Banner

John Zorn

Triomf van de gulzigheid

Guy Peters - 22 november 2006

In de beperking herkent men de meester. Bah. Het zijn woorden waar we steeds minder in geloven. Het credo is ook niet besteed aan John Zorn. De vraag die zich dan stelt, is in hoever zijn onoverzichtelijke vloed aan platen te verkennen, laat staan te verteren valt. Makkelijk is het niet, maar wie wil nog makkelijk?

Van "pretentieuze platenkakker" tot "de enige relevante componist van de voorbije dertig jaar", het zijn labels die het voormalige enfant terrible van de Newyorkse avantgarde al te verduren heeft gekregen. Vijfentwintig jaar geleden leek Zorn voorbestemd om een bestaan te leiden in de marge, maar een ongekende werkethiek en eindeloze vloed aan projecten hebben ervoor gezorgd dat de muzikant/componist nu wordt beschouwd als een innoverend en belangrijk artiest binnen de jazz, de experimentele muziek én talloze tussenvormen. De meter staat niet stil: allmusic.com toont een discografie van meer dan honderd titels, terwijl uitgebreidere biografieën, die ook ’s mans activiteiten als sessiemuzikant/producer meetellen, gewag maken van meer dan tweehonderdvijftig albums.

Anno 2006 staat Zorn stevig aan het hoofd van zijn eigen label (Tzadik), wordt hij beschouwd als het boegbeeld van de Amerikaanse experimentalisten en is hij opgenomen in de MacArthur Fellowship, zowat de hoogste waardering die een kunstenaar te beurt kan vallen. Het ironische is dat dit alles werd bereikt met een visie die meer conventionele kunstenaars als een kamikazevlucht zouden beschouwen. Zoals David Bither ooit schreef, is luisteren naar Zorns muziek vergelijkbaar met het kijken naar een kameleonrace in een verfpot. Een trip door zijn oeuvre is een moeilijke, soms zelfs hachelijke zaak (enkele albums zijn rotslecht of onbeluisterbaar), al wordt dit ruimschoots gecompenseerd door het besef dat er je als luisteraar altijd iets uitzonderlijks te wachten staat.

Vroege jaren: game pieces en eerbetonen

Zorns First Recordings toont hem als een abstract geluidsdenker, bezeten door musique concrète en vroege elektronische muziek. Van jazz, laat staan de neoklassiek die later een integraal deel van z’n werk zou worden, is dan nog geen sprake: het gaat om collages van gevonden en gemanipuleerd geluid, aurale diarree die concepten als melodie, ritme en harmonie volledig negeert. Die verstoorde muzikale grammatica is ook terug te vinden op zijn eerste albums (Lacrosse, Pool, Hockey, Archery), beter bekend als de game pieces. Het zijn oefeningen in gestructureerde improvisatie, waarbij op voorhand enkele basisregels werden afgesproken, die vervolgens door Zorn aan zijn muzikanten werd opgelegd. Het resultaat: anti-muziek, die ondanks z’n onvoorspelbaarheid snel resulteert in wurgende monotonie.

Interessanter zijn de eerbetonen, waarbij Zorn zich niet enkel liet leiden door muzikale helden als jazzicoon Ornette Coleman en componisten als Ennio Morricone, Bernard Herrmann en Carl Stalling (die de muziek voor de Looney Tunes maakte), maar ook door pulpliteratuur en film. Zo werd Spillane een muzikale tegenhanger van noir detectives. Op deze albums gaat Zorn tekeer als een onvermoeibaar theoretisch denker en postmodernist, die met de ideeën van Morricone & co. een loopje neemt. De muziek wordt afgebroken tot het niveau van de bouwstenen om vervolgens een radicaal verschillende opbouw te krijgen. Zorn de saxofonist treedt geleidelijk meer op het voorplan: met The Classic Guide To Strategy nog als acoliet van Anthony Braxton, daarna steeds aggressiever, spelend met hard bop en free jazz.

Japan, geweld, hardcore

Eind jaren tachtig richtte Zorn zijn meest beruchte project op: Naked City, een terreurgezelschap waarmee hij enkele obsessies vertaalde in de ultieme postmoderne muziek. Spy Vs. Spy, zijn furieuze eerbetoon aan Ornette Coleman was al een indicatie, maar met Naked City wist Zorn vriend en vijand te verbijsteren. De muziek laat zich best omschrijven als een ritje in een achtbaan voor psychopaten: hardcore punk, free jazz en filmmuziek gaan de strijd aan met elkaar, terwijl er daarbovenop nog eens wordt geflirt met populaire muziek als country en surf. De albums, waarvan de lay-out en sfeer herhaaldelijk verwijst naar pornografie/SM en geweld (het stuk Leng Tch’e is genoemd naar gruwelijke martelpraktijken), zoals in het werk van filosoof/romanschijver Georges Bataille, zijn brutaal, hilarisch, en geschift.

Met deze band zou Zorn ook nog de zwarte romantiek en ambient verkennen, maar de "hardcoreminiaturen" (kabaalerupties van vaak minder dan twintig seconden) kregen de grootste nalatenschap. Naked City kreeg ook nog een humorloze bastaardbroer: Painkiller. Dit trio (Zorn, bassist Bill Laswell en Napalm Death-drummer Mick Harris) slaagde erin bizarre geluidsterreur te creëren die zo mogelijk nog extremer was: sufmokerende baslijnen, schreeuwende sax en drumslagen die het einde der tijden aankondigden op releases als Guts Of A Virgin en Buried Secrets. Muziek voor volk dat geen genoegen nam met death metal.

Masada

In 1993 kwam Zorn op de proppen met Kristallnacht, een muzikale recreatie van een van de donkerste hoofdstukken uit de twintigste eeuw. De plaat was ook het begin van Zorns Radical Jewish Culture-serie. De exploratie van zijn Joodse roots zou de erop volgende jaren vrij spel krijgen. Zorn schreef een hoop songs bij elkaar en verzamelde drie superieure muzikanten rond zich. Met dit kwartet nam hij tien studioalbums op tussen 1994 en 1997, die allen balanceren tussen de free jazz van het klassieke kwartet van Ornette Coleman en exotische geluiden uit de Oosteuropese volksmuziek en klezmer. De albums zijn stuk voor stuk energieke kruisbestuivingen, maar het is bovenal een band met een superieure live-reputatie. Wie hen deze zomer bezig zag op het Blue Note Festival zal de overdonderende mengeling van kracht, schoonheid en pure speelgoesting niet licht vergeten.

Het duurde niet lang of Zorn ging het Masada Songbook ook gebruiken in andere contexten: de muziek werd herschreven voor strijkers (The Circle Maker), kamerensembles (Bar Kokhba) en een meer rockgeorienteerde richting (Electric Masada, wat ertoe leidde dat het oorspronkelijke kwartet Acoustic Masada werd). Masada is nu nog steeds het populairste van Zorns projecten.

Filmworks

Niet lang na het verschijnen van The Big Gundown, kreeg Zorn het aanbod de muziek te verzorgen voor een film van dertig minuten. Het was het begin van een serie soundtracks (een genummerde serie Filmworks) die in de meest uiteenlopende contexten aan bod zou komen, en ook onderling een verbijsterende diversiteit aan de dag leggen. Zo is Volume 5: Tears Of Ecstasy een verzameling songs van zestig seconden die de vloer aanveegt met het originele idee van The Residents (Commercial Album), Volume 7: Cynical Hysterie Hour een spastische oefening in cut & paste voor Japanse animatiefilms, Volume 14: Hiding And Seeking een bloedmooie soundtrack bij een documentaire over een Poolse familie op zoek naar haar roots, en het meest recente deel, Volume 18: The Treatment, gemaakt voor een komische film.

Geen grenzen

En daar houdt het niet op. Het zijn slechts labels die het een liefhebber makkelijker kunnen maken Zorns werk te categorisen (iets dat de man in de over hem gemaakte documentaire –- A Bookshelf On Top Of The Sky (2004) —onthaalt op walging). Er zijn talloze eenmalige projecten en releases die niet onder een noemer te vatten zijn. Een limiet op zijn artistieke vrijheid lijkt Zorn niet te dulden, en net daardoor is het zo verbijsterend vast te stellen hoeveel van zijn albums de tand des tijds moeiteloos lijken te doorstaan. Tegenover elk minder geslaagd project staan minstens drie tot vier albums die beluistering na beluistering kunnen doorstaan. Zelfs met een kritische ingesteldheid kunnen twee dozijn albums weerhouden worden die tot het beste behoren wat er de voorbije twee decennia is verschenen.

Het meest opmerkelijke is het gemak en de virtuositeit waarmee Zorn al deze projecten en stijlen weet te combineren. Toen hij vorige maand carte blanche kreeg op het Jazz Pulsations festival in Nancy, trakteerde hij het publiek op een solo performance, een optreden van Acoustic Masada én een dondersessie met Painkiller. In september 2003 was de Newyorkse Knitting Factory een maand lang de locatie van Zorns vijftigste verjaardag, en dertig dagen na elkaar kregen projecten een platform: de ene dag ging het om strijkkwartetten, de dag erna over solo of duo performances, gevolgd door shows van Zorns bands. Elf van de shows werden intussen uitgebracht door Tzadik, en samen zijn ze getuige van de immensiteit van Zorns talent en zijn kwaliteiten als componist, arrangeur én muzikant.

De vijf

Het centrale probleem bij de discografie van Zorn is waar te beginnen. Hieronder volgen enkele suggesties, achterpoortjes om de wereld van Zorn te verkennen. Het zijn niet noodzakelijk de vijf beste albums, maar ze behoren wel tot de puurste voorbeelden binnen enkele van zijn uitlaatkleppen:

The Big Gundown (1985) - Afbraak en opbouw. Tien stukken van Italiaanse meester Ennio Morricone, nu eens herkenbaar, dan weer radicaal getransformeerd. Ironisch en opzwepend, van Beethoven tot Clint Eastwood, van de harmonica van Toots Thielemans (!) tot het kippenvelgejank van Diamanda Galas.

Naked City (1989) - Het geweld. Een muilpeer in het gezicht van de Martini-jazz. Vijf Amerikaanse avantgardehelden en een op hol geslagen Japanse krijser. "Batman", een cover van Ornette Colemans "Lonely Woman" en zoveel ideeën per minuut dat andere bands ervan konden leven: Mr. Bungle en Fantômas zijn er slechts twee van.

Masada: Live In Middelheim (1999) - De passie. Het kwartet verkent ongekende hoogtes, gaat zich te buiten aan van de pot gerukt gekwetter en doet zich te goed aan intense melancholie. Energiek als punkrock en zalvend als de muziek van Eric Satie. Eén van de beste jazzalbums sinds de free jazz-golf van de 60s, en dan ook nog eens opgenomen in uw achtertuin.

Filmworks 14: Hiding And Seeking (2003) - De schoonheid. Mysterieus, sensueel én toegankelijk. Exotica met bezwerende zang, heupwiegende ritmes en vibrafoon. Opgenomen door de bezetting van Electric Masada, met de wonderbaarlijke Mark Ribot op akoestische gitaar.

Astronome (2006) - De waanzin. Voorlopig beter bekend als Moonchild, Pt. 2, en het meest recente project van Zorn, die componeerde, maar niet meedoet. Een driedelige opera voor psychopaten, gespeeld door drummer Joey Baron, bassist Trevor Dunn en Mike Patton op de top van z’n kunnen. Een album voor de durvers, een werkstuk van een monsterlijke intensiteit.

John Zorns "Moonchild" staat op 28 november in de AB.

E-mailadres Afdrukken
 
John Zorn

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST