Banner

COLUMN

Slijpschijf #12

Dirk Steenhaut - 17 februari 2010

Journalist DIRK STEENHAUT snijdt zich wekelijks aan de scherpste kantjes van de rockmuziek.

Toen omstreeks 1977 de punkgolf over Groot-Brittannië rolde, was Kevin Coyne een van de zeldzame singer-songwriters die bij de generatie van Johnny Rotten niet in ongenade viel. Logisch eigenlijk, want Coyne klonk rauw, direct en ongepolijst, had lak aan rocksterrengedoe en hechtte veel meer belang aan expressie dan aan techniek. Geen wonder dat hij vriendelijk bedankte toen hij gevraagd werd om bij The Doors de net overleden Jim Morrison te vervangen. De zanger, die het liefste omging met gewone mensen, was van oordeel dat kunst authentiek hoorde te zijn, en bij voorkeur gebaseerd op échte ervaringen. Nergens ter wereld was hij zo populair als in de Benelux, iets waar zijn voorliefde voor het medicijn Duvel wellicht niet vreemd aan zal geweest zijn. Toen hij in 2004 op zijn zestigste overleed, was zijn plaats echter allang ingenomen door andere helden. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in het Duitse Nurnberg en hoewel er op zijn cd’s uit die periode af en toe nog geïnspireerde momenten te noteren vielen, konden ze de vergelijking met zijn beste werk zelden doorstaan. ’s Mans hoogtepunten dateren namelijk vooral uit de periode 1973-1980, zijn zogenaamde Virgin Years.

Voordien had Kevin Coyne, met de steun van radiodeejay John Peel, al drie platen uitgebracht: twee met de groep Siren en het bloedstollende Case History, gebaseerd op zijn ervaringen als therapeut in de grootste psychiatrische instelling van Groot-Brittannië. Toen de jonge Richard Branson hem, als tweede artiest na Mike Oldfield, binnenhaalde bij zijn net opgerichte Virgin-label, maakte Coyne meteen indruk met de dubbelaar Marjorie Razorblade, een door merg en been snijdende collectie portretten van marginalen, verschoppelingen en geesteszieken die zopas werd heruitgebracht, geremasterd en voorzien van een bonus-cd met rarities en live-opnames. Met rake observaties als "House on the Hill", "Talking to No One", "Eastbourne Ladies" en het poppy "Marlene" blijft het vandaag een onvervalste klassieker.

Kevin Coyne was het prototype van de one-take-artiest. Hij was opgegroeid met folk en deltablues en fouten deerden hem niet, zolang het gevoel maar juist zat. Spontaneïteit was het sleutelwoord in zijn carrière. Luister maar eens naar het a capella gezongen "Marjorie Razorblade", waarin de Britse music halltraditie wordt gefilterd door een working class-achtergrond. Coyne was ongedurig en snel verveeld: hij vertikte het iets twee keer te moeten doen en net zoals John Lee Hooker en Muddy Waters het hem hadden voortgedaan, boorde hij recht naar de essentie.

Voor wie nog dieper wil graven is er nu ook de vier cd’s tellende verzamelbox I Want My Crown, samengesteld door Eugene en Robert Coyne, de zonen van de zanger. Die putten rijkelijk uit ’s mans twaalf Virgin-releases en voegen er, als extra’s, ook nog uittreksels uit verscheidene concerten aan toe. Dat laatste is belangrijk, want Coyne was een performer die, ondanks zijn rudimentaire gitaarstijl (steevast in open tuning), nergens méér indruk maakte dan op een podium. Of je hem nu in zijn eentje aan het werk zag, als duo met toetsenman Zoot Money of geruggensteund door de geweldige rockband waarvan bassist Archie Legget en de latere gitarist van The Police, Andy Summers, deel van uitmaakten, het klonk altijd even intens.

Kevin Coyne was een tegendraadse natuur die wilde storen zowel als entertainen. Hij kwam vaak confronterend uit de hoek, als een vitrioolspuwende Britse Brel (zie "Dance of the Bourgeoisie", "Poor Swine"), maar was evenzeer tot tederheid en mededogen in staat ("The World is Full of Fools", "Sunday Morning Sunrise"). Met Dazzle dissecteerde hij, samen met zangeres Dagmar Krause, genadeloos een gedoemde liefdesrelatie. Tegelijk was hij een geboren improvisator met gevoel voor het theatrale, waardoor zijn shows vaak op het randje van cabaret, satire en stand-up comedy balanceerden.

Coyne bleef optreden tot hij er, letterlijk, bij neerviel en tussen twee nummers door aan de zuurstoftank moest. Sta ons dus toe u I Want My Crown warm aan te bevelen. Het is een puike introductie tot een van onze favoriete outsiders. Al hopen we nu vooral dat ook enkele andere hoogtepunten uit Coynes oeuvre, Blame it on the Night, Matching Head & Feet, Dynamite Daze en Millionaires & Teddy Bears, binnen afzienbare tijd weer vlot verkrijgbaar zullen zijn.

Hippiemuziek uit San Francisco, is dat niet een beetje passé? Wel, neen: in een tijdperk waar vooruitzien ook achteromkijken is, weet zelfs het achtkoppige Citay bestaansrecht af te dwingen. De groep wordt aangevoerd door ene Ezra Feinberg, die in het verleden al te horen was op plaatjes van Piano Magic, maar zijn stilistische veelzijdigheid en zijn hang naar de sixties en seventies pas echt kwijt lijkt te kunnen op Dream Get Together. Op zijn derde langspeler toont Citay zich van vele markten thuis. Getuige "Careful With That Hat" heeft het octet een duidelijke voorliefde voor lange gitaarjams die herinneren aan die van southern rockers The Allman Brothers Band. In "Hunter" weerklinken verwijzingen naar de psychedelisch gekleurde progrock van Pink Floyd, terwijl "Return from Silence" doet denken aan de akoestische folkuitstapjes van Led Zeppelin. De ruimtelijke, open productie van Tim Green lijkt dan weer geïnspireerd door ELO. En qua namedropping kunnen we zo nog wel even doorgaan.

De teneur van de songs varieert van luchtig tot euforisch, wat onder meer te maken heeft met de uitgekiende, meerstemmige samenzang. De cover van "Tugboat", oorspronkelijk van Galaxie 500, klinkt daardoor extra aanstekelijk. De nummers zijn met veel zorg voor detail opgebouwd en aangekleed met weelderige arrangementen. Het epische "Fortunate Son" hult zich bijvoorbeeld in een waas van zwiepende strijkers. Zelf houden we echter het meest van het simpele, folky "Mirror, Mirror", waarin zowaar Merrill Garbus, alias tUnE-yArDs, als leadzangeres mag opdraven.

Jaren geleden was de Brusselse Botanique zowat het eerste Belgische muziekhuis dat een IJslandfestivalletje organiseerde, toen met memorabele optredens van Apparat Organ Quartet, Ghostigital en Mugison, die intussen is uitgegroeid tot een indrukwekkende liveperformer. Wellicht is dat de reden waarom de man op donderdag 25 februari nog eens mag terugkomen. Hij wordt dan voorafgegaan door zijn landgenoten FM Belfast, een groovy dancecollectief dat onder meer een eigen draai geeft aan "Pump Up the Jam" van Technotronic, en de, wat ons betreft, veel interessantere singer-songwriter Helgi Hrafn Jónsson. De laatstgenoemde toerde in het verleden regelmatig als trombonist met Sigur Rós en speelde ook een opgemerkte gastrol op Mothertongue van de New Yorkse componist Nico Muhly. Jónsson, die zijn tijd verdeelt tussen Wenen en Reykjavik, werkte voorts als arrangeur voor onder anderen Damien Rice, Funkstörung, Tom Jones en Ane Brun.

Zijn solocarrière begon in 2005 met het nog wat onvoldragen Glóandi, maar sindsdien is Helgi Jónsson niet stil blijven staan. Zijn belangrijkste troef is zijn warme, wendbare stem die de luisteraar steevast kippenvel bezorgt en vergelijkingen oproept met die van Jonsi Thor Birgisson, Thom Yorke en Jeff Buckley. Ook op For the Rest of My Childhood, verpakt in een mooie, door Alex Somers van Riceboy Sleeps ontworpen hoes, zijn de songs melancholisch van aard, zonder in goedkope tranerigheid te vervallen. Jónsson maakt ideeënrijke folkpop met diepgang: eerlijk, kwetsbaar en afwisselend getrokken door een mijmerende piano ("Ashes Away") of een sobere akoestische gitaar ("Waltz", "Soft Targets"). Soms geven strijkers of statige kopers de liedjes wat extra reliëf, maar met het uptempo "Digging Up a Tree" geeft de zanger aan dat zijn leven zeker niet uitsluitend uit kommer en kwel bestaat. Kort na zijn tweede cd bracht hij de al even fraaie, afwisselend in het Engels en het IJslands gezongen ep Kví Kví uit. Van die plaat, slechts geproduceerd in een gelimiteerde oplage van duizend stuks, gaat een flink deel van de opbrengst naar Amnesty International. Helgi Jónsson was onlangs nog in de AB te zien als onderdeel van de ’Whale Watching Tour’ van Bedroom Community. De Botanique biedt u nu een uitgelezen kans om ook met ’s mans eigen repertoire kennis te komen maken.

Een van de revelaties van het jongste EuroSonicfestival was ongetwijfeld And So I Watch You From Afar, een explosief kwartet uit Belfast dat instrumentale gitaarmuziek maakt. Alleen verzandt die voor de verandering eens níet in de gebruikelijke postrockcliché’s. U weet wel: de langzaam aanzwellende crescendo’s of de luid-stil-luid-stildynamiek die we sinds Mogwai, Mono en Explosions in the Sky al iets te vaak hebben gehoord. Neen, deze Noord-Ieren die vorig jaar debuteerden met een onontkoombare, titelloze cd en toen ook te zien waren op Pukkelpop, springen met hun muzikale erfenis iets inventiever om. Ze verwijzen bijvoorbeeld expliciet naar de hardcorescene van Washington DC én naar de mathrock van Battles, al klinken ze minder intellectualistisch dan hun New Yorkse collega’s. Een andere bruikbare vergelijking is die met Isis, zij het dan uiteraard zonder de brulboei van dat gezelschap.

And So I Watch You From Afar is vooral een verschroeiende liveband: energiek, brutaal, kolkend en meeslepend. De groepsnaam verwijst naar de laatste regel van de brief waarmee de vriendin van gitarist Rory Friers ooit een einde maakte aan hun liefdesrelatie. Ook de titel van de laatstverschenen The Letters EP verwijst naar die pijnlijke episode. Met slechts vier tracks in zestien minuten klinkt de muziek hier gebalder dan op het langspeeldebuut van de groep. Opener "S is for Salamander" flirt met powermetal en ook het ideeënrijke "K is For Killing Spree" geeft aan dat het kwartet meer dan één trucje in de mouw verborgen houdt. Al luisterend heb je het gevoel dat je een ketel kokende olie over je heen krijgt. And So I Watch You from Afar maakt op maandag 12 april zijn opwachting tijdens het Dominofestival van de AB. U moest er al staan.

  • Kevin Coyne:: Marjorie Razorblade, Virgin Records.
  • Kevin Coyne:: I Want My Crown. The Anthology 1973-1980, Virgin Records.
  • Citay:: Dream Get Together, Dead Oceans.
  • Helgri Hrafn Jónsson:: For the Rest of My Childhood, Fast Land.
  • Helgi Hrafn Jónsson:: Kví Kví, Small, Pledge Music.
  • And So I Watch You From Afar, The Letters EP, Small Town America.

E-mailadres Afdrukken
 
COLUMN

Columns:
COLUMN :: Slijpschijf #63
COLUMN :: Slijpschijf #62
COLUMN :: Slijpschijf #61
COLUMN :: Slijpschijf #60
COLUMN :: Slijpschijf #59
COLUMN :: Slijpschijf #58
COLUMN :: Slijpschijf #57
COLUMN :: Slijpschijf #56
COLUMN :: Slijpschijf #55
COLUMN :: Slijpschijf #54
COLUMN :: Slijpschijf #53
COLUMN :: Slijpschijf #52
COLUMN :: Slijpschijf #51
COLUMN :: Slijpschijf #50
COLUMN :: Slijpschijf #49
COLUMN :: Slijpschijf #48
COLUMN :: Slijpschijf #47
COLUMN :: Slijpschijf #46
COLUMN :: Slijpschijf #45
COLUMN :: Slijpschijf #44
COLUMN :: Slijpschijf #43
COLUMN :: Slijpschijf #42
COLUMN :: Slijpschijf #41
COLUMN :: Slijpschijf #40
COLUMN :: Slijpschijf #39
COLUMN :: Slijpschijf #38
COLUMN :: Slijpschijf #37
COLUMN :: Slijpschijf #36
COLUMN :: Slijpschijf #35
COLUMN :: Slijpschijf #34
COLUMN :: Slijpschijf #33
COLUMN :: Slijpschijf #32
COLUMN :: Slijpschijf #31
COLUMN :: Slijpschijf #30
COLUMN :: Slijpschijf #29
COLUMN :: Slijpschijf #28
COLUMN :: Slijpschijf #27
COLUMN :: Slijpschijf #26
COLUMN :: Slijpschijf #25
COLUMN :: Slijpschijf #24
Column :: Slijpschijf #23
Column :: Slijpschijf #22
Column :: Slijpschijf #21
COLUMN :: Slijpschijf #20
COLUMN :: Slijpschijf #19
COLUMN :: Slijpschijf # 18
COLUMN :: Slijpschijf #17
COLUMN :: Slijpschijf #16
COLUMN :: Slijpschijf #15
COLUMN :: Slijpschijf #14
COLUMN :: Slijpschijf #13
COLUMN :: Slijpschijf #11
COLUMN :: Slijpschijf #10
COLUMN :: Slijpschijf #9
COLUMN :: Slijpschijf #8
COLUMN :: Slijpschijf #7
COLUMN :: Slijpschijf #6
COLUMN :: Slijpschijf #5
COLUMN:Slijpschijf #4
COLUMN :: Slijpschijf #3
COLUMN :: Slijpschijf #2
COLUMN :: Slijpschijf #1

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST