Banner

ANNEE 67 : Scott Walker

Scott (1967)

Nout Van Den Neste - 05 oktober 2017

Vijftig jaar geleden ontpopte 1967 zich stukje bij beetje als een wonderlijk muziekjaar. Klassieker na klassieker uit de muziekgeschiedenis zag het levenslicht en ook in de schaduwen daarvan krioelde het van het leven. Daarom brengt enola.be het hele jaar door een eerbetoon aan dat gezegende ANNEE 67.

Toen Scott Walker (née Scott Engel) in 1967 zijn eerste soloalbum Scott uitbracht, waren hijzelf en Engeland nauwelijks bekomen van het fenomeen dat The Walker Brothers was. Met monsterhit “The Sun Ain't Gonna Shine Anymore”, zijn dramatische stem en zijn goeie looks hadden Walker en zijn band (geen broers) vele meisjesharten gebroken, met hysterische taferelen op hun concerten als gevolg. Met Scott sloeg Walker geen compleet andere weg in – de bombastische productie bleef – maar hij vond wel langzaamaan zijn eigen stem als zanger en als songschrijver.

Wat op dit eerste soloalbum van Walker onmiddellijk opvalt, is de toeters-en-bellen-productie van John Franz en de gezwollen orkestrale arrangementen van Wally Stott. Tegelijk is het ook duidelijk dat Walker als zanger zijn eigen stem gevonden heeft. Luister bijvoorbeeld naar de opener, zijn Engelstalige versie van Jacques Brels “Mathilde”. De verschillen tussen zijn versie en de oorspronkelijke van Brel zijn frappant. De versie van Brel is opmerkelijk zachter: de sprankelende piano en strijkers begeleiden hem, zijn stem zweeft bijna boven het ritme en hij vertelt zijn verhaal van een bijna sadomasochistische relatie gestaag maar vastberaden. Walkers versie daarentegen klinkt harder met schelle trompetten, een militair marsritme en Walkers bombastische, bijna operatische stem die triomfantelijk boven de muziek uittorent. Het contrast tussen tekst en muziek wordt hier op scherp gezet.

Walkers fascinatie voor Jacques Brel begon op groteske wijze: Walker was namelijk aanwezig op de opening van een Playboy Club. Daar ontmoette hij een Playboy bunny die fan van Jacques Brel was en hem meenam naar haar kamer, waar ze naar Brel luisterden en zij de teksten voor hem vertaalde. Kort daarna ontmoette Walker een producer die toevallig op dat moment enkele demo's van in het Engels gezongen Brel-nummers had gekregen, vertalingen die Walker vervolgens heeft overgekocht. Zijn volgende platen Scott 2 en Scott 3 zouden beide Engelstalige bewerkingen van Brel-nummers bevatten.

Naast “Mathilde” staan er op Scott nog twee andere covers: “My Death” (“La Mort”) en “Amsterdam” (“Dans Le Port d'Amsterdam”), die laatste een min of meer Engelstalige kopie van het originele nummer met Walker, die de tekst op dramatische wijze perfect vertolkt. Walkers “My Death” klinkt zwaarder, neergeslagen en heeft niets maar dan ook niets met de speelsheid van Brels versie vandoen. Subtiel kan je de Phil Spector aandoende productie en de dikke lagen strijkers nauwelijks noemen, maar Walkers dramatische, meeslepende zangpartij staat nog altijd als een huis.

De Brel-bewerkingen mogen qua productie dan wel een kniebuiging zijn voor wat in die tijd gangbaar was, de keuze om Brel te coveren was dat in meer dan één opzicht dan weer niet. Brel had tekstueel een bijzondere voorkeur voor nummers die de zelfkant van de samenleving beschreven en die in combinatie met alle andere donkere nummers op dit album compleet haaks staan op het optimisme en de flowerpower/hippiebeweging die op dat moment aan de gang was. Bovendien wist Walker maar al te goed dat dit album vooral door dezelfde tienermeisjes die de concerten van The Walker Brothers aan flarden schreeuwden, zou gekocht worden. In de context van zijn tijd was Scott dus een ernstige bocht naar links.

De keuze voor Brel was eigenzinnig, aangezien Brel van Europa kwam. Op een moment dat Walkers muzikale generatiegenoten allemaal hun hoofden draaiden richting de VS, maakte de uit Ohio afkomstige Walker een compleet tegenovergestelde beweging met zijn fascinatie voor muziek, film en literatuur uit Europa. Als er dan toch naar de VS werd gekeken, dan waren het op dat moment wat uit de mode geraakte crooners en jazzstandards, zoals op het eerder door Tony Bennett gezongen “When Joanna Loved Me”. De waarheid is natuurlijk dat Walker gewoon het CD&V-partijprogramma zou kunnen zingen en dat ons dat nog altijd ganzenvel zou geven, maar hier draperen de strijkers zich zo mooi rond Walkers stem die de droefheid van het nummer perfect vertolkt. Met de bombastische finale even weggedacht, had Walker met nog elf van dit soort nummers zonder twijfel zijn eigen In The Wee Small Hours Of The Morning kunnen maken.

Van hetzelfde zijdezachte laken een pak zijn jazzstandards “You're Gonna Hear From Me” (eerder al door Bill Evans gebracht) en “Through A Long And Sleepless Night” (u misschien bekend in de versie van Etta Jones of Sarah Vaughan), twee nummers die tonen wat voor een topzanger en -vertolker Walker is. Eigenlijk valt dit album ruwweg uiteen in drie soorten nummers: de drie Jacques Brel-covers, covers van andere artiesten en evergreens en drie door Walker zelf gecomponeerde nummers: “Montague Terrace (In Blue)”, “Such A Small Love” en “Always Coming Back To You”. Het zijn die laatste die de kiemen in zich dragen voor de richting die Walker later in zou slaan.

Walker begon nummers te componeren toen er B-kantjes nodig waren voor de singles van The Walker Brothers. Daar kon hij ongestoord zijn gang gaan en zijn eigen stem vinden. Ook in interviews gaf hij aan dat geld voor hem geen drijfveer was, wel interessante nummers en platen maken en zich als artiest verder ontwikkelen. Naast Brel en crooners als Bennett en Frank Sinatra werd Walker ook beïnvloed door existentialistische en absurdistische literatuur (zo bevatten de liner notes van zijn album Scott 4 een quote van Albert Camus) en Europese arthousefilms van bijvoorbeeld Ingmar Bergman, over wiens film “The Seventh Seal” hij met het gelijknamig getitelde nummer op Scott 4 zou schrijven.

Pas op Scott 4 leek Walker genoeg vertrouwen te krijgen in zijn eigen schrijfkunsten om een volledig album aan zelfgecomponeerde nummers te wijden. Ondanks het succes van zijn eerste drie soloalbums was het echter een zodanige flop dat hij nadien een resem albums heeft uitgebracht met kleffe covers en dito arrangementen om zo snel mogelijk van zijn platencontract af te komen. Het was pas met het experimentele Walker Brothers-reüniealbum Night Flights uit 1978 en het nog experimentelere soloalbum Climate Of Hunter uit 1985 dat Walker zijn volgende creatieve stappen heeft gezet richting de losgeslagen, postmoderne avant-garde waar hij vandaag de dag bekend voor staat.

Het nummer “Montague Terrace (In Blue)” is in dat opzicht niet alleen een absoluut hoogtepunt, maar ook een eerste, bittere voorsmaak van de groteske nachtmerries die op Walkers meest recente albums Bish Bosch (2012), The Drift (2006) en Tilt (1995) te vinden zijn. Aan het begin van dit nummer beschrijft Walker een stille kamer 's nachts waar alleen de bovenbuur te horen is: “His bloated belching figure stomps / He may crash through the ceiling soon”, een tekstflard die enigszins doet denken aan de beschrijving van de Mussolini-figuur in het nummer “Clara” uit The Drift. In een andere kamer ligt dan weer een meisje de liefde te bedrijven. De hele tekst is een zintuiglijke beschrijving van decadentie (“the scent of secrets everywhere”, “your eyes ignite like cold blue fire”) die op elk moment als een droom stuk kan gaan. De rijkelijke productie (wéér die strijkers) neemt wat van de sluimerende dreiging van dit nummer weg, maar de beelden en Walkers prachtige melodie compenseren ruimschoots.

“Always Coming Back To You” is een door Walker gecomponeerde crooner waarvan openingszin “What was it like when we were young” de toon zet voor een nummer vol valse nostalgie en oudemannensentiment. Het past perfect binnen het album, maar meer dan een goede emulatie van zijn croonervoorbeelden is dit niet. “Such A Small Love” is net zo dramatisch, maar hier zijn de strofes spannend en, voor een keer, ingehouden met roffelende drums en een onheilspellend keyboardriedeltje. Op zich niet verkeerd, maar beide nummers staan in de schaduw van “Montague Terrace (In Blue)”.

Scott is ondanks zijn tekortkomingen (de overdadige productie, het gebrek aan samenhang in de nummerselectie) in meer dan één opzicht een interessant album. Je moet het maar durven natuurlijk, zo'n donker, zwaarmoedig album uitbrengen net aan het begin van de flowerpowertijd, voor een publiek dat in die tijd vooral uit schreeuwende tienermeisjes bestond. Scott was van zijn vier solo Scott-albums misschien wel het album waarop Walker zich als zanger en crooner het meeste kon ontplooien en zijn manen kon tonen. Scott laat in al zijn dramatiek en melancholie de eerste kiemen zien van de grootste, tegendraadse artiest die hij de dag van vandaag geworden is.

E-mailadres Afdrukken