Banner

Om

God Is Good

Guy Peters - 19 oktober 2009

Om de dood-meditatie tot een goed einde te kunnen brengen helpt het als je je boeltje op een orde hebt en afstand kan nemen van aardse beslommeringen die de innerlijke rust alleen maar in de weg staan. Om maakt al jaren de soundtrack bij de opperste spirituele onzelfzuchtigheid. Toch laat God Is Good horen dat die muzikale en mentale processie van Echternach ook z’n beperkingen heeft.

Pilgrimage was misschien wel het voorlopige hoogtepunt van het meest onbewogen duo van de rock. Al Cisneros en Chris Hakius, overlevenden van het terziele gegane stonermetalmonster Sleep, gingen verder op hun spirituele elan door deze tot zijn meest extreme conclusie door te trekken. Drie albums lang werd de muzikale ascese tot uitvoering gebracht middels kabbelende contemplaties en tergend traag ontplooiende mantra’s die golden als een bijna cartooneske vorm van onthaasting. Om maakt repetitieve, reinigende en monotone muziek die aansluiting zoekt bij de bezwerende, hypnotiserende muziek uit het Verre Oosten. Het verschil is dat ze dit doen met decibels en vooral donderende baspassages.

Begin 2008 werd Hakius vervangen door Emil Amos (Grails). De man mankeerde de jarenlange en intuïtieve samenwerking die tussen de twee gegroeid was, iets dat de organische muziek van Om niet ten goede leek te komen. Daarenboven hanteert hij ook een andere aanpak dan zijn voorganger: losser, kleurrijker, rustelozer — misschien ongepast. Leidde dat vorig jaar in Kortrijk nog tot een wat rommelige performance, waarbij vooral Amos’ constante heen-en-weer-geloop soms op de zenuwen werkte, dan was het overtuigende concert op Roadburn 2009 van een heel andere orde. Het leek erop dat Amos z’n draai gevonden had en de saga van Om met dezelfde klasse verdergezet kon worden.

Het eerste album van de nieuwe line-up is nu een feit. De meest voor de hand liggende vraag die zich nu stelt is of alles bij het oude gebleven is. Ja en neen. Er is amper een verschuiving merkbaar van de toegepaste methoden, al zorgt dit vierde album ook voor enkele verrassingen, waarvan de helft echter wat vreemde resultaten opleverde. Nochtans doet opener "Thebes" met z’n negentien (!) minuten vermoeden dat alles bij het oude gebleven is. De nieuw aanwezige tamboura, een sitarachtig instrument dat vooral gebezigd wordt tijdens etnische drones in India en dat naar verluidt aartsmoeilijk onder de knie te krijgen is, legt expliciet de link met de zielsverwanten uit het Oosten, maar het voelt aan als inkleuring, niet meer dan dat.

"Thebes" gaat met opperste concentratie en engelengeduld aan de slag. Pas na drieëneenhalve minuut begint Cisneros z’n kenmerkende obscure lijnen te prevelen (en het levert meteen weer hoogstandjes op à la "Descend supine grace of the luminant / Attunes to acces light of celestial form / Open the radiant sea-electric / Seen"), na zes minuten valt er een expliciet ritme te ontwaren en de pedaal die de boel op gang trekt wordt pas na achteneenhalve minuut ingetrapt. Het is de blauwdruk van klassiekers als "At Giza", die op elk album aanwezig is. De song buldert verder, zij het een pak minder kolossaal dan de broertjes op Pilgrimage, stokt even na een kwartier en herneemt weer, zij het iets trager, tot de finish.

Het is geen mijlpaal in het oeuvre (tenzij medailles worden uitgedeeld voor songlengte, waarin het enkel wordt geklopt door het twee minuten langere "On The Mountain At Dawn" van het debuut), al schenkt het voldoening en is het boeiend om Amos z’n weg te horen vinden door de structuur. Iets meer dan z’n voorganger speelt hij met tonale variaties, waardoor de muziek er een grijstint lijkt bij te krijgen. Helaas valt er verder niets te rapen dat het niveau van zijn voorganger benadert. "Unitive Knowledge Of The Godhead" en "Bhima’s Theme" vormen een machtig een-tweetje met epische allure en genoeg kracht om menig fundament aan het rammelen te brengen. Het beste aan "Meditation Is The Practise Of Death" is de titel. De song wordt iets meer gedreven door het sterk aanwezige drumwerk, maar komt nooit van de grond en introduceert in de laatste negentig seconden een dwarsfluitsolo die zo een bijkomstigheid lijkt.

Idem voor het tweedelige duo "Cremation Ghat I" en "II". Het eerste neemt met z’n haast opgewekte vingerkniptempo afstand van de traditionele lang/traag-aanpak, maar zelfs de in groep gezongen mantra’s kunnen niet verhullen dat het eigenlijk te weinig om het lijf heeft. Zo vergaat het net met het melancholische tweede deel, waarin de tamboura opnieuw wordt bovengehaald om een song te redden die nooit écht op gang kwam. De opwinding, de doelgerichte bezwering en de zinderende overtuiging van Pilgrimage ontbreken hier volledig. Het is bijzonder jammer dat net op de plaat die wordt aangewend om subtiel te breken met de rigide aanpak van de drie vorige albums zo achteloos wordt omgesprongen met pover materiaal.

God Is Good is geen slechte plaat en de fan zal zeker opnieuw zijn gading vinden. Het is echter wel de eerste keer dat Om ons onvoldaan achterlaat en heel even schrik doet krijgen dat de beproefde methode eigenlijk niet meer dan dat is: een werkwijze die niet kan blijven boeien en toppen scheren. Kortom: een degelijke Om zorgt nog steeds voor een aparte ervaring, al betekent dat in deze dagen van weelde niet dat u meteen om Om moet gaan bij de lokale platenboer. Deze keer is het uw beurt om uw tijd ervoor te nemen.

E-mailadres Afdrukken