Banner

Mark Kozelek with Ben Boye and Jim White

Mark Kozelek with Ben Boye and Jim White

8.5
Nout Van Den Neste - 15 december 2017

Toegegeven: we hebben er (te lang) over getwijfeld of deze nieuwe Kozelek nu echt een enola-recensie waard is, want het is meer van hetzelfde, 87 minuten lang. Wie het spoken word-geratel van Kozelek op zijn laatste Sun Kil Moon-platen nauwelijks kon verteren, heeft ook aan dit nieuwe album ongetwijfeld een broertje dood. En toch: als er een post-Benji Kozelek-plaat is die u absoluut een kans moet geven, dan is het deze wel, niet in het minst omdat dit muzikaal gezien een van Kozeleks meest uitdagende, donkerste, experimentele platen tot nu toe is die regelmatig ook echt iets met een mens doet.

Kozelek heeft geen pauzeknop en ook geen filter als het op songschrijven aankomt. 2017 was een vruchtbaar maar kwalitatief wisselend jaar voor Kozelek: een moeilijk te doorgronden, ritmisch repetitieve Sun Kil Moon-dubbelaar, een wisselvallige samenwerking met Jesu, een solo EP (het mooie Night Talks, die u gratis bij uw bestellingen op Kozeleks eigen platenlabel Caldo Verde Records krijgt) en Yellow Kitchen, een EP met Sean Yeaton van de Parquet Courts die we wijselijk onder het tapijt hebben geschoven om daar het gewobbel van de tafel des huizes te verhelpen. En dan is er deze, tien songs opgenomen met pianist en keyboardspeler Ben Boye (recent nog te horen op de laatste van The Weather Station) en drummer Jim White, dé indiedrummer bij uitstek die u vooral zou moeten kennen van het fantastische The Dirty Three.

Kozelek speelt op dit album zelf gitaar en basgitaar en heeft samen met Boye en White een resem jamsessies opgenomen om daarop vervolgens zijn associatieve ongecontroleerde gedachtestromen los te laten, waarin grappen, herinneringen, geschiedenis, emoties, anekdotes over vrienden en familie en andere banaliteiten met evenveel diepgang onder de loep worden genomen. In de context van social media waarin onze dagdagelijkse handelingen tot heroïsche, idyllische miniatuurtjes van banaliteit verhoffen worden, deelt Kozelek hier echter alles, zonder filter. The good, the bad and the boring, sinds Benji zijn tekstuele modus operandi.

Dat gaat van zijn eigen sfeerverpestende nukkigheid tijdens een diner met vrienden, (“Los Margeritos”), bloedtesten en het advies van de dokter (“Blood Test”) tot een vroege, fictieve herinnering waarin hij een hilarisch verhaal over een varken dat hij als huisdier had verteld (dat in feite gewoon een pluche was). “Elk moment telt”, het artistieke motto van Kozelek dat al sinds het begin van zijn muziekcarrière met de Red House Painters verschillende vormen heeft aangenomen.

Kozelek opteert de laatste jaren voor een nogal geïmproviseerde aanpak, zoekt bewust imperfecte lo-fi klanken op, schrijft opzettelijk “slechte” songs en gaat Neil Young-gewijs voor klanken en ritmes die schuren, ongemakkelijk zijn, wrang smaken. Op dit album echter lijken vorm en inhoud perfect samen te vallen. Zoals op “House Cat” geschreven vanuit het perspectief van een kat die zich bitterweinig van Trump en andere menselijke besoignes aantrekt: repetitief ja, bompa die boven repetitieve gitaarmuziek en bonkende drums een flutgedichtje voorleest, absoluut. Tot er plots die dissonante, jazz aandoende break komt. En het nummer werkt. Het sart en het tart (Kozelek kent heel veel rijmwoorden op “Trump”), en het doet wat kunst moet doen.

Idem dito voor “Topo Gigio” dat begint als een soort van sofa-fähige salonjazz om vervolgens na tien minuten in totale chaos, anarchie en dreiging uit te monden, met Kozelek die het geluid van bommen en oorlog onomatopee-gewijs imiteert. Veel middenwegen zijn er bij dit soort van nummers niet te vinden, maar dat moet ook niet. Oorlog, bloed, dood: het komt allemaal terug op dit album, zoals ook op het roetzwarte “Ashes”, dat nog licht opgewekt en schuifelend begint (met excellent baswerk van Kozelek) en uiteindelijk in een soort van macaber meezingmoment eindigt: “Their ashes my friend / Are blowing / Their ashes my friend / Are growing”.

Dit album herbergt ook twee van Kozeleks mooiste nummers van de laatste jaren: “February Rain” en “Astronomy”. “February Rain” klinkt alsof het postjazz-ambient collectief Bohren & The Club Of Gore een nummer van de Red House Painters-plaat Old Ramon hebben ingespeeld. Dit nummer is een verlaten straat in Berlijn, om drie uur 's nachts, in een film noir ergens in de jaren vijftig. De tekst is een brief in de “you”-vorm aan grote muze Katy die veertien jaar geleden stierf en aan wie Kozelek nog regelmatig odes schrijft of naar wie hij in songteksten continu refereert. Het is een van de weinige keren dat Kozelek van begin tot einde bij hetzelfde blijft en het komt de emotionele zeggingskracht alleen maar ten goede, om maar niet te zeggen dat dit nummer hard aankomt. En dan hebben we nog niets gezegd over die mysterieuze, golvende outro die het nummer als het ware in rook doet opgaan.

Ook op “Astronomy” blijft Kozelek bij hetzelfde onderwerp, een vrij letterlijke weergave van een aandoenlijke conversatie tussen Kozelek en een jong nichtje van hem dat door astronomie geobsedeerd is. Het nummer raakt: haar ideeën en wat voor effect die op de steeds ouder wordende Kozelek hebben, in combinatie met de rake beschrijvingen van Kozelek die na het feestje een wandeling maakt langs bevroren maïsvelden en vervolgens met zijn vader over zijn vroegste jeugdherinneringen praat. Tel daar ook nog eens de mooie begeleiding bij, een soort van vertraagde “Carry Me Ohio” en dan weet je weer waarom je al die mindere Kozelek-platen ook doorploetert: om puur goud als dit te ontdekken.

De rest van de plaat moet geenszins onderdoen, of het moet “The Black Butterfly” zijn dat iets te veel spoken word is, ondanks de geweldige, spannende muzikale begeleiding. Of “Blood Test” dat te lang doorgaat om goed te zijn. Al bij al is dit met gemak Kozeleks beste release in jaren en een serieuze stap vooruit qua muzikale begeleiding: het is kaal, maar zelden repetitief. Drums en piano zijn even zalvend als dissonant en vaak in hetzelfde nummer even onvoorspelbaar als intrigerend. Het is spannend, er gebeurt iets. De zeldzame keren dat de band dan toch bij één sfeer blijft, zoals op “The Robin Williams Tunnel” is het effect bijna hypnotiserend te noemen.

Lef en complete, roekeloze eigenzinnigheid: dat is wat Kozeleks platen sinds Benji typeert. Het resultaat is navenant: zijn platen worden steeds minder door grote muziekbladen besproken en Kozelek lijkt zijn status als A-muzikant enigszins te hebben verspeeld. De vraag is of hij dat erg vindt. Wij alvast niet: artiesten moeten evolueren, veranderen, experimenteren en Kozelek bewijst dat op dit album dat er weinig muzikanten vandaag de dag zijn wiens traject zo mooi en interessant is om te volgen als dat van hem.

E-mailadres Afdrukken