Banner

Best Of: Chris Cornell

Bart Van Put en Hans Rombaut - foto's: Paul Lorkowski - 31 januari 2019

Geef toe: meestal zijn ze uw geld niet waard, die verzamelaars van uw favoriete groep die u in de winkel vindt. De platenfirma denkt dat enkel singles in aanmerking komen en een artiest zelf is ook al zelden goed geplaatst om eigen werk te beoordelen. Tijd dus dat het eens aan professionals wordt overgelaten, en wie beter dan een team kenners van enola om maandelijks de vijftien beste tracks van een artiest te selecteren. Deze maand: het beste van Chris Cornell.

1. Jesus Christ Pose

De discussie over het ultieme Soundgarden-nummer zal wellicht nooit helemaal beslecht worden -- tenzij in een gigantisch bloedbad -- maar “Jesus Christ Pose” is zonder twijfel een héél grote kanshebber. Nagelnieuwe bassist Ben Shepherd distilleerde, na doelloos op zijn instrument rammen, een riff waaruit een collectieve jamsessie volgde en voor iedereen het wist was de basis voor het nummer gelegd. Het is een van de weinige songs die door de volledige groep is gecomponeerd en dat hoor je meteen: van de bijna waanzinnige drumpartij tot de jankende gitaren, de moordende groove en vlammende uithalen van Cornell. Die zit quasi heel het nummer aan de top van zijn register, maar toont met sprekend gemak zijn vocale flexibiliteit. Oh, en mocht u zich afvragen waarover het gaat: Cornell schreef de tekst toen hij zijn buik vol had van het al te opzichtige Jezuscomplex van grote rocksterren (meerbepaald Perry Farrell van Jane’s Addiction had daar een flink handje van weg). Check trouwens zeker nog eens de videoclip. Veel meer nineties wordt het nooit.
Hoogtepunt: 3’50”. Het moment dat het nummer de dieperik induikt, om vervolgens de klim naar de climax in te zetten… Man, dat is echt ZO! FUCKING! BEESTIG!

2. Black Hole Sun

Een Gretch gitaar, een rotaryspeaker en vijftien minuten tijd. Meer had Chris Cornell niet nodig om Soundgardens meest atypische en tegelijkertijd populairste song te schrijven. En waar populaire songs meestal een herkenbaar thema hebben, vond “Black Hole Sun” zijn oorsprong in een uiterst onbelangrijk radiobericht over een zonsverduistering. Cornell goochelde wat met woorden die op papier weinig betekenis hebben, maar binnen het psychedelische karakter van het nummer volstrekt logisch klinken. Zet daar een catchy melodie en wat uitwaaierende akkoorden onder en de Beatlesvergelijkingen volgden als vanzelf. Terechte wereldhit!
Hoogtepunt: 0'15''. "In my eyes, indisposed" en dan dat druppelende gitaartje… Nooit klonk onzin zo aanstekelijk.

3. Like A Stone

”Waar wacht je dan op?” vroeg Brad Wilk aan Cornell, wiens antwoord luidde: “de dood”. En zo werd “Like A Stone” een verrassend duistere tweede single voor Audioslave dat, na “Cochise”, onterecht de stempel Rage Against The Machine 2.0 had gekregen. Cornells woorden schetsen de doodswens van iemand die nog niet de moed bijeenraapte om er actie rond te ondernemen, maar het is de band die dat beeld pijnlijk accuraat kracht bijzet. De desolate intro, ambigue akkoordprogressie en vooral die snijdende Tom Morello-solo voorzien het nummer van een filmische kracht. Audioslave zou nooit meer de nagel zó hard op de kop slaan.
Hoogtepunt: 2'44''.”Aloooooone,” kreunt Cornell, waarna Morello overneemt met een van de meest gierende gitaarsolo’s die hij ooit speelde. Prachtig een-tweetje.

4. Hunger Strike

Temple Of The Dog ging een tussendoortje zijn, meer niet. Cornell had het verdriet om de dood van zijn vriend Andrew Wood in enkele nummers uitgeschreven en wou ze graag opnemen. Covers van Wood’s band Mother Love Bone waren uitgesloten, omwille van de pudeur van lijkenpikkerij, dus trommelde Cornell enkele bevriende muzikanten op voor een schrijf- en opnamesessie. Stone Gossard, Jeff Ament (die samen met Wood nog in Green River had gespeeld) en Mike McReady waren vrij: zij waren nog volop bezig om hun band Mookie Blaylock vorm te geven. Een surfer uit LA genaamd Eddie Vedder was die week auditie komen doen en hij bleef na de repetities wat rondhangen. Toen hij hoorde dat Cornell moeite had met de vele lage noten in “Hunger Strike” -- een nummer dat als vullertje ergens middenin de plaat moest belanden -- nam hij zonder veel nadenken de dichtstbijzijnde microfoon vast en vulde de gaten in die Chris moest laten vallen. Eén take later was Hunger Strike een duet en voor Eddie het wist, was het nummer opgenomen. Vedder had zichzelf nog nooit op tape gehoord. De rest is geschiedenis (net als die belachelijke bandnaam Mookie Blaylock).
Hoogtepunt: 0’00”. Een van de meest iconische gitaarriffs uit de jaren negentig. Geschreven door Chris Cornell, uitgevoerd op de stratocaster van Mike McReady. Ik krijg er elke keer weer spontaan een ruitjeshemd van.

5. Slaves And Bulldozers

Wie niet weet waarom Soundgarden de ‘metalband van de grungegeneratie’ werd genoemd, moet maar eens naar dit bijna zeven minuten durende sludgerockbeest luisteren. De riff is moddervet, ultralaag en zompig met hoge, dissonante uithalen. De solo klinkt dan weer alsof Thayils gitaar een sonische beroerte krijgt. Daarbij komen nog het dodelijk accurate, pompende drumwerk van Matt Cameron en het on-waar-schijn-lijke vocale stuntwerk van Cornell. Het is ongetwijfeld zijn finest hour als vocalist: de meest rauwe, ongepolijste zangprestatie uit zijn carrière die hem moeiteloos bevestigde als een van de sterkste frontmannen van zijn generatie. Toen de drie overgebleven leden van Rage Against The Machine in 2000 maar geen zanger konden vinden, liet Rick Rubin hen dit nummer horen en Audioslave was geboren. Zeventien jaar later speelde het hervormde Soundgarden dit nummer als afsluiter van hun set in Detroit. Het zou, zonder dat ze het beseften, het laatste nummer zijn dat de band ooit speelde.
Hoogtepunt: 6’28”. De laatste uithaal van Cornell is meteen de zwaarste. Van zo’n intense oerschreeuw gaat je haar na bijna dertig jaar nog altijd overeind staan. Jongens toch….

6. I Am The Highway

Een lang aanslepende vechtscheiding, een alcoholverslaving, de uiteindelijke beslissing om zichzelf te laten opnemen in een afkickcentrum,... De opkomst van Audioslave mocht dan gepaard gaan met een desastreuze persoonlijke crisis voor Cornell, het leverde de nieuw samengestelde rockband een break-up song voor de eeuwigheid op. “I am not your rolling wheels / I am the highway” gaat het, en het zou nooit beter tot zijn recht komen als op Cornells eigen livealbum, Songbook, uit 2011. Akoestisch en ontdaan van het gepolijste mainstreamrockgeluid, krijgt het nummer daar de breekbaarheid die het verdient.
Hoogtepunt: 1'56''. “I put millions of miles under my heels / And still too close to you I feel”. Af van de drank en de sigaretten, levert Het Fenomenale Strot nog eens verwoestend uit.

7. The Day I Tried To Live

Superunknown is niet alleen de grote commerciële doorbraak (9 miljoen verkochte exemplaren) en het artistieke hoogtepunt van Soundgarden, het is ook de donkerste en meest persoonlijke plaat van de band en van Cornell in het bijzonder. “The Day I Tried To Live” wordt daarom vaak gezien als een zelfmoordnummer (zeker na zijn dood), iets wat de zanger altijd heeft ontkend. In een interview met Rolling Stone in ’95 verklaarde hij: "The Day I Tried to Live" means more like the day I actually tried to open up myself and experience everything that's going on around me as opposed to blowing it all off and hiding in a cave.” Met die jankende, bijna wanhopig agressieve gitaren lijkt het evenwel alsof dit een cri de coeur is van een hopeloos verdwaalde ziel. Niettemin één van de strafste nummers op Superunknown.
Hoogtepunt: 4’43’’. “… Just like you”. Want Cornell bezingt niet enkel zijn eigen strubbelingen, maar houdt je ook een spiegel voor. En die is niet mooi.

8. The Keeper

”Beauty and truth collide / Where love meets genocide / Where laughter meets fear”. Geschreven voor Machine Gun Preacher, een biopic over een ex-crimineel die Zuid-Sudanese kinderen uit de klauwen van terroristen houdt, werd “The Keeper” een van de laatste uitingen van Cornells lyrische meesterschap. In een kleine vier minuten vertelt hij het verhaal van een held die -- gezien zijn afkomst en verleden -- niet zeker is of hij die titel wel kan claimen. De songwriter putte hierbij inspiratie uit zijn eigen leven, dat bij momenten geteisterd werd door existentiële twijfel en een verpletterend schuldgevoel. Dat elk portret dat men schildert in de eerste plaats een zelfportret is, had hij hier perfect begrepen.
Hoogtepunt: 0'42''. “And before I let one more fire go out / Understand that I won’t give one inch of ground / From beneath yours and my feet / Whatever the price happens to be / I may not be the keeper of the flame / But I am the keeper”. Een ongemakkelijke waltz tussen vastberadenheid en nederigheid.

9. Ty Cobb

Niet elk Soundgarden-nummer is een langgerekt pseudo-metalepos. Neen, soms is het gewoon een korte, stevige punkuppercut. “Ty Cobb” gaat over een zuipende, koppige, kwaaie idioot, en klinkt ongeveer hetzelfde. Hoewel het constant lijkt alsof het nummer van de rails dreigt te daveren, houdt het wonderwel zijn power en focus. Komen daar nog zo’n heerlijke overstuurse country-riedel en een paar mandolines bij kijken (hoe ze het geflikt hebben is een raadsel) en het geheel draait als een tierelier. Het is een van de laatste opstoten van ongebreideld speelplezier die Soundgarden tentoonspreidde op het véél te serieuze Down On The Upside, vooraleer de band er het bijltje bij neerlegde.
Hoogtepunt: 2”51. Na een kort rustpuntje waar die dekselse mandolines de bovenhand nemen, vindt drummer Matt Cameron dat het welletjes is geweest en jaagt er een beest van een drumfill door, waarna de hele zwik een laatste keer helemaal ontploft.

10. Rusty Cage

Misschien wel het Soundgarden-nummer met de meest bekende riff, en hij klinkt dan nog alsof hij uit een walkietalkie komt. Geschreven door Cornell na moedwillig prutswerk met een wah-wah pedaal en scheve gitaarstemmingen, maar zo catchy als luizen op een kleuterschool. Want ondanks al het geëxperimenteer, is dit een dijk van een rocknummer dat voortdendert op een heerlijk cruisend tempo (een beter nummer om in de zomer op uw moto rond te scheuren bestaat er niet) en Cornell, die heel de tijd knal op zijn sweet spot staat te zingen. En dan wordt er geëindigd met die weergaloze tweede helft, waar alles de dieperik inknalt en het een headbangfeest wordt waar je nauwelijks op kunt headbangen (echt waar, probeer het maar eens). “Rusty Cage” mag dan al op gevorderde leeftijd zijn, het is nog steeds het grootste feestvarken onder de Soundgarden-nummers
Hoogtepunt: 2’50”. BREAKDOWN!!!!

11. Loud Love

Oud werk is misschien niet altijd even opwindend als een band op zijn hoogtepunt, maar de eerste twee albums van Soundgarden blijven boeiende luisterstukken. Zo is “”Loud Love” een mooi voorbeeld van hoe een band nog beïnvloed is door zijn grote idolen, maar ook al serieuze stappen zet in het zoeken naar een eigen identiteit. De riffs zouden nog zonder problemen op Sabbath Bloody Sabbath kunnen staan en Cornell klinkt als een jonge Robert Plant ten tijde van de eerste Led Zeppelinplaten. In de intro hoor je al Kim Thayils voorliefde voor gitaarexperiment ontluiken en ook het zoeken naar ongewone ritmepatronen krijgt meer focus. Eigenlijk is “Loud Love” gewoon een topstonernummer, nog voor broekies als Kyuss met die sound aan de haal gingen.
Hoogtepunt: 0’30’’: Een gitaarfeedbackintro van een halve minuut die de spanning opdrijft, en dan die eerste noten van die geweldige Sabbath-riff. En Tony Iommi, hij zag dat het goed was.

12. Sweet Euphoria

Soundgarden was al naar de verdoemenis en Cornells huwelijk met manager Susan Silver zou snel volgen. De zanger sukkelde in een depressie maar zou zich er, met de fles in een hand en een gitaar in de andere, doorheen worstelen. Zo werd solodebuut Euphoria Morning een verwerkingsplaat, vol grimmige ironie en cathartische mijmeringen, met als sterkste moment het akoestische niemendalletje “Sweet Euphoria”, waarin Cornell definitief zijn hand losrukt uit die van zijn oude liefde en met voortschrijdende passen de toekomst tegemoet gaat. “Death for Jesus and plastic armies / Wouldn't bring me back again”. Eat your fucking heart out, Susan.
Hoogtepunt: 2'36'''. Die laatste “save my love”. In een uiterst ingetogen liedje, is daar dan toch het klassieke Cornell-belts-it-out-moment.

13. Fell On Black Days

Na “The Day I Tried To Live” is dit nog zo’n donker nummer uit Superunknown waar velen de voortekenen van Cornells vroegtijdige dood in zagen. Maar ook hier bedriegt de schijn: “Fell On Black Days” beschrijft de irreële vrees om alles kwijt te raken wanneer het eindelijk op rolletjes loopt. Cornell had er een leven van drugsverslavingen, armoede en sociaal isolement opzitten, en had mentaal moeite om zich aan te passen aan de relatieve welstand en stabiliteit die het succes van Soundgarden hem bracht. Niettegenstaande de emotionele onrust die dit nummer uitstraalt, is het een van Cornell’s sterkste vocale prestaties van de plaat. Rustig, gecontroleerd, bijna soulvol in de strofes, om vervolgens zijn orkaan van een stem weer helemaal los te laten. Menslieveheer, wat een fantastische zanger was me dit toch…
Hoogtepunt: 3’17”: “I sure don’t mind a change”. De schreeuw om rust in het hoofd komt duidelijk vanuit het diepst van zijn ziel.

14. Say Hello 2 Heaven

Veel tijd om te rouwen was er niet geweest. Mother Love Bone vocalist Andy Wood was net overleden en boezemvriend Cornell zat al met Soundgarden op een vliegtuig naar Europa. Daar aangekomen, gebruikte de frontman de tijd naast het podium om een ballad in Woods nagedachtenis neer te pennen. Dit zou echter een stijlbreuk betekenen met de nummers die Soundgarden aan het schrijven was voor Badmotorfinger. En aangezien niemand anders in de band Wood had gekend, besloot Cornell om “Say Hello 2 Heaven” op te nemen met Stone Gossard en Jeff Ament -- twee bandleden van Mother Love Bone -- onder de naam Temple Of The Dog. Het werd de treurige maar tegelijkertijd explosieve opener van hun gelijknamige album, waarin Cornell de grenzen van zijn stembereik opzoekt en daarmee menig andere rockvocalist in zijn hemd zet.
Hoogtepunt: 5'31''. In het laatste refrein gaat Cornell de stratosfeer tegemoet. Een ongeziene en ongeëvenaarde zangprestatie.

15. Nothing To Say

Vanop hun allereerste EP uit 1987 (uitgebracht door Sub Pop in 1990 in combinatie met hun tweede EP) biedt “Nothing To Say” een interessante kijk op zowel het prille Soundgarden-geluid als op de vroege evolutie van de muziekstijl die later de wereld veroverde als grunge. Het is het eerste nummer waarin geëxperimenteerd wordt met de lagere gitaartonen -- iets wat Kim Thayil had geleerd van The Melvins frontman Buzz Osborne -- die de stijl van Soundgarden zouden bepalen en heeft een duidelijke Oosterse/psychedelische invloed. Veel meer Sabbath zullen ze nooit meer klinken, maar het blijft een ontzettend leuk nummer.
Hoogtepunt: 2’30”: “NOTHING!”, schreeuwt/piept Cornell. Iemand moet duidelijk zijn stem nog meer onder controle zien te krijgen, maar het belooft alvast…

E-mailadres Afdrukken