Banner

Scott Walker

The Drift

10.0
Xavier-Pascal de Baerdemaecker d'Overyse - 07 juni 2006


Alles is relatief. Wij hoeden ons dan ook voor het onbezonnen, lichtzinnig gebruik van absolute termen als 'uniek', 'enig', 'baanbrekend', 'grensverleggend' of 'revolutionair'. Wanneer wij van onze sokken geblazen worden door een plaat die we - naar onze bescheiden vermogens - nergens mee kunnen vergelijken of aan linken, dan wijten we dat eerder aan de (vele) lacunes in onze kennis van de (hedendaagse) muziek. Zo ook wanneer we ons wagen aan één van de soloplaten van Scott Walker, de man aan wie vandaag een haast mythische, goddelijke status wordt toegeschreven. Is wat hij doet zo uniek, enig, baanbrekend, grensverleggend of revolutionair? Net omdat het zo voor de hand liggend zou zijn deze woorden voor deze plaat te gebruiken, gaan we proberen het niet te doen omdat er ongetwijfeld nog meer artiesten zijn die op eenzelfde manier trachten hun eigen weg te zoeken en te volgen in de muziek, de grenzen aftasten van het genre/de genres waarin zij actief zijn/waren, en er als de dood voor zijn anderen en vooral zichzelf te herhalen. Alleen maakten zij nooit deel uit van één van de succesrijkste hitgroepen uit de jaren '60, prijkte hun beeltenis nooit op slaapkamers en figureerden hun - ongetwijfeld even goddelijke - lichamen nooit in de koortsige fantasieën van onze (groot)moeders. Dit alles neemt echter niet weg dat het uitgerekend Walker is die met 'The Drift' (zijn eerste plaat in elf jaar) tekent voor een grootse, meeslepende, fascinerende, verslavende, pakkende, uitdagende, ontluisterende en soms beangstigende trip langs de donkerste aspecten van de mensheid en van het mens zijn.

Natuurlijk kan je er niet omheen dat de muzikale loopbaan van Scott Walker er niet echt één is van dertien in een dozijn, verre van. Om te beginnen was muziek niet de enige grote liefde van de jonge Noel Scott Engel. Voor hetzelfde geld was hij acteur geworden, maar daar besliste het lot dus anders over. Nadat hij als Scotty Engel zijn eerste stappen zet in de muziekbusiness onder de vleugels van Jack Nitzsche (toenmalig medewerker van Phil Spector, later zelf succesvol arrangeur en producer) en bas speelt bij o.a. The Surfaris en The Routers, krijgt hij een rolletje in een tv-serie. Hij speelt er de broer van John Maus, met wie even later hij The Dalton Brothers opstart. Aanvankelijk is Maus de leadzanger, maar aangezien zijn stem steeds vaker te lijden heeft onder vervelende verkoudheden, neemt Engel gaandeweg zijn rol over.
In Gazzari's Club in L.A. leren ze hun toekomstige drummer kennen, Gary Leeds, een ex-astronaut-in-spe, die er net een verblijf in Engeland heeft opzitten en dolenthousiast is over de beatgroepen die daar op dat moment furore maken. Omdat de nieuwe koers van de tot Walker Brothers herdoopte groep niet meteen aanslaat in eigen land, nemen de drie de wijk naar Engeland. De rest is geschiedenis: een paar jaar lang beheersen de Walker Brothers de hitparades met ''Make It Easy On Yourself', 'The Sun Ain't Gonna Shine Anymore' en 'My Ship Is Coming In'.

Al gauw blijkt Scott Walker niet in de wieg te zijn gelegd voor het sterrendom. Teleurgesteld in de machinaties van de muziekbusiness, stapt hij uit de groep en besluit hij voortaan zijn eigen weg te gaan. Vooral het moment waarop hij de muziek (en vooral de donkere romantiek) van Jacques Brel leert kennen is daarbij bepalend voor wat zal volgen. Niet alleen bewerkt hij samen met tekstschrijver Mort Shuman tal van Brel-nummers, in de periode 1967-70 verschijnen snel na elkaar vier soloplaten ('Scott', 'Scott 2', 'Scott 4' en, jawel, 'Scott 4') vol melancholische, orkestrale pop, die op hun beurt een ferme inspiratie worden voor volgende generaties artiesten als Julian Cope, Nick Cave, Jarvis Cocker (Pulp), Marc Almond en Neil Hannon (Divine Comedy). In de jaren '70 worden zijn eigenzinnigheid en de onnavolgbaarheid nog duidelijker: op het moment dat hij Europeser klinkt dan ooit neemt hij in 1970 met Ady Semeland het naar country neigende 'Til the Band Comes In' op, en net wanneer iedereen overtuigd is van zijn songschrijverkwaliteiten, volgt er een plaat met alleen maar covers. Maar dé verrassing is ongetwijfeld de eenmalige, korte reünie met de andere Walker Brothers in 1975.

Nadat hij bijna decennium uit de belangstelling verdwijnt, keert Scott Walker in 1984 terug met 'Climate of Hunter'. "Lijkt nergens op," oordelen veel fans van het eerste uur, door wie de plaat wordt ervaren als een klap in het gezicht. "Lijkt nergens op," luidt ook het oordeel van de critici, maar zij bedoelen er uiteraard iets heel anders mee: de goede, oude Scott van 'The Sun Ain't Gonna Shine Anymore' is verder weg dan ooit en vastbesloten nooit meer terug te grijpen naar de succesrecepten uit het verleden. Vervolgens is het elf jaar wachten op 'Tilt', de volgende etappe van Walkers zoektocht naar zijn persoonlijke, muzikale Heilige Graal, of beter: het volgende, (voorlopige) eindstation van zijn afdaling naar de kern van zijn kunstenaarschap. Meer nog dan 'Climate of Hunter' is 'Tilt' een bevreemdende plaat waarin Walkers bariton behalve met het 'conventionele pop- en rockinstrumentarium' bij wijlen heroïsche gevechten aangaat met bizarre strijkersarrangementen, industrieel lawaai, omgevingsgeluiden en oude geluidsopnamen van rechtszaken. Op zijn minst avontuurlijk, interessant en ongewoon, maar niet altijd even evenwichtig en beklijvend.

'The Drift', een plaat die net als haar voorganger elf jaar op zich heeft laten wachten, is wat ons betreft in alle opzichten de verbeterde uitgave van 'Tilt'. Walker gaat op dezelfde weg verder, maar weet deze keer zijn luisteraar wel te raken op de juiste plaats en op het juiste moment. 'The Drift' doet zelfs meer dan alleen maar ontroeren, de plaat provoceert ook, brengt de luisteraar soms aan het schrikken en deinst er niet voor terug de mensheid af en toe met zijn snuit in zijn eigen drek te wrijven. Maar bovenal klínkt deze plaat veel beter dan haar voorganger, die ons vaak net iets te clean leek. Nadat we ons enkele weken gelaafd hadden aan 'The Drift' grepen we nog een keer terug naar 'Tilt', om meteen af te haken bij de lelijke drumsound in de meeste tracks. Nochtans heeft Walker voor 'The Drift' een beroep gedaan op nagenoeg dezelfde crew als elf jaar geleden: naast (mede)producer Peter Walsh zijn onder andere ook drummer Ian Thomas, bassist John Giblin, toetsenman Brian Gascoigne en percussionist Alasdair Malloy weer van de partij.

Laat u wat de toegankelijkheid van de tien nummers op dit album betreft niks wijsmaken. Wie zegt dat dit een hermetische plaat is, weggelegd voor mensen met getrainde oren en een encyclopedische muziekkennis, is hoogstwaarschijnlijk een snob die dit luisteravontuur met niemand anders wil delen omdat hij zich kost wat kost verheven wil blijven voelen boven het plebs. Want waarom zou iemand die voldoende open minded is, het hart op de juiste plaats draagt en af en toe ook eens zijn eigen (muzikale) grenzen wil verleggen niet kunnen genieten van deze plaat? De thema's van de songs belangen immers ieder van ons aan.
Wat 'The Drift' voorheeft op haar voorganger is dat Walker deze keer iets meer heeft overgelaten aan het toeval. Zo werden bijvoorbeeld voor heel wat instrumenten (niet in de laatste plaats voor de strijkers) geen tot in de puntjes uitgeschreven arrangementen voorzien, maar eerder vage aanwijzingen. Het gevolg is dat alles dan ook veel natuurlijker en minder geforceerd overkomt dan elf jaar geleden. Het geheel klinkt ook veel organischer. Wanneer de muziek op 'Tilt' eerder was als water dat door de uitgegraven bedding van een kanaal loopt, dan hebben de tracks op 'The Drift' veeleer als het water van een rivier hun bedding zelf uitgesleten in het landschap.

Niet alles op 'The Drift' is van een even hoog niveau. Gelukkig maar, sommige nummers zijn zo intens (en vragen ook een dermate intense beleving van de luisteraar) dat het anders onmogelijk zou zijn geworden dit album in één keer uit te zitten. Veel (details) willen of kunnen we ook niet kwijt, omdat het ons het beste lijkt de plaat onbevangen op je af te laten komen, onvoorbereid op de verrassende wendingen, de (schrikwekkende) geluiden of de hoogst ongewone, bizarre, zelfs macabere percussie. Sla er in de platenwinkel het booklet met de poëtische teksten op na, probeer er eerst uw eigen soundtrack bij te verzinnen en neem vervolgens de proef op de som. Misschien slaat u fluks op de vlucht, maar mogelijkerwijze laat u zich meteen meeslepen door opener 'Cossacks Are' en laat u zich vervolgens neerkwakken op de eerste rij van een groezelige cinema voor 'Clara', een snuff movie over Benito Mussolini en zijn minnares Claretta Petacci, wordt u naar de keel gegrepen door 'Jesse', de klaagzang van Elvis die zich op het toppunt van zijn roem (maar eenzamer en wanhopiger dan ooit) richt tot zijn doodgeboren tweelingbroer, … Zo zouden we nog een hele tijd kunnen doorgaan, maar we zeiden het al: we zouden te veel verklappen en bovendien is 'The Drift' een kunstwerk dat u vooral zelf moet ondergaan en dat dan ook voor elke luisteraar een andere betekenis en een andere waarde zal hebben.

Over 'waarde' gesproken, we vinden het nog steeds absurd, hallucinant bijna, dat we voor dit kleinood niet meer hebben neergeteld dan een belachelijke 12 euro 80. Sta daar maar eens bij stil wanneer u tijdens één van de komende zomerfestivals staat aan te schuiven om weer een fortuin te besteden aan drankbonnen en food tickets!
E-mailadres Afdrukken