Rullier

Ze heten allemaal Mohammed

6.0
Eric d’Hooghe  - 05 augustus 2012

Een ovaal hoofd en daarbovenop halve cirkels voor de oren. Dit zijn de eerste pentrekken van auteur Jerome Ruillier voor zijn personages die er uitzien als teddyberen. Hij vindt zichzelf de mannelijke Satrapi, maar…

Na het lezen van Mémoires d’Immigrés van Yamina Benguigui was stripauteur Jérôme Rullier zo onder de indruk dat hij haar de toestemming vroeg om er een graphic novel van te maken. Hij heeft er wel een persoonlijke toets aan gegeven door z’n beweegredenen eraan toe te voegen, maar toch is het een vrij getrouwe samenvatting van het boek van Benguigui. Het zijn verhalen van immigranten van de eerste generatie, vooral uit Algerije, die hij Mohammed noemt en die tegelijkertijd beantwoorden aan zijn persoonlijke alter ego.

De eerstegeneratie-allochtonen komen uitvoerig aan het woord in drie delen. In het eerste hoofdstuk, Vaders, vertelt Khemaïs (“je mag ook Mohammed zeggen”) over de onmogelijkheid hogerop te klimmen in de autofabriek waar hij al veertig jaar werkt. In het hoofdstuk Moeders komt een aantal sterke vrouwen aan het woord die ieder op hun eigen manier tegemoet proberen te komen aan de vaak tegengestelde eisen van familie, maatschappij en cultuur. Het hoofdstuk Kinderen gaat over de problemen van kinderen die opgroeien als tweedegeneratie-arbeidsmigranten. Naima, bijvoorbeeld, beschrijft de moeilijkheden op de universiteit en op straat, die ze ervoer nadat ze een hoofddoek begon te dragen en daardoor plotseling als minder Europees werd gezien.

Het boek leest als een stille melodie met het refrein: "terug naar huis / wij zijn niet thuis / Ik, mijn man of mijn vader werken elke dag, behalve op zondag". Hoewel de kortverhalen in deze novel gebaseerd zijn op echte interviews waarin mannen, vrouwen en kinderen vrijuit spreken, gebruiken we de term "stille" omdat deze personages vertellen over hun stilte, de jaren waarin die stilte hun enige toevluchtsoord was voor het alledaags racisme in Frankrijk en de moeilijkheden die gepaard gingen met hun integratie.

Ook komt tussen de verscheidene getuigenissen het geweten van de auteur naar boven, voorgesteld als een van de personages. Rullier komt tussenbeide om commentaar te geven op wat hij voelt. Hij maakt ook een verbinding met zijn eigen geschiedenis, of liever die van zijn dochter. Zijn aanwezigheid geeft tempo aan van het verhaal. Samen met hem vormt de lezer immers twee vreemde wezens die symbolisch lijken voor zijn waarneming als vormgever van het onderzoekswerk van Yamina Benguigui. Sterker nog, het geeft zijn visie weer bij de adaptatie van haar werk in stripvorm.

Een van de wezens in het boek is een donkere massa met twee horens. Het kijkt uit over de bibliotheek waarin het personage van Jerome Ruillier in eerste instantie binnentreedt. Die enscenering doet nadenken over de enorme taak die hij op het punt staat te beëindigen: het bekend maken aan het grote publiek van een stukje Franse geschiedenis over een onderwerp dat actueler is dan ooit.

Laat het duidelijk zijn, een nieuwe Satrapi is er zeker niet opgestaan. Daarvoor zijn de verhalen té sec en de tekeningen te saai. Interessant is het wel Je komt heel wat te weten over de beweegredenen van de eerstegeneratie-migranten. Let wel, het betreft hier vooral Algerijnen (toen officieel nog Fransen) waardoor de spiegeling naar het migratiebeleid in Vlaanderen vrij nutteloos is. Om lezers echt te bewegen, mist het geheel vooral humor. De opgestoken wijsvinger blijft het hele boek lang aanwezig, wat de lezer doet afhaken of wegdromen. Toegegeven, het is een lijvig boekwerkje, maar toch zal je het vaak opzij leggen om iets interessanters te doen. Het is zelfs aan te raden om het boek van Benguigui te lezen. Dat boek is duidelijk beter dan de strip.

E-mailadres Afdrukken