Banner

Lana Del Rey

Ultraviolence

6.5
Philippe Nuyts - 03 juli 2014

Mja, Lana. Ergens tussen mysterieus en aandoenlijk in. Eeuwig worstelend met geloofwaardigheid. Dat laatste wint ze muzikaal op deze tweede plaat, maar inhoudelijk valt ze door de mand. Een van de vele vragen is echter of dat zoveel uitmaakt.

Was ze door “Video Games” al gauw het nieuwe snoepje van de indiekid en de liefhebber van de betere pop, dan werd ze nog voor de release van debuut Born To Die alweer verguisd. Haar imago zou in het betere marketingkantoor op papier gezet zijn. Betrekkelijk hypocriet, die overtrokken reacties. Marketing van die slag is al meermaals een dikke saus voor popmuziek gebleken -- et alors. Nee, dan is het beter haar af te rekenen op de muzikale inhoud, en daar viel de afgelopen twee jaar steeds minder op aan te merken. Debuut Born To Die was nog wisselvallig met de gekende balladuitschieters, maar werd ontsierd door hiphop uit de discountwinkel.

De Paradise-ep later dat jaar was echter een zevenmijlspas vooruit, met songs die afwisselend zwoel, weids en lijzig klonken. En waarin ze beter zong. Een uitstekende gastbijdrage op de laatste plaat van Bobby Womack en een prachtnummer (“Young And Beautiful”) op de soundtrack van The Great Gatsby maakten van Del Rey stilaan een beloftevol blijvertje. Net dan begon ze te pruilen dat er misschien geen tweede plaat kwam, terwijl ze ons strak aankeek van op de H&M-affiches in de straat. Ze had alles gezegd wat ze wilde zeggen, klonk toen aanstellerig.

Maar aan Ultraviolence te horen heeft ze niet gelogen, want verder dan wederom zingen over stoute jongens, roem, geld en flirten met de dood en geweld komt ze niet. En daar wringt het net. De zelfgenoegzaamheid waarmee Del Rey zich in de kitschshows van haar vorige tournee liet aanbidden door hordes krijsende jonge én stevig volwassen fans (nog steeds een van de vreemdste taferelen die we ooit op een concert hebben gezien) wringt met het donkere randje waarmee ze haar glamour en glitter op plaat wilt decoreren. Wanneer dat ontspoort in gebazel over dat ze eigenlijk vooral dood wil, doet dat aan die geloofwaardigheid geen goed. Het is een spreidstand die voor melkzuur in haar houdbaarheid zorgt. Al lijkt die haat/liefdeverhouding met geloofwaardigheid soms net haar doel te zijn. Nee, de mist rond haar trekt nooit op.

Op Ultraviolence krabbelt ze recht van die andere, muzikale spreidstand. Tenzij ze ook op haar volgende tournee weer een bende provinciale muzikanten meezeult die haar songs staan te spelen als voetballers op een golfterrein. Want Ultraviolence klinkt tenminste als een geheel, diept de Hollywood noir-sfeer waarin ze zich graag wentelt eindelijk ook muzikaal uit. Alleen is dat geheel niet spannend en gevarieerd genoeg om een hele plaat te boeien. Bovendien trapt ze halverwege inhoudelijk stevig op haar adem. “Pretty When You Cry” en “Sad Girl” romantiseren weer wanhoop, “Money Power Glory” en “Fucked My Way Up To The Top” verheerlijken een nietsontziende drang naar beroemdheid. Het zijn thema’s die ook de rode draad van Born To Die en Paradise vormden, eigen aan het “personage” Lana Del Rey. Alleen moet Lizzy Grant oppassen dat dat geen karikatuur wordt. En die grens wordt dun.

Maar eerlijk: het maakt van Ultraviolence een moeilijke plaat om te doorgronden. De eerste luisterbeurten doet ze grote beloftes die ze uiteindelijk niet waarmaakt. Dat is vooral te danken/wijten aan een werkelijk uitstekende eerste helft, waarin ze haar stembanden hoeken van de kamer laat zien waar ze op Born To Die bijlange niet aan geraakten (“Shades Of Cool”). In de titelsong trekt ze haar schizofrene imago door in een spiegelpaleis van liefde en geweld in een relatie, waarbij “violins” rijmt op “violence”. Altijd meanderend tussen bitch en onderdanig. Ze knipoogt naar haar imago, ergens tussen femme fatale en lolita in, in “Brooklyn Baby”, waarin de “They say I’m too young to love you” achteraf op haar liefde voor de muziek van Lou Reed en de Beatpoets blijkt te slaan. Ondertussen voegt Dan Auerbach bluesy gitaarlicks toe aan een elegant, diep melancholisch klankentapijt van synths en strijkers. Maar ijl haalt het van gezwollen – enkel “Old Money” refereert expliciet aan “Violent Games” en “Born To Die”.

Dat levert nog grote klasse op in openingssong “Cruel World”, misschien het meest complete nummer van haar tot dusver, met gitaren en drums die het telkens op tijd openrijten -- en wat een “porch” is voor Springsteen, is een “red dress” stilaan voor Del Rey. Single “West Coast” doorbreekt op subtiele wijze die atmosferische klank met een lonkende vinger naar hiphop die deze keer wel werkt. Huppelnummertjes als “Dark Paradise” degraderen haar plaat deze keer niet. Een gebrek aan goeie melodieën halverwege doet dat wel, en de cover van Jessie Mae Robinsons “The Other Woman” doet de plaat bovendien met een sisser eindigen. Daardoor blijft de donkere, rokerige sfeer van Ultraviolence niet boeien. Dat is een gemiste kans, met een best wel sterk geluid dat tussen onderkoeld en theatraal bengelt. Ja, over Lana spreken doe je met tegenstellingen.

Het is opvallend hoe weinig we écht over haar weten, spijts haar talloze interviews en andere mediaverschijningen. Ultraviolence licht ook weer geen tipje van de sluier op, en trekt nog eens een extra, ook muzikaal, rookgordijn op. Eentje dat de plaat en uw aandacht echter wat kortademig maakt. En toch, het moet eruit: Lana Del Rey is uniek. Een eigen eiland op de popplaneet, waarbij alle zekerheden verdwijnen in een nabijgelegen Bermudadriehoek. Ze vult de inhoudelijke gaten op haar platen op met vraagtekens. En met een halve plaat die een torenhoog niveau haalt, is het toch nieuwsgierig uitkijken hoe het verderloopt. Op intrigeren staat blijkbaar geen houdbaarheidsdatum.

E-mailadres Afdrukken