Banner

John Zorn

What Thou Wilt + Interzone

Guy Peters - 03 januari 2011

Het immense oeuvre en de productiviteit van Zorn is zo enorm dat er nu en dan wel een moment moet komen dat je geconfronteerd wordt met je beperkingen. Intellectueel of anders. De occasionele luisteraar krijgt geen complete grip op de goeroe en ook wij, zelfverklaarde fans (of wat daarvoor moet doorgaan), evenmin. Geen idee wat we bijvoorbeeld met What Thou Wilt moeten aanvangen.

2010, #11 & #12. Het album behoort tot Tzadik’s ’Composer’-reeks (en is de enige van de twaalf releases van 2010), waar ook werken als Chimeras, Mysterium en From Silence To Sorcery toe behoren. Met andere worden: Zorns moderne klassiek, die doorgaans weinig uitstaans heeft met z’n ’Radical Jewish Culture’-uitspattingen (Masada, de Books Of Angels-reeks), de bedwelmende soundtracks of het hysterische kabaal van Moonchild. Het zijn z’n meest formele, en vaak ook meest complexe werken, wat meteen ook een reden is waarom het vooral die albums zijn die aan bod komen in het erg theoretische boek dat vorig jaar over Zorns werk verscheen (John Brackett’s Tradition & Transgression). Taaie kost waarvoor enige bagage onontbeerlijk is.

What Thou Wilt blinkt bovendien uit in incoherentie. Zo bevat het drie stukken die gemakshalve bij elkaar geplaatst lijken, maar zowel qua bezetting als klankenwereld sterk verschillen. Zo werd het voor orkest en vioolsolist gecomponeerde "Contes De Fées" geschreven in 1999, maar werd deze versie in 2009 opgenomen. Het is erg gelaagde en expressieve muziek, waarbij bombastische furie afgewisseld wordt met oorverdovende stilte en violiste Stephanie Nussbaum wel opgejaagd lijkt te worden door dat orkest van twintig strijkers, elf blazers en pianist en een handvol percussionisten. We denken spontaan aan Stravinsky en Schoenberg, en veel verder geraken we helaas niet.

De twee andere stukken sluiten beide aan bij Zorns obsessie met ’"Crowleyana", maar zijn ook sterk verschillend. ".?. (fay çe que vouldras)" is een stuk voor solopiano uit 2005, uitgevoerd door Stephen Drury, dat een verbond sluit tussen ritualisme en schizofrenie, met verwarrende clusteropeenvolgingen, experimenten in de piano en een stream of consciousness-structuur, wat dat ook moge betekenen. Het resultaat: 22 minuten weerbarstigheid. Die wordt dan nog eens gevolg door "777 (nothing is true, everything is permitted)", een razend complex stuk voor drie cello’s dat vertrekt vanuit Zorns obsessie met numerologie, waardoor het gestuurd wordt door een mathematische structuur waarbij verschillende matensoorten doelbewust aan elkaar geplakt worden. Ook hier geldt het credo begrijpe wie kan. Iets voor muziektheoretici.

Andere koek met Interzone, een eerbetoon aan inspiratiebronnen William Burroughs en Brion Gysin, de kunstenaar die Burroughs op het spoor van de cut up-techniek gebracht zou hebben. De link Zorn-Burroughs is alleszins geen verrassende, integendeel. De doelbewuste deconstructie door radicale technieken en de fragmentarische visie op kunst en compositie staan bij beide artiesten centraal, dus het was slechts een kwestie van tijd voor dit werk er zou komen. De band die Zorn daarvoor rond zich verzamelde, bestaat vooral uit Electric Masada-leden (Marc Ribot, Kenny Wollesen, Trevor Dunn, Ikue Mori, Cyro Baptista) met toetsenist John Medeski als extra gast.

De muziek is voorspelbaar grillig, maar eigenlijk ook een pak coherenter dan verwacht. Natuurlijk zijn er de bruuske genrewendingen, al komen die er niet aan het waanzinnige tempo van Naked City. Integendeel, de band neemt er z’n tijd voor en lijkt de stilistische overgangen aan elkaar te rijgen met gemak en geduld, waarbij je getrakteerd wordt op een hoorspel waarbij je voor een keer niet klaar staat om de pauze- of FFW-knop in te drukken. Er loert altijd iets anders om de hoek, en deze keer is het uitkijken naar het vervolg. En zo wordt je gevoerd van een mysterieus hoorspel naar een marktplein in Noord-Afrika en vervolgens naar een moddervette funkgroove. Mori’s druppelelektronica zorgt voor een mooie toevoeging, net als het zwoele toetsenwerk van Medeski.

De band surft van abstracte exotica naar piano-improvisatie, droomsequenstroebelheid en spastische free jazz zonder ook maar een steek te laten vallen. In het tweede deel is dat genrehoppen veel afweziger en wordt minutenlang gespendeerd aan een luie jazzrockgroove die uiteindelijk mutileert in een stuk dat noir-jazz koppelt aan avant-garde die eerder overeenkomsten vertoont met ouder werk als Spillane. Het afsluitende derde deel, met opnieuw een sleutelrol voor Ribot, gidst de luisteraar door een droomwereld die perfect aansluit bij Burroughs heroïnevisioenen. Waarschijnlijk angstaanjagende stuff als je onder invloed van de juiste/foute drugs bent, maar nu een boeiende trip door Zornland en een ideale manier om die laatste plaat van het jaar af te sluiten.

Hoewel geen van beide albums behoren tot Zorns beste of meest opvallende werk van 2010 (onze voorkeur gaat naar de Book Of Angels-delen van Mycale, Ben Goldberg en het Masada String Trio, Ipsissimus van Moonchild en de bijzonder mooie 24e Filmworks, blijft het een zoveelste bewijs van de bruisende, eindeloos creatieve, immer in beweging blijvende wereld van een van de boeiendste componisten van deze tijd.

E-mailadres Afdrukken
 
John Zorn

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST