Banner

Van ''Martha'' naar ''Dave The Butcher''

de muzikale metamorfose van Tom Waits

Gert-Jan Wijnant - 03 december 2013

Veel artiesten durven in de loop van hun carrière al eens een onvoorziene stijlsprong te nemen, maar weinigen deden dat op even drastische en spectaculaire wijze als Tom Waits. Hoe en waarom transformeerde de nachtelijke toogromanticus uit de seventies naar de enigmatische brulbeer die we vandaag kennen als patroonheilige van de experimentele muziek, maar evengoed als een van de allergrootste singer-songwriters?

The Early Years: "going in circles"

Met zijn donkere, jazzy debuut Closing Time profileerde Tom Waits zichzelf in 1973 als het soort muzikant waarvoor het whisky- en sigarettencliché is uitgevonden. De melancholische achterbuurtpianist die zijn hart verloor aan Sinatra, Louis Armstrong, Ray Charles, de beatpoets, Bukowski en Lord Buckley, veroordeeld tot een eeuwig verblijf tussen nicotinedampen en eenzame dronkaards. Die reputatie had hij deels aan zichzelf te danken, en deels aan zijn label Asylum Records, dat in hem potentieel zag voor het helaas al goed overbevolkte folkrock/singer-songwriter wereldje van de vroege jaren zeventig. Aanvankelijk wou de jonge Waits vooral een jazzplaat maken, maar producer Jerry Yester drukte stevig zijn folkstempel. Strijkers en andere arrangementen werden toegevoegd in de hoop te compenseren voor Waits gravelstem om zo een zekere radiovriendelijkheid te behouden. Met succes: “Ol’ 55” werd gecoverd door The Eagles, Tim Buckley deed hetzelfde voor het ondertussen onsterfelijk geworden “Martha”. En zo startte de carrière van Tom Waits: met succesvolle cultaanhang, maar meteen in een zeer duidelijke richting geduwd, deels tegen zijn zin.

Dat hele barfly personage werd op de volgende albums alleen maar meer uitgespeeld. Aanvankelijk succesvol: Small Change uit 1976 evenaart zelfs bijna het niveau van zijn tijdloze debuut, maar tegen het einde van het decennium was het wel duidelijk dat het op meerdere vlakken bergafwaarts ging. De pianocrooner was vastgeraakt in beginnende zelfparodie en greep bovendien zoals het zijn imago betaamde meer dan regelmatig naar de fles. Of zoals hij het zelf verwoordde: "I’d nailed one foot to the floor and kept going in circles, making the same record".

De overgangsperiode

En toen gebeurde het. Ineens gooide Waits na het bluesy Heartattack and Vine (uit 1980) zijn manager, zijn producer en zijn platenmaatschappij Asylum overboord . Verandering was duidelijk op til, maar waar zou dit toe leiden? Na drie jaar kwam het antwoord met het surrealistische Swordfishtrombones, de mijlpaal die zijn muzikale wedergeboorte inluidde: "I hatched out of the egg I was living in". Twee namen komen vaak terug wanneer het om speculeren naar de voornaamste verantwoordelijken gaat: allereerst zijn kersverse vrouw Kathleen Brennan, alsook zijn vriend en collega muzikant Francis Thumm, via wie hij componist Harry Partch ontdekte.

Even ervoor had Waits zijn toekomstige leren kennen terwijl ze beiden werkten voor de geflopte Francis Ford Coppola film One From The Heart: hij verzorgde de soundtrack, zij was scriptgirl. De zeemzoete musicalmuziek die hij toen samen met countrypopster Crystal Gale maakte, is weliswaar genietbaar, maar illustreert vooral een zekere onderliggende uitzichtloosheid. Brennan was hier de Yoko Ono van dienst die de reactie in een radicaal nieuwe richting katalyseerde. Ze stelde hem onder meer bloot aan het eigenzinnige werk van zanger, poëet en all-round weirdo Captain Beefheart, dat een diepe impact had op Waits. Hij bestempelde de ontmoeting met zijn vrouw, met wie hij de komende jaren intensief zou gaan samenwerken, dan ook als dé ommezwaai van zijn leven, zowel op creatief als persoonlijk vlak. Of om Mike Melvoin, keyboardspeler op Nighthawks at the Diner uit 1975, te citeren: "Brennan put a stake through the heart of various things in order to free Waits from his past".

Maar terug naar Beefheart. Als er iets is wat Waits van hem opstak, nog meer dan de mysterieuze kracht van de geschifte avant-garde stukken die de man met zijn Magic Band schiep, was het wel hoe zijn stem als instrument te gaan gebruiken. Waits’ gevoelige croon uit Closing Time was al lang passé en had ondertussen plaatsgemaakt voor zijn typische net-een-zak-roestige-spijkers-weggespoeld-met-een-fles-scotch-grafstem, maar meer dan een vertelmedium was het eigenlijk niet. Door naar de immer experimenterende kapitein te luisteren, durfde hij zijn hele vocale spectrum aan te spreken: hij leerde brullen, blaffen, grommen, … maar ging evengoed hoger of breekbaarder gaan zingen als de situatie daar om vroeg. Superlatieven schieten Waits te kort als hij het over Beefhearts Trout Mask Replica heeft: "The roughest diamond in the mine. (…) Enter the strange matrix of his mind and lose yours. This is indispensable for the serious listener. An expedition into the centre of the earth, this is the high jump record that’ll never be beat."

En dan hebben we Harry Partch. Zijn invloed op Waits vinden we vooral terug in onregelmatige percussie afgeleid van Oosterse en Afrikaanse ritmes, de theatrale grandeur en de bizarre, organisch klinkende geluiden waarvan de oorsprong amper te raden is. Op zich is dat niet verwonderlijk: de extravagante Amerikaanse musicoloog bouwde zelf volstrekt unieke instrumenten voor de uitvoering van zijn tegendraadse composities. Om een idee te geven hoe extravagant: Partch liet vrijwillig een beloftevolle carrière achter zich om als zwerver jarenlang doorheen de States te trekken als zwerver tijdens de Great Depression uit verachting voor de samenleving.

In een gelijkaardig straatje vinden we ook de vroegtwintigste-eeuwse Duitse (theater)componist Kurt Weill, vooral bekend van de moordballade "Die Moritat von Mackie Messer" onder de vorm van het ontelbaar vaak gecoverde "Mack the Knife". Waits zou in dat specifieke nummer vooral aangetrokken zijn geweest door het contrast van de aanstekelijke, opgewekte melodieën met het onsmakelijke verhaal dat verteld werd: een concept dat hij vaak zelf ook zou gaan verwerken in zijn muziek, denk maar aan later werk als “The Black Rider” of “Eyeball Kid”.

De Copernicaanse omwenteling van Swordfishtrombones

Had er tot dan al eens een nieuwe wind gewaaid doorheen het werk van Tom Waits, dan kon dat amper een zwak briesje genoemd worden. De rukwind van Swordfishtrombones sloeg de wegwijzer in zijn muzikale landschap echter volledig om. De bruine kroeg werd verlaten voor een merkwaardig avontuur door een nachtelijke onderwereld waar Hieronymus Bosch het wellicht ook aangenaam vertoeven zou hebben gevonden.

Het album is voor de onvoorbereide luisteraar dan ook een verdomd vreemde, van tijd moeilijk verteerbare zit. De variërende combinatie van de duistere teksten, de absurde brassbandmelodieën, vaak weggemoffeld onder minstens even abnormale percussie (marimba, bellen, potten en pannen) en natuurlijk Waits bariton als kameleon scheppen in elk individueel nummer een sonisch stukje film noir. En niemand kan voorspellen wat nu weer volgen zal: de mars van de fanfare prettig gestoorde halvegaren die hij onder luid gebrul aanvoert, of een pianoballad die de oude fangarde enige gemoedsrust moet bieden.

Maar ook al mag er heel af en toe aan het verleden worden gedacht, één ding was duidelijk: de muziek van Tom Waits zou nooit meer hetzelfde zijn. De vervreemdende, haast carnavaleske instrumental “Dave the Butcher” had niet verder weg kunnen staan van de honingzoete romantiek van pakweg “Rosie” uit zijn debuut. Swordfishtrombones zou de blauwdruk worden van zijn sedert dan hoogst excentrieke, kleurrijke oeuvre: het vormt niet voor niets de scheidingslijn tussen de beteugelde vroege jaren bij Asylum en het experimentele, onafhankelijke era onder het label Island.

Onafgebroken gedaanteverandering

Sinds Swordfishtrombones is er in Waits' werk maar één constante geweest: de aanhoudende drang tot veranderen. De singer-songwriter zou een mythisch, onvatbaar icoon worden, dat zich verscholen houdt achter het masker van allerlei personages, waaronder de jazzy toogfilosoof, de spoken word poëet, de grauwe bluesman, de cabaretier, de Vaudeville circusdirecteur, de gevoelige pianist, de altrocker, de avant-garde theateracteur of gewoon de muzikale mafketel. We zouden deze kunnen proberen vastpinnen op een bepaald album, zoals Frank’s Wild Years (1987), Bone Machine (1992) of Mule Variations (1999), maar zelfs binnen eenzelfde plaat laat Waits vaak zoveel verschillende gezichten zien dat dit een nutteloos werk is. Hij is dan ook altijd een performer in de puurste zin van het woord geweest: hij speelt via zijn karakters met het artificiële aspect van de artiest, op het podium of tijdens interviews is hij aan het acteren of voert hij een stuk theater op.

Critici hebben altijd pogingen gedaan Waits in vakjes te duwen, wat leidde tot bedenkelijke genres als "Post-Beefheartian funeral rock" of "industrial blues". Zijn werk is echter oncategoriseerbaar en elke stempel is een oversimplificatie. Maar ondanks de talloze muzikale vormen en de oneindige personages die hij naar voren bracht – voor zichzelf, maar ook als de protagonisten in zijn sombere liederen -- in essentie is Waits altijd hetzelfde blijven doen: zijn volstrekt uniek versie van blues, jazz en rock brengen om de trieste levens van de randgevallen uit zijn achterbuurtmythologie beschrijven, of het nu zatlappen en hoeren of bloeddrinkende zwarte ruiters en eenarmige dwergen zijn.

Tegen de tijd dat Closing Time een halve eeuw de titel van ultieme toogplaat mag dragen, zal wellicht het volgende boeiende hoofdstuk in de kroniek van Tom Waits toegevoegd zijn, al zal de metamorfose van Swordfishtrombones altijd herinnerd worden als het deel waarmee hij muziekgeschiedenis schreef.

E-mailadres Afdrukken