Banner

Innerwoud

Mirre

7.5
Guy Peters - foto's: Stefaan Temmerman - 15 januari 2016

Tot in de jaren 1980 was het allemaal duidelijk. Zowel op maatschappelijk als op muzikaal vlak koos je tot welke clan je wilde behoren en dat was dat. Iedereen bleef op zijn erf, tegenstellingen waren duidelijk en werden indien nodig extra in de verf gezet door wat territoriaal geharrewar. Dat is sindsdien wel anders. Werelden zijn in elkaar overgevloeid en vonden aansluiting bij elkaar op basis van elementen die het puur muzikale overstijgen. En daar zullen labels als Consouling Sounds en artiesten als Innerwoud vermoedelijk niet rouwig om zijn.

Consouling Sounds is meer dan een broeikas waar loeiharde metal en trage instrumentale muziek (elk in hun eigen hoek) samengebracht worden. Meer nog dan puur muziek-technische elementen gaat het er om gedeelde levensvisies, een gemeenschappelijke teneur, en de invulling van de rol die muziek kan krijgen, waardoor artiesten die je dertig jaar geleden zonder aarzelen in een hoekje zou duwen, maar nu onverwachte medestanders krijgen, er kind aan huis zijn. Je ziet ook steeds vaker dat volk uit de ‘zware’ regionen elementen uit meer ingetogen oorden incorporeert. Denk maar aan de Church Of Ra en enkele van zijn discipelen. Metalheads die dwepen met Max Richter? Het zou in 1985 niet waar geweest zijn.

Een figuur die ook in die wereld beland is, maar toch alweer z’n eigen subcategorie vormt, is Pieter-Jan Van Assche. Hij doet het in z’n eentje met een contrabas en spaarzaam ingezette effecten. Solo contrabas is iets dat eerder geassocieerd wordt met de wereld van de vrije muziek, met virtuoze artiesten als Joëlle Léandre, Barre Phillips of, in eigen land, Peter Jacquemyn. Maar als solo op cello kan (zie Julia Kent & co.), zo moet Van Assche gedacht hebben, waarom dan niet op bas? De wereld die hij creëert, overschrijdt de grens van meerdere genres. Of doet ze alleszins vervagen. Het heeft op sommige momenten iets van een neoklassiek minimalisme, van etherische kamermuziek terwijl het op andere duidelijk aansluit bij de wereld van de grauwe drones en de ambient. En hier en daar lijkt Van Assche te putten uit een oeroude bron, een folk-ader die begon te stromen toen er van folk nog geen sprake was. Muziek als rite.

Dat alles krijgt gestalte op een vierdelig album dat amper de dertig minuten overschrijdt. Zolang Van Assche zich beperkt tot die relatief pure aanpak, is dat ook voldoende. Het is geen album dat het moet hebben van eclectische ingrepen, eindeloze kleurschakeringen of drastische wendingen. Integendeel. Mirre is als een slepende pelgrimstocht, als een innerlijke kaart door een desolate wereld van grijze vergezichten, van vage contouren achter een bewasemd stuk glas, van barre grond en grove textuur. Het is geen extreme plaat, maar wel eentje die heel bewust een zone afbakent en daar ook blijft, al zullen gevoelige oren meer dan voldoende input krijgen voor een imaginair schouwspel.

Vermoedelijk is opener “Dar” dan nog het meest toegankelijke stuk. De melancholie en het gewicht zijn hier het meest tastbaar, het melodieuze het sterkst aanwezig. Een motief wordt herhaald, krijgt gezelschap van een drone, een grondtoon, en verplaatst zich als een bootje dat zich afzet tegen de waterkant, om te dobberen, met onbestemde koers, in de richting van nevel die net boven het oppervlak sluimert. De sfeer wordt donkerder, het spel al dan niet dwingender, de strijkstok de gids. “Nachtkus” is nog zwaarder. Het licht dat net voordien nog binnen sijpelde, wordt buitengesloten. De texturen zijn grover, dieper, zwarter, tot er zacht pizzicatospel opduikt -- het klinkt plots haast frivool --, dat leidt naar een meer lyrische tweede helft.

De compacte titeltrack laat percussie van Karen Willems (Inwolves) en zang van Lydia Debeer toe. Geen plotse koerswijziging, wel diepe slagen als in een vertraagd galeienritme, en de iele lokroep van een sirene die beterschap, onderdak of bescherming belooft. De muziek is klaar, de film kan gemaakt worden. Met het afsluitende “Sterveling” wordt teruggekeerd naar de meest ontmantelde vorm. Het dompelt je onder in een eindeloos resoneren, een kwartier mediteren en relativeren, met een steeds donkerder wordende, bijna versmachtende, bewerkte sound in de tweede helft, die op zijn beurt ook weer afneemt, stiller wordt, wegdeemstert, en uiteindelijk helemaal oplost.

Innerwoud laat geen nieuwe dingen horen, geen nerveus gedoe dat krampachtig zijn relevantie wil onderstrepen. Maar die aanpak, die zelfopgelegde ‘beperking’, een doordachte keuze, is vermoedelijk ook net de intentie. En zijn handelsmerk en een troef. Het is net de zuiverheid van die benadering van geluid en structuur die ervoor zorgt dat zijn muziek ook die genrehokjes opzij kan schuiven en op die manier nieuwe zieltjes voor zich wint. Onthaasting, zo’n vies woord, en het hoort hier misschien niet thuis, maar ergens is het toch weer wel op z’n plaats. Net als het ambient/drones-werk van bekend Consouling-volk als Thisquietarmy en Dirk Serries, is ook de muziek van Innerwoud misschien wat vaag voor de ene, maar een vertrouwde wereld, of buitenkans, voor de andere. Met wat verbeelding kan je soms ver geraken.

Het album is verkrijgbaar op cd en vinyl.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Innerwoud