Banner

Xiu Xiu

Dear God, I Hate Myself

Jurgen Boel - 19 maart 2010

Slechts één band kan een albumtitel als Dear God, I Hate Myself verzinnen en er nog mee weg geraken ook: Xiu Xiu, het geesteskind van Jamie Stewart, de man voor wie zelfhaat en humor als geen ander verbonden zijn. Een man ook voor wie pathos en avant garde geen stijliconen zijn maar een levensstijl.

Xiu Xiu-platen zijn emotionele en auditieve exorcismerituelen, zowel voor Stewart zelf als voor de luisteraar. De onmiskenbare duisternis en (zelf)kwelling is te confronterend voor wie de pseudokwetsbaarheid en teenage angst van emobands prefereert. De geuite gevoelens zijn te herkenbaar open en gespeend van poëtische schijnpijn. De albums zijn bovendien volgestouwd met allerlei klanken, weinig voor de hand liggende instrumentencombinaties en vooral een mix van pop, electro en rock gebracht met het lef van jonge honden en de wijsheid van door de wol geverfde componisten.

Het is op Dear God, I Hate Myself niet anders, ook zonder de steun van zijn nicht Caralee McEllroy (die de band vorig jaar verliet) weet Stewart te begeesteren en te verrassen. Wie anders kan een poppy uptemponummer als "Gray Death" brengen en zonder blozen daarbij sadomasochistisch verlangend "beat beat me to death I said it, beat beat me to death" te zingen? En wie anders zou een songtitel als "Chocolate makes you happy" verzinnen en daarbij een electrosong te brengen die een arsenaal aan bellen, geklater en ander ongedefinieerde klanken aan toevoegen, om over de dubbelzinnige tekst nog maar te zwijgen?

Flirtten vorige albums The Air Force en Women As Lovers al met pop, dan ontsnapt Dear God, I Hate Myself er al helemaal niet meer aan. Natuurlijk bevat "This Too Shall Pass Away (For Freddy)" voldoende angels om de reguliere popfanaat te verjagen, maar waar Xiu Xiu (zeker op de oudere platen) de eigen songs onder een lawine van geluiden bedolf, mag de electropop (jaren zeventig – tachtig) nu met volle teugen ademen. De gekende mix van electro en akoestische instrumenten schittert nergens beter dan op het titelnummer waar de zanglijn "Dear God, I Hate Myself" euforisch klinkt en de tussentijdse noise-uitbarstingen het peper en zout voor de song vormen.

Zelfs het stuiterende "Apple For A Brain" en het op gameconsolegeluiden steunende "Secret Motel" dwingen tot een herbeluistering, ondanks de afkeer die ze op basis van hun dissonante klanken zouden oproepen. Want hoe ongewoon ze ook klinken, in wezen verschillen ze nergens van "The Fabrizio Palumbo Retaliation" dat lonkt met een aanstekelijke pianomelodie en een uitnodigend ritmepatroon alvorens duizend verschillende richtingen uit te stormen, het relatief eenduidige "House Sparrow" of het intrigerende "Falkland Rd." Dat bewijst dat zelfs met de klassieke songstructuur op een intelligente manier omgesprongen kan worden .

Hoewel semi-ballade "Hyunhye’s Theme" zichzelf op het einde de nek wil omwringen, maakt hij vooral duidelijk hoezeer Stewart ook kan schitteren in schijnbaar eenvoudige songs, waar een enkele melodie en spaarzame tekst net zo goed de adem benemen kan: "overwhelmed at your desk/weeping for your parents/they are so proud of this." De grootste verrassing zit echter veilig achteraan: op "Cumberland Gap" is niets minder dan een banjo te horen, waardoor Xiu Xiu zich eindelijk en niet meer dan logisch definitief aan blanke blues ofte country waagt.

Zes platen en verschillende bandwissels later zoekt Xiu Xiu nog steeds de grenzen van het toelaatbare en aanvaardbare op. De krijtlijnen, inclusief het geflirt met pop, zijn al lang uitgetekend waardoor alleen nuanceverschillen overblijven en de verschillende albums slechts binnen het Xiu Xiu-universum zelf met elkaar vergeleken kunnen worden en zin hebben. Het zijn auditieve afdalingen in de persoonlijke hel van Stewart, universeel gemaakt met de nodige humor. Dear God, I Hate Myself klinkt als een idiote albumtitel voor een prachtplaat, tenzij je Xiu Xiu bent.

E-mailadres Afdrukken