Banner

De heerlijke futiliteit die rockjournalistiek heet

Matthieu Van Steenkiste - 23 juli 2008

Eigenlijk is het simpel en zijn er twee soorten muziekliefhebbers: diegenen die bij het horen van een plaat een gitaar vastnemen, en zij die op tijd beseffen dat ze dat niet kunnen en dan maar over de muziek beginnen te schrijven. Een kunst apart, maar ook die wordt soms met veel passie bedreven. Een overzicht van het mooiste dat op het vlak van rockjournalistiek in de lage landen verscheen, is te vinden in De beste muziekverhalen van 1945 tot nu.

Het op één na leukste aan rockmuziek (toegegeven: het luisteren is meestal nog net iets beter) is toch wel dat fenomeen dat rockjournalistiek heet; dat hele conglomeraat van al dan niet bevlogen liefhebbers die zich met veel sérieux op al die muziek storten en daar met veel omhaal iets over proberen te zeggen. Of een manmoedige poging ondernemen om de maker van al die fijne muziek iets zinnigs te ontlokken. Waarbij dan abstractie moet gemaakt worden van het feit dat veel artiesten interviews geven veel minder serieus nemen en het liefst van al een hoop onzin zitten te vertellen (en als het even kan in elk interview iets anders), het liever over iets anders hebben (voeten, bijvoorbeeld) of gewoonweg onmogelijk zijn. Of het ergste nog: ongeacht de vraag zo zacht en zo snel mogelijk het van buiten geleerde lesje opdreunen of een cliché als “it really is the music, màààn”. Of: “het kan me niet schelen welke interpretatie de luisteraars geven aan mijn teksten. Wie ben ik om hen uit die illusie te halen?” En -- de grootste leugen van allemaal -- “I don’t know where my music comes from, man; it’s beyond me!”.

Aanstellerig

De echt legendarische rockjournalisten mogen dan altijd uit het buitenland afkomstig zijn geweest (Al Aronowitz, Greil Marcus, Julie Burchill, Lester Bangs, …), ook heel wat Belgische en Nederlandse journalisten smeten zich van bij het begin op het genre. In het lijvige De beste muziekverhalen van 1945 tot nu -- het soort boek dat je aan uit High Fidelity ontsnapte muzieknerds cadeau doet -- geeft samensteller Leon Verdonschot een overzicht.

Eerst en vooral: De beste muziekverhalen van 1945 tot nu is geen boek dat je leest om over bepaalde artiesten te lezen. Daarvoor schiet het boek te veel richtingen uit; van een godvergeten schlagerzanger over Rammstein naar een vergeten Nederlands rockbandje en weer terug naar Bono. En alle tussenliggende stadia. Dit is voor mensen die graag over muziek lezen. Alle mogelijke muziek. Gewoon: een goed stuk dat lekker leest en je misschien een beetje nieuwsgierig heeft gemaakt naar de muziek. Want dat moet goeie rockjournalistiek doen.

Zo verschillend als metalcore van kale singersongwriterij is, en alle mogelijke schakeringen die daartussen bestaan, zo verscheiden zijn de rockjournalisten zelf ook. Er is natuurlijk het typevoorbeeld: de man die zich ster van zijn eigen stukken waant en er nadrukkelijk in rondbanjert. Serge Simonart bijvoorbeeld, die zijn medewerking niet wilde verlenen aan dit boek. (Verdonschot: “Hij wilde niet gebloemleesd worden met andere auteurs.”) Er zijn voorbeelden te over. Zo steelt oorjournalist Herman van der Horst de show door Rammstein tijdens een interview een idee voor een nog ziekere show aan de hand te doen. Heerlijk stuk, maar veel over de band leer je er niet van. Maar er zijn genuanceerdere varianten: Marc Didden die een handrem voor Bob Marley Jamaïca moet binnensmokkelen, Erik Timmerman die met Bono de sauna in mag.

Dan heb je natuurlijk de schrijver voor wie een recensie niet meer dan een podium is om verbaal met de spierballen te rollen. Wanneer Humo’s (pdw) een nieuwe Prince fileert is dat vooral een mooie gelegenheid om het ene bon mot na het andere te lossen, niet zonder echter de essentie uit het oog te verliezen: “het is vooral de afwezigheid van uw zo vaak geroemd vermogen tot grensverleggen en baanbreken dat mij teleurstelt.” Of er is de emo-journalist voor wie een nauwe band tussen zijn gemoedsgesteldheid en de plaat die voor hem ligt nodig is. “De halfjaarlijkse depressie is goed en grondig aan het invreten”, stelt Jan Donkers vast, maar gelukkig vond hij redding in Neil Young’s After The Goldrush en een melodramatische recensie. Achteraf gezien moet hij er in een voorwoord de woorden “aanstellerig”, “om aandacht bedelend” en “verachtelijk individu” voor uit de kast halen. Nogal hard van de man, want zijn oorspronkelijke tekst was een pareltje. (En eerlijk? We beginnen ons nu al bezorgd af te vragen hoe wij binnen dertig jaar zullen terugkijken op bepaalde van onze teksten.)

Je hebt natuurlijk ook de studaxen, die rockmuziek even ernstig nemen als een cantate van Bach en er met evenveel sérieux over schrijven. In hun pennenvruchten zag Verdonschoot geen graten. Begrijpelijk, want literatuur levert het zelden op. Muziek die met een brede grijns wordt afgeleverd, moet ook zo besproken worden. Zoals de geniepigaards die begrip veinzen voor een zelfingenomen ster. Als een prof die op het examen elk fout antwoord met een breed “jazeker” beaamt, geeft hij geen tegengas voor de belachelijke grootspraak van pakweg Brainpower, ontmaskert hij door enkel maar met grote ogen te luisteren en weer te geven: “Wij doen wat de politiek niet lukt. Dat is een feit.” Altijd weer lachen.

Eén ding hebben rockmuziek en rockjournalistiek alvast zeker gemeen: iedereen begint als amateur, en ook wie dat niveau nooit ontstijgt wil het blijven doen: of het nu in een cafébandje, op een blog, op Werchter of in een grote krant is. En sommigen blijven ook terecht in dat circuit van websites en kleine blaadjes, maar ontroeren door hun enthousiasme. “Ik kan me niet voorstellen dat er een grindhond bestaat die dit een kutplaat vindt”, juicht Aardschokschrijver Steven Smegma over Neuropathia’s Satan Is A Cunt en je begint stiekem al nieuwsgierig te worden naar een schijf die een mens doet schrijven: “voilà, daar is je erectie! Neem een schone onderbroek mee.”

Maar rockjournalistiek kan ook akelig gemakkelijk gemakzuchtig naar een formule teruggrijpen: herkenbare verhalen met een begin, een midden en een eind. Misschien is het dat dat Peter van Bruggen wilde aantonen toen hij een fictief interview met de volledig verzonnen Ben Jerome publiceerde (Mét bijhorende recensie van diens debuut om het helemaal geloofwaardig te maken). Het is een strenge wake-up call als journalist om niet in de vastgeroeste stramienen te vallen, maar andere wegen te zoeken. En dat is niet gemakkelijk, zo merk je keer na keer als je met de deadline in de nek toch maar weer voor de gemakkelijkste oplossing kiest.

Missioneringswerk

En toch is het diezelfde rockjournalistiek die de ogen en oren kan openen; die een jonge lezer naar The Smiths doet zoeken omdat Damon Albarn de naam laat vallen in een interview, die zorgt dat Wire herontdekt wordt door mensen die zich afvragen wat die groep toch is waarvan Elastica alle baslijnen zou gepikt hebben. Het is enkel in een goeie bespreking dat een omschrijving als “Sixteen Horsepower live op een verregend podium op de nachtbraderij in Marcinelles” een “dat moet ik horen!”-reactie kan ontlokken. En hoe dat alles samen dan zin geeft om zelf te gaan schrijven. Elke achttienjarige muziekliefhebber heeft minstens één keer geprobeerd een recensie te schrijven om zijn vrienden van een groep te overtuigen.

Het is missioneringswerk, dat bespreken, dat interviewen: want de wereld moet en zal overtuigd worden van de schoonheid van deze of gene obscure parel. En dat de schrijver gelijk heeft, dat betoogt hij met gloed binnen de vier muren van zijn recensie. Daarbuiten wacht meestal de ontnuchtering als hij onder ogen krijgt wat dat grote publiek écht koopt. Maar dan nog kan hij zich troosten met de gedachte dat er tenminste een paar muziekliefhebbers hebben geluisterd: zolang de liefde voor muziek gedeeld is, is het al lang goed. En sterren worden ze meestal toch niet, de echte helden. Die vind je plots compleet misplaatst terug op een braderij in Emmen, zoals het Townes Van Zandt overkwam. Of Aereogramme dat plots een Duits minifestivalletje mag headlinen, om maar eens iets uit ons eigen archief boven te spitten.

Het stelt dus allemaal geen bal voor, al dat gepassioneerd geschrijf. En toch is het oh zo fijn om te doen, nog fijner om te lezen. Terwijl het land uiteenvalt, het Midden-Oosten een wespennest blijft en China met gulle hand en een blind oog voor mensenrechten Afrika naar zijn hand zet, blijven wij dus rustig bezig met rockjournalistiek. Tegenover het bredere kader is het een futiliteit, maar wel een heerlijke futiliteit.

E-mailadres Afdrukken
 
De heerlijke futiliteit die rockjournalistiek heet
http://www.uitgeverijcarrera.nl/
www.uitgeverijcarrera.nl

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST