De Adhemar Trilogie (Marc Sleen)

Joris Vanden Broeck - 08 september 2008

Een legende wordt levend gehouden. Standaard Uitgeverij bundelt drie Nero-verhalen met als rode draad Nero’s geniale zoon Adhemar. Zes jaar na het opdoeken van de serie, blijkt Nero nog veruit de meest onderhoudende Vlaamse strip uit de tweede helft van de twintigste eeuw.

Toen ondergetekende de leeftijd bereikt had waarop leren lezen deel begon uit te maken van het lessenpakket op school, werd in het ouderlijk huis een dagblad gelezen waarin enkele strips stonden. Er waren Garfield en Hagar, twee buitenlandse gags die gemakkelijk te volgen waren voor aspirant-alfabeten. Maar er waren ook andere strips: Suske en Wiske natuurlijk, maar ook die vervelende Rode Ridder. Al werd dat gecompenseerd door Robert en Bertrand — bohémiens voor het hele gezin — en, uiteraard, Nero.

Als kind Nero lezen is een vreemde ervaring, maar op een of andere manier moet er toch een gunstige indruk nagelaten zijn, want vanaf het moment waarop het onderscheid tussen klinkers en medeklinkers helemaal duidelijk was, is er tot het verlaten van het ouderlijk huis geen dag zonder Nero voorbij gegaan. De creatie van Marc Sleen is immers een unicum in de Belgische strip. Om eens één van die stereotiepen boven te halen: wat Kuifje was voor de gegoede bevolking, was Nero voor het gewone volk. Quatsch natuurlijk: er is geen enkele reden waarom iemand niet van zowel Nero als Kuifje zou kunnen houden, maar ergens zit er een grond van waarheid in de stelling.

Hoewel hij zijn verdiensten had, lag Kuifje immers nooit met een kater op de bank. Noch hallucineerde Kuifje dat de VS en de Sovjetunie elkaar met kernkoppen bestookten. Kuifje zou al helemaal geen bourgeois Amerikaan in elkaar timmeren omdat die laatste het op zijn zoon voorzien heeft. Nero wel. Nero was de impulsiefste aller stripfiguren en tussen een pak friet en een wafelenbak in kon dat vuurwerk opleveren. Zo ook, zo tonen voornoemde voorbeelden aan, in de pas uitgegeven Adhemar Trilogie.

Zes jaar geleden werd besloten een punt te zetten achter de reeks. Die beslissing valt te betreuren, al is er nu bij het openslaan van een krant van een andere persgroep niet meer dat wrange gevoel dat, hoewel het dagblad in kwestie misschien beter bij de persoonlijke levensovertuigingen aansluit, deze krant geen Nero in de kolommen heeft. Na meer dan 200 albums en met een auteur op leeftijd, is het mooi te stoppen. Het is een beslissing die moed vergt, maar net zoals rockbands vaak een beperkte levensduur hebben, geldt dat evengoed voor strips. Het is immers een klein wonder dat de reeks, aan het ronduit krankzinnige tempo van twee stroken per dag, meer dan vijftig jaar dergelijke hoge kwaliteit heeft kunnen aanhouden.

Om toch niet helemaal in de vergetelheid te verdwijnen — want voor een dagbladverschijnsel gaat het adagium "uit het oog, uit het hart" zeker op — brengt Standaard Uitgeverij sinds 2004 elk jaar een trilogie op de markt. Zo komt het dat de Adhemar Trilogie momenteel tussen de nieuwe albums in de stripwinkels ligt te pronken. De drie gebundelde verhalen (De Adhemar Bonbons, De Zoon Van Nero en Wonderboy) vormen een dwarsdoorsnede uit vijftig jaar Nero. Het uit 1960 daterende De Zoon Van Nero, in zijn ruwe zwart-wittekeningen, toont de pure, volkse Nero, waarin peuters nog zonder problemen op de lappen konden gaan en waarin enige koloniale invloed nog merkbaar was. Bijna twintig jaar later, in 1989, was Nero een gevestigde waarde. Het kolderieke was er misschien een beetje uit, maar wanneer hij uit zijn zetel kwam, kon Nero nog een echte held zijn. Een dromer ook, die niet minder dan de wereldvrede tot doel had.

Geen vier jaar later was Nero een andere strip. Wonderboy was het tweede album dat Sleen met de hulp van Dirk Stallaert gemaakt heeft. En, zoals eerder aangehaald, het was een moedige beslissing Nero stop te zetten. De typische Nero-verhalen konden en kunnen immers alleen maar uit Sleens koker komen. Maar met Stallaert had Sleen een gedegen assistent aan zijn zijde. De klare lijn die met Stallaert binnensloop, lijkt misschien een stijlbreuk, maar de voormalige Nino-tekenaar had zich in geen tijd de figuren van Sleen zo eigen gemaakt, dat het absoluut natuurlijk aanvoelt.

Aan de reeks mag misschien een einde gekomen zijn en door de veelvuldige referenties aan de toenmalige actualiteit kunnen de albums misschien wat gedateerd overkomen, maar toch moet het gezegd: het is goed dat deze albums herdrukt en opnieuw onder de aandacht gevestigd worden. Meer nog dan het idiote vendelzwaaien of de oubollige romantiek van Streuvels, is dit erfgoed. Wat Louis Paul Boon was voor de Nederlandstalige literatuur, was Marc Sleen met zijn Nero voor de na-oorlogse strip in Vlaanderen. En zelfs al is het kolder en bij momenten pure nonsens, zo degelijk als dit is volks amusement nooit meer geweest, zeker niet sinds 1989.

E-mailadres Afdrukken