COLUMN :: Slijpschijf #40
COLUMN :: Slijpschijf #39
COLUMN :: Slijpschijf #38
COLUMN :: Slijpschijf #37
COLUMN :: Slijpschijf #36
COLUMN :: Slijpschijf #35
COLUMN :: Slijpschijf #34
COLUMN :: Slijpschijf #33
COLUMN :: Slijpschijf #32
COLUMN :: Slijpschijf #31
COLUMN :: Slijpschijf #30
COLUMN :: Slijpschijf #29
COLUMN :: Slijpschijf #28
COLUMN :: Slijpschijf #27
COLUMN :: Slijpschijf #26
COLUMN :: Slijpschijf #25
COLUMN :: Slijpschijf #24
Column :: Slijpschijf #23
Column :: Slijpschijf #22
Column :: Slijpschijf #21
COLUMN :: Slijpschijf #20
COLUMN :: Slijpschijf #19
COLUMN :: Slijpschijf # 18
COLUMN :: Slijpschijf #17
COLUMN :: Slijpschijf #16
COLUMN :: Slijpschijf #15
COLUMN :: Slijpschijf #14
COLUMN :: Slijpschijf #13
COLUMN :: Slijpschijf #12
COLUMN :: Slijpschijf #11
COLUMN :: Slijpschijf #10
COLUMN :: Slijpschijf #9
COLUMN :: Slijpschijf #8
COLUMN :: Slijpschijf #7
COLUMN :: Slijpschijf #6
COLUMN :: Slijpschijf #5
COLUMN:Slijpschijf #4
COLUMN :: Slijpschijf #3
COLUMN :: Slijpschijf #2
COLUMN :: Slijpschijf #1

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST