De donkere kamer (Cyril Bonin)

Eric d’Hooghe - 15 augustus 2011

Een ‘politiekomedie’, kondigt de achterflap van De donkere kamer aan. Na de reeks Fog is dat wel het laatste wat we van Cyril Bonin verwachten. Is deze strip dan een kat in een zak, of opent ze perspectieven naar de veelzijdigheid van deze stripauteur?

Een geheimzinnige titel en een covertekening die verwijst naar een ontdekking bij nacht. Mijn interesse was alvast gewekt. Ik kende het werk van Cyril Bonin in de eerste plaats van de reeks Fog, op scenario van Roger Seiter. Zoals alle adaptaties van het Jack the Ripper-verhaal was ook dit een donkere aaneenschakeling van gruwelijkheden en detaillistisch gepieker. Daarnaast tekende hij ook het eerste deel van Quintet, een vijfluik op scenario van Frank Giroud met voor elk deel telkens een andere tekenaar, over een Frans regiment in de Balkanoorlog in 1917. Zijn laatste wapenfeit was het one-shot “Quand souffle le vent” met auteur Laurent Garandon uit 2009. Meteen daarna begon hij aan de donkere kamer.

Na al die duisternis is Bonin er toch wel in geslaagd om voor een lichtere aanpak te zorgen, zowel in tekenstijl als in het verhaal, en dat ondanks de vele dubbele bodems. Het verhaal speelt zich af in 1912 en draait rond de familie Dambroise, een familie uit de hogere middenklasse die een groot herenhuis bewoont aan de rand van Parijs. Op een avond, even na middernacht, wordt er ingebroken en blijken drie schilderijen gestolen te zijn: de portretten van de voorouders van de Dambroise-familie.

Drie personages sturen vervolgens het verhaal. Ten eerste is er Alma Dambroise, tevensde verteller van het verhaal. Dat komen we echter pas na enkele pagina’s te weten, wat best lastig is als je de off screen in je hoofd heel de tijd met een mannenstem las. Alma is ook de ziel van het verhaal (de naam betekent overigens ‘ziel’ in het Spaans) Ze is de vrijbuiter van de familie, reist de wereld rond, kan schieten als de beste, is geïnteresseerd in vliegtuigen,... kortom, een feministe avant la lettre. Zij verwerpt elke vorm van dromen, in het bijzonder het lezen, wat erg contrasteert met haar nicht, Seraphine, die heel de tijd met haar neus in de boeken zit. Maar ook Seraphine is een vrij zelfstandige vrouw, die ook nog eens de verzorging van haar dementerende grootvader op zich neemt. Tenslotte is er nog het personage Alcide Leblanc, de koele, beredeneerde politieagent wiens naam een dubbel eerbetoon is aan Arsène Lupin, de ultieme held van Bonin. Ten eerste door de initialen met hem te delen, ten tweede door dezelfde achternaam te dragen als de schrijver van Arsène Lupin, Maurice Leblanc. Zijn enige zwakte is een extreme gevoeligheid voor bijgeloof.

Allen zijn ze op zoek naar de daders en hun motieven. Maar sommige personages blijken niet te zijn wie ze lijken te zijn en het verhaal leidt dan ook via allerlei haarspeldbochten en een -- niet al te wilde -- achtervolging tot een climax, waarbij een donkere kamer een belangrijk puzzelstuk wordt.

Bonin heeft net als Tardi een zwak voor het Parijs van het begin van de 20ste eeuw en begint ook goed gedocumenteerd aan zijn verhaal. Hij houdt dat ook vol en weet de tijdsgeest perfect weer te geven. Toch geeft hij de indruk dat dit een vingeroefening is voor zijn grotere geplande project: een serie over Arsène Lupin. Je krijgt een grote portie Agatha Chistie, maar ook het kabbelende tempo van haar detectiveverhalen, waarbij Alcide Leblanc heel wat Poirottrekken meekrijgt. Het verhaal leest aangenaam weg, de tekeningen (gebaseerd op de vrouwenportretten van Klimt) geven het verhaal een zekere lichtheid, maar het tempo ligt vrij traag. Toch geeft deze strip een zeker verlangen naar volgend werk van Bonin. Want dat hij een degelijk scenario kan schrijven en een begaafd tekenaar is, staat buiten kijf.

E-mailadres Afdrukken