Banner

DOSSIER GRUNGE: Waarom "Nevermind" in 1991 revolutionair was

Matthieu Van Steenkiste - 21 september 2011

Er zijn toogdiscussies over te houden. Sommigen blijven volhouden dat het Metallica’s Black Album was dat de mainstream deed vallen voor stevige gitaren. Maar wie een beetje bij zinnen is, weet: het was Nevermind dat de muziekwereld in het najaar van 1991 even op haar grondvesten deed daveren. Niets zou na die 24ste september ooit nog hetzelfde zijn.

Het is moeilijk om met oren van vandaag naar Nevermind te luisteren, en de bom te horen die het twintig jaar geleden was. Maar toch was het dat. Het zegt veel over de muziekwereld anno 1990 dat dit soort luide popmuziek quasi-revolutionair overkwam. Uiteindelijk: we hadden op dat moment al Black Sabbath en Led Zeppelin gehad, punk had schoon schip gemaakt op het einde van de seventies, en begin jaren tachtig kregen we nog een New Wave Of British Heavy Metal op ons bord. Om maar te zeggen: luide gitaren, dat bestond al.

Om het kort samen te vatten: het had lang haar, het stonk een beetje, en als je goed je best deed, kon je doen alsof het er niet was. Dat veranderde al een beetje eind jaren tachtig toen uit Los Angeles een zootje ongeregeld stadions plat speelde. Het aantal ouders dat al eens fronsend keek wanneer "Paradise City" of "Welcome To The Jungle" uit de kamer van zoon lief knalde was behoorlijk groot, maar het was al bij al een beperkt fenomeen; Guns ’n Roses bleef toch vooral muziek voor bikers.

Uiteindelijk was het ook maar potsierlijk tuig; glam metal gone horribly wrong. Op je veertiende kon je er nog voor vallen, zoals ook Iron Maiden op die leeftijd zijn aantrekkingskracht had, maar tegen je zeventiende had je ’t wel gehad met zoveel domheid, groeide je daar uit, en kocht je — we zeggen maar iets — Green van R.E.M.. Zo ging dat ongeveer, als je als doorsnee muziekliefhebber je gitaren wel eens wat snediger kon smaken. En toen kwam Nirvana, en ontstond er kortsluiting.

"Smells Like Teen Spirit" is dan wel een onnozele titel, maar als dat nummer met een riff begint die je bloed spontaan doet koken, en drums mokeren alsof de buren twee betonnen palen de grond staan in te heien, dan denk je daar geen seconde over na. Een zin als "Here we are now/Entertain us" zei ook iets, vertolkte een gevoel dat zich zonder woorden al lang onder je huid had genesteld. Ergens knetterde een vonk, woede had een vertolker gevonden.

Zo moet het ongeveer zijn gegaan.

De droge feiten gaan dan weer als volgt: een gitaarbandje uit Seattle neemt een eerste plaat op voor een lokaal label, een major ziet er wel iets in met het idee "250.000 exemplaren krijgen we van een volgende plaat wel verkocht" en brengt een eerste single uit die onverwachts een gevoelige snaar blijkt te raken. Heavy rotation op het toen nog belangrijke MTV volgt, uiteindelijk zal Nevermind honderd keer meer verkopen dan verwacht.

Een vriend van de Melvins

Ergens had Nirvana dus iets juist. In een tijd waarin de hitparade werd gedomineerd door ééeendagsvliegen uit de Stock Aitken Watermanstal en Madonna en Michael Jackson over hun piek waren, was pop een vies woord geworden. Niemand had Kurt Cobain dus moeten vertellen dat hij popmuziek maakte. Maar dat was het wel: aanstekelijke, van goed meebrulbare refreinen voorziene nummers die met geen drilboor uit je hoofd waren te krijgen. Ze werden begraven onder een stevige laag gruizige gitaren, toegegeven, maar je moest doof en blind zijn om naast de hitgevoeligheid te kijken.

Wie dat alvast niet deed, was Jack Endino, zowat huisproducer van elke Seattleband, en de man die voor het eerst het talent van Cobain in de gaten kreeg. "Eigenlijk kwamen ze uit de marge", zegt hij in de documentaire Hype!: "Aberdeen, een klein stadje een eind weg van Seattle. Op een dag belde ene Kurt me — hij was een vriend van de Melvins vertelde hij me — dat hij wat songs wilde opnemen en of dat bij mij kon. Goed voor mij: wie een vriend van de Melvins is, is mijn vriend. Voor het overige wist ik niet wie hij was, en dat wist niemand. Hij kwam langs, we namen tien songs op in vijf uur, en ik was compleet weggeblazen. Ik heb een kopietje van de opnames gehouden, en dat aan Jonathan van Sub Pop gegeven."

Het vervolg is bekend: Jonathan Poneman tekent Nirvana, een eerste album, Bleach, wordt opgenomen en passeert onopgemerkt. Het zou het vertrouwen van de platenbaas niet schaden. In 1990 verklaart hij nog tegen wie het wil horen — Jack Endino, bijvoorbeeld — dat de band groot zal worden. Cobain zal dat vertrouwen niet beschamen: wanneer ze voor de release van Nevermind bij major Geffen kunnen tekenen, trekken ze Sub Pop mee in het bad: zelfs op In Utero zou nog het logo van het indielabel staan.

Sleutelkinderen

Niettemin was het onverwacht dat Nevermind een hit zou worden: langharige jongens in gescheurde jeans waren niet aan de orde van de dag, "alternatief" was in platenfirmamiddens een omfloerste manier om "onverkoopbaar" te zeggen. Maar dat veranderde dus allemaal met de release van "Smells Like Teen Spirit". Omdat het niet te negeren popmuziek was, maar ook omdat het plotseling ook ergens over mocht gaan.

Op een vage manier dan. Cobain zong geen heldere betogen op zijn Bono’s, maar zijn op het eerste gezicht nonsensicale teksten klikten op een onderbewust niveau met hele horden tieners die groot waren geworden in de kille, harteloze eighties. Die een wereld hadden gekend waarin de dreiging van de Bom nog maar net was weggedeemsterd, en geld nog de enige God leek. Het was een cynische, vereenzaamde bende, waar Cobain aan appelleerde; kinderen van de eerste generatie die lustig aan het scheiden sloeg, van tweeverdieners die hun kroost de sleutel onder de mat toevertrouwden. Dat "Here we are now/entertain us" klonk in hun verbitterde oren maar al te juist: iets stond al lang op barsten, en "Smells Like Teen Spirit" was het ventiel.

Natuurlijk waren er al veel goeie gitaargroepen, lang vóór Nirvana, in de Amerikaanse underground, maar het was pas toen de storm Nevermind was langs geraasd, dat de dijken braken: plots ontdekte het grote publiek bands die tot dan in het schemerduister opereerden. Mede-Seattlebands als Melvins of Mudhoney, bijvoorbeeld, maar net zo goed Soundgarden of Alice In Chains, die eerder dan Nirvana op een major label een sluimerend bestaan leidden. Plots stonden ze allen in hel daglicht, knipperend met de ogen.

Rammen maar

In één ruk veranderde Nevermind ook het idee van een liveshow. Meer en meer waren grote optredens in de jaren tachtig immers verworden tot zorgvuldig geregisseerde spektakels. Nirvana, en in zijn kielzog Pearl Jam en anderen, deden daar niet aan mee. Drie of vier — af en toe eens vijf, maar dan werd het al rap bombastisch gevonden — man kreeg je op het podium, de lichtshow was basic, en voor de rest: rammen maar. Voor het eerst in tijden werd een concert opnieuw een gebeurtenis; iets waar het toeval en andere onbeheersbare factoren, zoals de grillen van de artiest, essentieel waren.

"Je hebt groepen die zich gewoon entertainers voelen", vatte Endino het samen: "ze hebben een truukje, een gimmick, en ze geven je een goeie show. Andere groepen rocken je gewoon uit je schoenen. Er is een groot verschil, en dat is waarom bands uit Seattle live soms wisselvallig durfden zijn: ze staan er niet om te entertainen, maar om te rocken. Hun beste optredens zijn als ze zichzelf amuseren, niet als hun act klopt. Ze hébben immers geen act."

Het beste bewijs voor zijn stelling is misschien wel de puike Live At Reading-dvd van Nirvana. Je ziet hoe ze op zijn drieën nauwelijks dat grote podium vullen. En toch gebeurt er iets. Het gaat naar de essentie. Het is die zin voor zuiverheid die mee de basis legde voor de hele Unplugged-hype, maar die ook memorabele momenten televisie opleverde. Denk maar aan de versie van "Smells Like Teen Spirit" die Nirvana in Top Of The Pops — televisioneel muziekmonument der televisionele muziekmonumenten — bracht: tegendraads, vol zelfspot, geen-zak-gevend-om-het-belangrijke-moment.

Uiteindelijk zou Nevermind in januari 1992 Michael Jacksons Dangerous van de nummer één-plaats in de Billboard Hot 100 schoppen. Het was het guillotinemoment van deze revolutie: de oude meesters waren niet meer, de toekomst bood enkel nog chaos. En zo was het goed. MTV, muziekfestivals, jongerenradio, … het zou nooit meer hetzelfde zijn. Punk mocht dan vijftien jaar oud zijn, het was pas in 1991 dat het de mainstream definitief in haar greep kreeg.

De gevolgen gaan verder dan die ene eerste plaats van "Smells Like Teen Spirit". Het veranderde het festivalleven grondig (kunt u zich nu nog voorstellen dat Herman Schueremans ook vandaag nog zou denken: "’Allemaal goed en wel, dat jong geweld, maar ik heb een gerespecteerd artiest als Robert Palmer of Peter Gabriel nodig als headliner"?), het opende de radio voor verregaander experiment (zonder Nirvana geen dEUS op de radio in 1994), en het katapulteerde meer dan één band naar grote podia die hij nooit had gedacht te kunnen bestijgen. Zonder Nevermind zou dat nooit gebeurd zijn.

Revolutionair noemen wij dat.

E-mailadres Afdrukken
 
DOSSIER GRUNGE: Waarom "Nevermind" in 1991 revolutionair was

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST