Banner

Drang nach Osten

David Bowie op weg naar Berlijn

Marc Goossens - 14 november 2017

Zomer 1976. David Bowie gaat in zelfgekozen ballingschap in West-Berlijn, een halve stad met meer verleden dan heden, laat staan een toekomst. Uitgerekend daar en dan, wanneer punk de muziekwereld beheerst, maakt hij met Brian Eno en Tony Visconti twee platen die bepalend worden voor hoe muziek klinkt ná de punk.

Maar voor het zover is, moet hij schoon schip maken in zijn privéleven en afrekenen met de demonen die hem belagen in Los Angeles. Vandaag vertellen we over wat er gebeurde in het jaar vóór Bowies Berlijn-periode, want het is net deze voorgeschiedenis die bepalend is voor de platen die hij zal maken in de toenmalige West-Duitse enclave.

Talking through the gloom

Zoals de Duitse hoofdstad vandaag voor veel fans de mythische plek is waar Bowie zijn beste werk maakte, zo is ook het Berlijn van de jaren twintig en dertig voor Bowie altijd de stad geweest van zìjn helden en voorbeelden. Dat een culturele veelvraat, die zich voor zijn eigen werk vaak en graag laat inspireren door anderen, hier ooit zou opduiken is dus geen verrassing. Het is dan ook verleidelijk om de “Grote Trek” van Bowie te verklaren vanuit zuiver artistieke of nostalgische ingevingen. Toch is het niet dàt Berlijn waarmee hij een jaar eerder, in 1975, in zijn hoofd zit.

De eerste concrete aanleiding om naar Europa te verhuizen is zelfs veel prozaïscher: ondanks de hits en de megatournees is Bowie nagenoeg blut. Inkomsten genoeg, maar hij wordt gepluimd door Tony Defries, de man die nochtans zijn belangen zou moeten behartigen. Bowie gaat op zoek naar fiscaal asiel, en komt zo terecht in Zwitserland. Niet dat hij daar meteen veel tijd doorbrengt, maar zijn centen zijn er toch net iets veiliger voor de grijpgrage handen van zijn malafide manager, de fiscus en andere filisters.

Meer nog dan een financiële kwestie, is het vertrek uit Los Angeles een zaak van lijfsbehoud. Fysiek hebben drugs en zware tournees hun tol geëist, maar ook mentaal is hij ver heen. Naar de buitenwereld toe houdt hij de schijn op, maar in zijn verduisterde flat in L.A. verdiept hij zich in het occultisme, de Kabbala en de theosofie. Hij wil zelfs in het voetspoor treden van beruchte nazi’s als Heinrich Himmler en op zoek gaan naar de Heilige Graal. “Talking through the gloom,” zo zal hij deze periode een jaar later omschrijven op Low.

Loving the alien

Regisseur Alan Yentob kan voor zijn documentaire Cracked Actor dan ook geen beter voorbeeld kiezen om de gevaren van de roem te illustreren dan de fragiele (nauwelijks veertig kilogram, schoon aan de haak), verwarde en aan cocaïne verslaafde Bowie. Cineast Nicolas Roeg ziet de beelden van een paranoïde Bowie die in een kramp schiet als hij een politiesirene hoort, en beseft dat hij de man heeft gevonden die gestalte moet geven aan Thomas Jerome Newton, het buitenaardse hoofdpersonage in zijn film The Man Who Fell To Earth.

De prent wordt opgenomen in de zomer van 1975. Het is een break die deugd doet. Omdat hij de geboden kans om eindelijk werk te maken van zijn acteurscarrière niet wil verknoeien, leidt hij een – naar zijn normen – gedisciplineerd bestaan. Tussen de shoots doodt hij de tijd door in zijn camper te schrijven aan The Return Of The Thin White Duke, een autobiografische tekst waarin hij de kronkels van zijn getroebleerde geest in kaart probeert te brengen.

Gelukkig heeft Bowie ook nog andere, gezondere obsessies. In New Mexico denkt hij na over zijn muzikale toekomst. Sinds hij voor het eerst Autobahn van Kraftwerk hoorde, heeft hij zich gestort op de Duitse Kosmische Musik -- later gemeenzaam krautrock genoemd. Hij neemt zich voor een “Europees album” te maken. Een vaarwel van het oosten aan het westen, moet het worden.

Maar wanneer hij thuiskomt in L.A., pikt hij de draad van het overmatige druggebruik weer op. De opnames van Station To Station verlopen in een waas. De coke laat hem toe sessies te draaien die soms langer duren dan een etmaal, maar Bowie kan achteraf amper navertellen hoe de plaat tot stand is gekomen. Van dat kille, Europese geluid komt ook weinig in huis. Hij heeft een dry mix in gedachten, maar uiteindelijk speelt hij toch op veilig en doet hij te veel toegevingen aan de wetten van de commercie.

Note to self

“Golden Years” wordt de hitsingle, maar dé reden om Station To Station in huis te halen is de tien minuten durende titeltrack. “Op veel van mijn platen staat wel een song die aangeeft wat ik ga doen op de volgende,” zegt Bowie in 2001. Dit is zo’n song. “Station To Station” begint met het geluid van een vertrekkende stoomtrein. Een hommage aan Kraftwerk, zou je denken (hun Trans Europe Express moet evenwel nog verschijnen), of een verwijzing naar het nomadische bestaan van een rockster. De titel is echter bedoeld als metafoor voor de kruisweg van muziekmessias Bowie, die tijdens zijn klim naar de top van statie naar statie strompelt.

In de nogal hermetische tekst passeren occulte auteurs, Bowies bizarre obsessies en zijn cocaïneverslaving de revue. Maar opvallender is “The European canon is here,” het intrigerende, cryptische zinnetje dat in het laatste stuk van de song steeds terugkeert. Bowie: “Dat was vooral een boodschap, gericht aan mezelf: pak je boeltje en maak dat je hier wegkomt, vóór het te laat is.”

Voeg bij dit alles nog de hoesfoto van Station To Station en de puzzel is compleet: die toont Thomas Jerome Newton terwijl hij de capsule betreedt waarmee hij wil terugkeren naar zijn thuisplaneet. Ook voor Bowie is het dan zonneklaar waar zìjn thuis is in het heelal: op het oude continent.

Loving the Aryan

Op 2 februari 1976 begint het Amerikaanse luik van de Isolar-tour. Dat hij nog steeds hot is, blijkt uit de vele bezoekjes van beroemdheden die hem komen fêteren na de shows. Onder hen zelfs een bejaarde Christopher Isherwood, de auteur van de door Bowie verslonden Berlijn-romans Goodbye To Berlin en Mr. Norris Changes Trains. Een andere gast kondigt zijn komst aan met een schuchtere klop op de hotelkamerdeur: Iggy Pop; hij zal Bowie vergezellen tot aan het einde van de tour en nog lang daarna.

Naar verluidt vraagt Bowie aan Kraftwerk of zij het voorprogramma willen verzorgen. De Duitsers zeggen vereerd te zijn, maar bedanken beleefd. Wel geven ze de toestemming om hun “Autobahn” te spelen voor het begin van de concerten, als soundtrack bij beelden uit een surrealistische film van Luis Buñuel en Salvador Dalí.

De theatrale, peperdure decors van de Diamond Dogs-tournee laat hij deze keer achterwege. Bowie kiest voor lichtbakken met wit, fluorescerend licht tegen een zwarte achtergrond. Als toeschouwer geeft het de indruk dat je naar zwart-wit beelden kijkt van vóór de oorlog, maar de hele setting doet soms – gewild of ongewild – ook denken aan de massabijeenkomsten van de nazi’s in Neurenberg.

De sinistere, kille Thin White Duke, Bowies nieuwe stage persona, zal de geruchten over zijn fascinatie voor het Derde Rijk alvast niet wegnemen. Er zit dan wel een flink stuk Thomas Jerome Newton in, er zijn ook voldoende visuele en vestimentaire knipogen naar de onfrisse jaren dertig om van de Arisch ogende Duke zijn meest controversiële alter ego te maken. In Amerika komt hij er nog mee weg door de Duke een romantische antiheld te noemen, iemand met bevroren gevoelens. In Europa zijn de tenen echter langer, zoals hij gauw zal ondervinden.

Want Hitler de eerste popster uit de geschiedenis noemen, verklaren dat Groot-Brittannië nood heeft aan een dictator of betrapt worden aan de Russische grens met een stapel nazilectuur in je bagage, dat doe je natuurlijk niet ongestraft. Wanneer hij aankomt in Londen en vanuit zijn zwarte Mercedes-met-open-dak naar zijn fans zwaait, zien veel journalisten daar ten onrechte – maar niet onlogisch – een Hitlergroet in.

A new career in a new town

Gelukkig komt het einde van de tour snel in zicht. Na het laatste concert, in Parijs, kan hij aan een nieuw hoofdstuk beginnen. In Chateau d’Hérouville, niet ver van de Franse hoofdstad, neemt hij in juni met Iggy Pop The Idiot op en begint hij meteen daarna aan Low, zijn muzikale vaarwel van het oosten aan het westen. Voor de afwerking verhuist hij even later naar West-Berlijn, waar hij na de voltooiing van de plaat ook een tijdje zal blijven.

Voor Bowie voelt het voor een stuk als thuiskomen. Als jongeman dweepte hij met de expressionistische schilders van Die Brücke, met de films van Fritz Lang en Robert Wiene en met de romans van Isherwood. Daardoor heeft er altijd een soort Berlijn bestaan in zijn geest. Of dat Berlijn ook overeenkomt met het echte Berlijn, is niet belangrijk; wat telt is dat hij er de inspiratie en de motivatie uit put om terug te keren naar het begin, naar de jonge Bowie van vóór de grote successen, de beginnende artiest die nog niet schuilging achter zijn alter ego’s.

Natuurlijk behoren drank, drugs en feestjes niet helemaal tot het verleden, maar net zo goed bezoekt Bowie -- al dan niet in het gezelschap van Iggy Pop -- een museum of een galerij, of blijft hij dagenlang thuis om te lezen, te schrijven of te schilderen. Hij probeert te leven (en er zelfs uit te zien) als Fritz Modaal, doet voortaan zijn inkopen zelf en verplaatst zich met de fiets of met het openbaar vervoer door de stad. De ontmoetingen met en de verhalen van de Berlijners zullen hem uiteindelijk ook genezen van zijn – al dan niet vermeende – nazi-fixatie.

In West-Berlijn wordt David Bowie met andere woorden weer even David Jones. Het is precies dat wat hij in die fase van zijn carrière en van zijn leven nodig heeft: een kleine stap terugzetten, om daarna eens zo grote sprongen voorwaarts te kunnen maken, te beginnen met Low.

E-mailadres Afdrukken