Banner

The Portuguese Connection (2015), Pt. 1

Drie internationale kwartetten

Guy Peters - foto's: Vera Marmelo - 28 september 2015

Het was geen crush van de laat-alles-halsoverkop-vallen-soort, maar een spontane sympathie die overging in een comfortabele vertrouwdheid en gestaag uitgroeide tot een steeds dieper genestelde liefde. Ja, de moderne Portugese freejazz en vrije improvisatie heeft intussen ons hart gestolen. Dat, gecombineerd met het feit dat de voorbije maanden een schier eindeloze stroom goede tot geweldige platen opleverden, leidde ertoe dat we er meteen een weekevenement van gemaakt hebben. Inderdaad: vijf dagen lang leiden we u langs een uitgebreide selectie Portugees moois. Vandaag: drie bijzondere kwartetten waarvoor enkele locals de hulp inhuurden van een paar buitenlandse kleppers.

Lissabon, Porto en Coimbra zijn dan wel de steden met de ronkende namen en de boeiendste festivals, maar het lijkt wel alsof de wedergeboorte die zowat samenviel met de opstart en de expansie van het Clean Feed-label zich nu laat voelen op (inter)nationaal niveau. Was de Portugese scene tot voor de jaren negentig een vrij gesloten wereld met relatief weinig in het buitenland bekende muzikanten, dan is de huidige een broeihaard van nieuw talent. En ze treden er zelfverzekerd naar buiten. De jongste generaties zijn actief en productief, betrokken bij labels en podia, voortdurend in de weer met het uitproberen van nieuwe constellaties en ze gaan ook steeds vaker de samenwerking aan met buitenlandse collega’s. Die lijken op hun beurt ook steeds meer hun weg te vinden naar het land -- en Lissabon in het bijzonder -- en gaan gretig in op de uitnodigingen.

Luís Lopes gebruikte voor zijn Humanization Quartet een Amerikaanse ritmesectie en deed het met een Duitse op zijn recentste knaller, The Line. Trompettiste Susana Santos Silva ging al een paar keer de hort op met ‘onze’ De Beren Gieren, wat onder andere leidde tot het uitstekende onthaalde The Detour Fish. Het RED Trio bracht de voorbije jaren al albums uit met figuren als John Butcher, Nate Wooley, Mattias Ståhl en het Poolse duo Gerard Lebik en Piotr Damasiewicz. Rodrigo Amado -- intussen uitgegroeid tot een voortrekker -- strikte op zijn beurt een hele resem buitenlanders voor zijn concerten en albums met Lisbon Improvisation Players en vulde zijn Motion Trio aan met kleppers als Jeb Bishop en Peter Evans. Op 1 oktober wordt ook Matthew Shipp aan dat lijstje toegevoegd in Lissabon, al zal het concert in De Singer (vrijdag 2 oktober), de eerste passage van de band in België, eentje van het reguliere Trio zijn. Maar zoals u eerder al kon lezen, heeft dat trio niet eens gasten nodig om uit te halen met even intense, prachtig vervlochten improvisatie.

In dit eerste deel bundelen we drie kwartetten die voor minstens de helft uit niet-Portugezen bestaan:

Rodrigo Amado, Joe McPhee, Kent Kessler & Chris Corsano - This Is Our Language (Not Two Records)

Deze opname uit 2012 laat Amado horen in het gezelschap van drie Amerikaanse zwaargewichten. In 2006 vormde Amado al een trio met bassist Ken Kessler en drummer Paal Nilssen-Love op Teatro, maar het is de eerste keer dat ze nu samen met Joe McPhee en Chris Corsano te horen zijn. Dat zou je nochtans niet zeggen, want This Is Our Language baadt al net zo sterk in een sfeer van vertrouwdheid en wederzijds respect als de vorige releases van Amado met het Motion Trio of zijn Wire Quartet. Het verschil is dat deze plaat vermoedelijk iets nauwer aansluit bij het beeld dat de gemiddelde luisteraar heeft van freejazz. Al viel dat al af te leiden uit de titel, een verwijzing naar This Is Our Music, het klassieke album van Ornette Coleman.

Opener “The Primal Word”, een stuk zonder Corsano, laat meteen horen hoe vanzelfsprekend de muzikanten elkaar weten te vinden. De combinatie van Amado’s tenorsax en McPhee’s altsax is soulvol, harmonieus, vanzelfsprekend. Dit is geen wedstrijd of robbertje vechten, maar een muzikale conversatie die zich geduldig en lyrisch ontvouwt, als een samenkomst van twee oude vrienden. Er zit een moment van blues in, wat gehuil en een staccato motiefje, maar het is vooral een dialoog van gelijkgezinden die vrij is van opgelegde structuur. De natuurlijke flow van This Is Our Language is dan ook een van de kerntroeven. Hier wordt niet per se op een climax gemikt of alles vol gespeeld zodat elk z’n waarde zou kunnen bewijzen. Stukken als het titelnummer en afsluiter “Human Behavior” ronden af zonder vertoon of poeha. Dat kan als elk z’n zeg gedaan heeft.

Toch steken de vier soms ook het vuur aan de lont. Was de drummer de afwezige in de opener, dan is hij in het titelnummer degene die een paar minuten voor zichzelf krijgt. Eerst met eigenaardige, zingende wrijfklanken (een strijkstok over een trommel?), daarna met een knetterende solo die zijn imponerende controle over het detailspel aantoont. Vervolgens: vurig samenspel, met opvallend elastisch spel van McPhee (op pocket trompet deze keer) en een ontketende Amado. Memorabel moment naar het einde, wanneer de trompettist zijn sputterende klanken laat overgaan in rauwe zangklanken. In “Theory Of Mind (For Joe)” is de veteraan dan weer degene die even een stapje opzij zet. Hier valt op hoe hecht het samenspel van Amado en Corsano is, terwijl de komst van Kessler na een duopassage voor een knoert van een boost zorgt.

“Ritual Evolution” laat dan weer het kwartet horen in z’n meest grillige, abstracte gedaante. Dit vloeit er niet meer uit in een soepele beweging, maar in losse gulpen en druppels, vol kleine geluidjes, een gestreken bas, met trompet en sax die rond elkaar lopen te stuiteren en paraderen als een stel nukkige haantjes. Al mondt het uiteindelijk toch uit in een weerbarstige climax vol repetitieve schreeuwen en een haast majestueuze impact. En zo valt vooral op dat This Is Our Language zelfs in z’n meest tegendraadse en ‘open’ momenten een opvallende focus en coherentie blijft bewaren. Het kwartet speelt op hoog niveau en belandt regelmatig in een onstuitbare voorwaartse beweging, terwijl Amado’s muzikale persoonlijkheid -- die je het altijd gevoel geeft dat er een orkaan op springen staat zonder dat het er brallerig aan toe gaat -- garandeert dat die warme interactie centraal blijft staan.

Zoals reeds gezegd, speelt Rodrigo Amado op vrijdag 2 oktober in De Singer (Rijkevorsel) met zijn ‘working band’, het Motion Trio met daarin ook cellist Miguel Mira en drumfenomeen Gabriel Ferrandini -- zij komen later deze week nog aan bod. Het is de eerste keer dat deze fabuleuze band in België speelt, dus: niet te missen.

Hugo Carvalhais - Grand Valis (Clean Feed)

De stap van Amado naar Carvalhais kan op papier moeilijk groter zijn. Of zo lijkt het toch. Is die eerste de veteraan van Lissabon die er de voorbije jaren een behoorlijke productiviteit op nahield, dan is die van Carvalhais uit Porto eerder beperkt. Met Grand Valis is hij na Nebulosa (2010) en Particula (2012) immers nog maar aan zijn derde album toe. Maar die platen zijn dan wel zo apart dat hij nu al gerekend kan worden tot een van de meest opvallende muzikanten van zijn generatie. Of zoals we al schreven over Particula: “(…) dit is er eentje voor onbevreesde, muzikale avonturiers en doorzetters die weg weten met een minimum aan houvast, maar bovenal laat het ook horen dat moderne geïmproviseerde muziek een knap evenwicht kan vinden tussen structuur en vrijheid (…)”

Waren de eerste twee albums nog opgebouwd rond het trio Carvalhais, pianist Gabriel Pinto en drummer Marco Costa, aangevuld met gasten, dan valt hier geen drummer te bekennen en is violist Dominique Pifarély, die er ook bij was op de vorige plaat, gebleven. Zij krijgen gezelschap van klarinettist en producer Jeremiah Cymerman, die zich met zijn elektronische manipulatie kan laten gaan binnen de postproductie. Klinkt allemaal al behoorlijk excentriek, tot je leert dat het album bovendien geïnspireerd werd door Philip K. Dicks ambitieuze VALIS-trilogie, een metafysische speeltuin die sci-fi naar de uiterste regionen van het bewustzijn, de theologie en filosofie voert. En dat heeft ook zo zijn gevolgen voor de muziek, al is het maar omdat het orgel van Gabriel Pinto hier nadrukkelijk een ‘retro-futuristische ‘ stempel krijgt en al net zo’n opvallende impact heeft als pakweg Matthew Shipps elektronische toetsen op David. S. Ware’s Corridors & Parallels.

Terwijl de toetsen in “Exegesis” ervoor zorgen dat je je in een surreële droomlogica bevindt, zorgt het droge, aardse basspel en de lyrische vioolpartij voor een merkwaardig contrast. Elders duiken onderhuids brommende ingrepen op die herinneren aan Cymermans Sky Burial of word je getrakteerd op kerkorgelgekte (“Logos”) die kan omslaan in een minimalistische sci-fi groove, elektro-akoestische koortsdroom of gewoonweg een maffe kosmische reis onder invloed van hallucinogenen. “Decoding Maya” herinnert je eraan dat het aanvoelt als een transmissie naar een ander zonnestelsel, terwijl er hier en daar hechte passages opduiken die de luisteraar even weer op het juiste spoor zetten. Toch is dit een plaat die zich nooit helemaal laat kennen. Carvalhais en co. hoeden zich voor al te pompeuze effecten; de muziek ademt open en vrij, maar de geluiden zijn resoluut excentriek en onvoorspelbaar, terwijl je als luisteraar nog minder houvast krijgt dan op Particula. Daardoor voelt dit aan als een album waarvoor je je rationele vermogens best uitschakelt, om je vervolgens te laten meenemen op een even raadselachtige als bedwelmende rondleiding door de muzikale fantasie van Carvalhais.

Marcelo Dos Reis, Luís Vicente, Théo Ceccaldi & Valentin Ceccaldi - Chamber 4 (FMR Records)

Ook dit is een bedwelmende plaat, maar dan op een totaal andere manier. Is Grand Valis goed om je te katapulteren naar zones waar Freudadepten de tijd van hun leven beleven, dan beland je bij Chamber 4 op het terrein tussen improvisatie en kamermuziek, maar dan met een twist die zowel aansluit bij een meer pastorale traditie, als het terrein van de drones. Het album sluit natuurlijk ook erg aan bij dat van Deux Maisons, met een line-up die voor driekwart gelijk is. Had je toen ook al de combinatie van Valentin Ceccaldi (cello), Théo Ceccaldi (viool, altviool) en trompettist Luís Vicente, maar dan met drummer Marco Franco, dan wordt die laatste hier vervangen door gitarist Marcelo Dos Reis, net als Vicente bekend van Fail Better!. Dos Reis is ook lid van snaartrio Open Field en een van de mensen achter het recent opgestarte label Cipsela.

Dat het hier anders klinkt dan bij Deux Maisons heeft niet zozeer te maken met het ontbreken van dat ritmische element, want Franco was eigenlijk helemaal geen traditionele drummer die vooral in de weer is met ritme en de maat. Je zou zelfs kunnen zeggen dat dit album ergens toegankelijker is, omdat het sterker inzet op ‘drone’-elementen en daardoor meer ‘vloeit’, ook al duurt dat soms even. In opener “Green Leafs” blijft het lang vrij abstract, krijg je een combinatie van gedempte trompet, grof bepotelde strijkers en prepared guitar, maar er zit een lijn in, een coherentie, een mooi gedoseerde uitwisseling. Maar er komt ook een wending -- iets voor de helft -- waarbij plots alles vertraagt en de vier nauwer bij elkaar schuiven, de trompet een elegie afsteekt en de snaarinstrumenten een gezamenlijke ondergrond creëren die even woelig als statisch is. Een prachtig moment.

“Timber Bells” drijft aanvankelijk op een herhaald gitaarmotief waarop Théo Ceccaldi een serenade afsteekt, terwijl het gitaarspel in het tweede deel assertiever wordt, met krachtig, maar nog steeds abstract gepluk. In het verlengstuk “Some Trees” krijgt dat een overtreffend vervolg, waarbij een laag grommende cello zorgt voor een donkere, onheilspellende sfeer, terwijl viool en trompet elkaar op de hielen zitten. Het gaat er even behoorlijk meeslepend en intens aan toe, met een gitaar die fungeert als rammelende maataangever, maar zelfs in de meest wilde momenten blijft de focus intact, schuift het kwartet vooruit als een massief blok.

In het iets minder grijpbare “Wooden Floor” wordt aanvankelijk weer dichter bij Deux Maisons-terrein aangeleund, maar ook daar treedt een drone-element naar de voorgrond met een gestreken cello die zorgt voor een continue onderstroom. Het tweede deel laat dan weer meer licht toe, ruilt de bijna versmachtende intensiteit in voor een meer ingetogen, haast bedeesde aanpak, met Vicente die ook de overgang maakt van meer traditionele stijl naar een spel met ruisende texturen en geperste lucht à la Nate Wooley. Het afsluitende “Lumber Voices” valt dan weer op door de iele stemmen van Valentin Ceccaldi en dos Reis, die de al ritualistisch klinkende muziek nog sterker naar de hoek van de ceremoniële overrompeling duwt. Het resultaat is een veertig minuten durende droom van een plaat. Vrij, maar coherent; abstract én vloeiend; prikkelend en hypnotiserend. Kerels die bezig zijn aan een prachtig parcours.

Luís Vicente speelt op 30 september in de Hot Club de Gand met Seppe Gebruers en Joã Lobo. Op 3 oktober speelt hij in Studio Grez (Brussel) met Ryoko Ono, Giovanni Di Domenico en Mathieu Calleja.

MORGEN in deel 2: twee nieuwe(re) labels uit Coimbra: JACC Records en Cipsela

E-mailadres Afdrukken
 
Rodrigo Amado (Vera Marmelo)
The Portuguese Connection (2015), Pt. 1

Uit ons archief
Banner

TEST