Banner

John Zorn

Ipsissimus

Guy Peters - 29 november 2010

Moonchild is niet enkel een van de meest tot de verbeelding sprekende projecten uit Zorns oeuvre, je kan ook gerust zeggen dat weinig bands de voorbije jaren zo’n unieke stek verworven hebben binnen de wereld van de avant-garde. Leek The Crucible (2008) ondanks z’n kwaliteiten op een nakomertje dat niet écht essentieel was, dan wordt dat nu rechtgezet met Ipsissimus, dat soms het waanzinnig niveau van Six Litanies For Heliogabalus lijkt te bereiken. De liefhebbers weten wat dat betekent.

2010, #10. Wat The Crucible een buitenbeentje maakte, dat was z’n (relatieve) toegankelijkheid. Er waren duidelijke verwantschappen met de buitenwereld, nu en dan leek het verdacht dicht in de buurt van Zappa’s jazzrock te geraken en er was de aanwezigheid van Ribot, die de totaalsound verruimde en nauwer bij de rock deed aansluiten. Die evolutie wordt nu met glans verder gezet op het meer samenhangende Ipsissmus, dat grotendeels opgebouwd is rond het kerntrio Patton-Dunn-Baron, maar Ribot vaker bij de waanzin betrekt en ook de componist een paar keer laat horen.

Het album zit iets conventioneler in mekaar dan z’n voorgangers (en zeker de eerste twee delen) en flirt nog meer met de wereld van de strakke compositie die rock-’n-roll is, waardoor de nadruk iets meer komt te liggen op het vertrouwde en wat minder op de sfeer van Magick. De plaat is, net als z’n voorgangers, opgedragen aan de nagedachtenis van Artaud, Varèse en Crowley, maar zal nu ook sneller aanvaard worden door Pattonfans die zweren bij de Fantômasgekte. Ipsissimus is bombastisch en theatraal, maar haalt soms ook uit als een briesende pitbull, agressiever dan voorheen en meer gestroomlijnd zonder z’n gekte te verloochenen.

Opnieuw valt ook op hoe er onder die obsessieve verklanking van het occulte opnieuw een band schuilt die er in slaagt een eigen taal te ontwikkelen. De tandem Baron-Dunn, intussen al compleet op elkaar afgestemd na jarenlang samenspelen in meerdere projecten, voelt elkaar aan, zet complexe, kringelende ritmes op poten, nu eens uitblinkend in sfeerschepping, en dan weer bruut hakkend of de rede de nek omwringend. Het is een genot om te horen hoe Dunn zich een weg slingert door een compositie als “Seven Sigils”, dat meteen ook een platform biedt aan de vocale stunten van Patton en het verrassend lyrische spel van Zorn op altsax.

In het tweede stuk, “The Book Of Los”, duikt hij zelfs op als pianist. Het is een song die aanvankelijk aandoet als iets van The Dreamers, met subtiel spel van Ribot tegen een achtergrond van sudderende bas en drums. Het is in dat nummer dat de gelaagde stem van Patton het occulte element introduceert en dan al is het duidelijk dat het niet bij dit lieflijke hoorspel kan blijven. En ja hoor, even later barst het boeltje los, wanneer Ribot zich terug in de Asmodeussessies lijkt te bevinden en z’n gitaargejengel alle richtingen op doet stuiteren, terwijl de compositie zich in de vreemdste bochten wringt.

Al even opvallend: het machtige “Supplicant”, de Moonchildsong die het dichtst naar de metal neigt, met een vuile, dreigende riff van Ribot en Gollemgereutel van Patton. Het is echter opnieuw Ribot die het laken naar zich toetrekt door uit te halen met een verschroeiende solo die aan het beste van Hendrix doet denken (benieuwd wat die van dit project zou gevonden hebben!). Elders gaat het er vaak wat soberder aan toe: zo worden de eerste twee minuten van “Tabula Samaragdina” volledig gevuld door bas en drums, terwijl “The Changeling” voor de volle zes minuten wordt opgeëist door Dunn en Baron. Maar het is dan ook een duo dat zo’n volledig album met twee zou kunnen vullen.

”Warlock” is een buitenbeentje dat voortdurend een contrast biedt tussen bijna lieflijke schoonheid en lelijke uitbarstingen waarbij Patton zich nog eens helemaal kan laten gaan met gevlei, gekrijs, gehik, gestotter en gegier. Geen idee welk spul een mens moet slikken om zoiets tot een goed einde te brengen. Elke derde song op het album is bovendien een “Apparitions” (I, II en III dus), kortere stukjes die minder strak gehouden worden en vooral de instant compositie van Zorn laten horen: knoestige stukjes improvisatie die niet de impact hebben van de andere stukken, maar ondanks hun grilligheid toch (de nodige) rustpunten lijken in te bouwen.

Wie nog nooit iets hoorde van Moonchild, gaat bij het beluisteren van Ipsissimus niet geloven wat er gebeurt. Het blijft een onvergelijkbare ervaring. Anderzijds is dit, samen met The Crucible, waarschijnlijk het meest toegankelijke van de reeks en vermoedelijk de ideale toegang tot die wonderbaarlijke wereld van de waanzin waarvoor Zorn de laatste jaren een apart plekje voorzien heeft. Ondanks die déjà-entendu een van de beste, hardst ‘rockende’ Zornreleases van het jaar.

E-mailadres Afdrukken
 
John Zorn

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST