Banner

Mycale

Mycale

The Book Of Angels Volume 13

Guy Peters - 08 maart 2010

Eind 2009 kondigde John Zorn op zijn website aan dat hij maar liefst twaalf (12!) cd’s zou uitbrengen in 2010. Stilistisch en qua bezetting vliegt het all over the place, en met het eerste wapenfeit, het strikt vocale Mycale, is het meteen prijs.

2010, #1. Als avant-gardistische componist was Zorn de voorbije decennia vooral een genrebestormer en vormexperimentalist. Hier en daar werkte hij wel samen met zangers (op sleutelalbum The Big Gundown werd o.m. beroep gedaan op diva’s Shelley Hirsch en Diamanda Galas) en in de extreme bands mochten figuren als Yamantaka Eye en Mike Patton het op een kelen zetten, maar doorgaans bleven a capella-uitspattingen achterwege. Daar is recent verandering in gekomen. Zo werd niet alleen het tweeëntwintigste deel in de Filmworksreeks (The last Supper) een speeltuin voor stemmen, maar wordt de Book Of Angels-saga, misschien wel de meest verrassende en consistente van het kolossale Zornoeuvre, aangevuld met een platform voor het eerste instrument.

Dat zat er anderzijds ook wel aan te komen. Na albums door soloartiesten, een duo, trio’s, kleinere en grotere bands, is het nu de beurt aan een vocaal kwartet, vier vrouwelijke stemmen met verschillende achtergronden. Ze weten de voor hen geschreven songs vol joodse motieven om te toveren tot een exotisch geheel dat folk, wereldmuziek, jazz, klezmer en oriëntaalse elementen fuseert in een combinatie die ondanks z’n onvertrouwde insteek opmerkelijk toegankelijk klinkt. Deze elf songs, samen goed voor een half uur stemmengoochelarij, vormen een logisch en soms bedwelmend hoofdstuk waarin de meester zijn eindeloze creativiteit kan botvieren. Mycale past perfect in de reeks, al zal het altijd een buitenbeentje blijven.

De ingeschakelde vrouwen zijn dan ook niet van de minste. De Israëlische Ayelet Rose Gottlieb en Basya Schecter zijn al enkele jaren vertrouwde gezichten in de New Yorkse scène (waardoor het slechts een kwestie van tijd was voor ze zouden opduiken); de eerste verscheen in 2006 met het album Mayim Rabim op Tzadik, terwijl Schecters groep Pharaoh’s Daughter ook al figureerde op een compilatie van het label. Gottlieb werkte bovendien mee aan het Shir Ha-Shirimproject, een theatraal, in New York opgevoerd stuk, waar ook Laurie Anderson en Lou Reed hun medewerking aan verleenden. Het kwartet wordt vervolledigd door de Argentijnse Sofia Rei Koutsovitis en de Marokkaanse Malika Zarra. Vier jonge vrouwen met verschillende achtergronden die diverse tradities en talen met zich meebrengen, en toch klikt het prima.

Opener “Uzziel” laat meteen horen dat er geen hysterische hoogstandjes en bombastische krijsfestijnen verwacht moeten worden. In plaats daarvan krijg je verfijnde contrastspelletjes en wisselwerkingen, waarbij stemmen nu eens variëren op een sleutelthema en dan weer om beurt vrij spel krijgen. Iedere stem krijgt een gelijke waarde toegekend, verschijnt op de voorgrond en verdwijnt weer naar de achtergrond, waardoor je het gevoel krijgt te luisteren naar een totaalwerk dat steeds in beweging blijft. De stukken sluiten soms naadloos op elkaar aan, en toch vallen ze nooit in herhaling dankzij de gecreëerde emotionele contrasten. Het korte “El El”, dat nadrukkelijk speelt met een sensueel ritme, wordt zo omringd door songs die een heel andere wereld oproepen.

Hoogtepunt “Ahaha” toont aan dat de diversiteit binnen de songs ook groot kan zijn. Eerst krijg je een herhalend motief, waarbij een van de stemmen de trompet van Dave Douglas lijkt te imiteren (wat ook het geval is tijdens “Tarshish”) en plots valt het stuk stil en krijg je af te rekenen met een brok melancholische intensiteit die rechtstreeks uit de fado lijkt te komen. Je zou haast willen dat de plaat zo verder glijdt, maar dat is dan buiten de grilligheid van Zorns composities gerekend. Al even nauw verwant aan de songs van het originele Masadakwartet is “Asaph”, dat wordt voortgestuwd door een groove die van basisst Greg Cohen had kunnen komen. Of “Tehom”, dat meteen herinnert aan de plagende een-tweetjes tussen Zorn en Douglas.

Door de excentrieke structuren van sommige stukken is dit niet enkel een album van songs, maar ook van momenten. Het zijn eerder flarden dan songs die blijven hangen, wat ervoor zorgt dat je aardig wat beluisteringen nodig hebt om de songs aan te voelen en hun verloop te kunnen voorspellen. Andere hoogtepunten: de rond elkaar kronkelende stemmen in “Melech”, het accelererende “Rumiel” en “Balam”, dat klinkt als een bescheiden versie van de majestueuze muziek van Le Mystère des Voix Bulgares. Ondanks z’n coherente visie en op de joodse traditie gebaseerde songs, wordt hier een veelheid aan sferen en invloeden opgeroepen.

Mycale is niet de ideale plaat om de Zornwereld mee te ontdekken (daarvoor zijn Lucifer of Stolas uit dezelfde reeks beter geschikt), al is het voor de liefhebbers wel een aangename verrassing na een stroom van releases die vaak in hetzelfde vaarwater zitten. De vier vrouwen van Mycale hebben bewezen dat de composities van Zorn benaderd kunnen worden op een manier die fris, verleidelijk en mysterieus klinkt. Dat verdient ooit een vervolg.

E-mailadres Afdrukken
 
Mycale :: Mycale

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST