Banner

Groupov

Ruanda '94

Anne Dekerk; Matthieu Van Steenkiste - 15 mei 2002

In een reeks over het Franstalig Belgisch theater kon Ruanda ’94 niet ontbreken. Aangekondigd als de Waalse Ten Oorlog en beladen met een dergelijke politieke inslag, moest het wel sterk theater opleveren. Het werd echter een rommelig pamflet waarin al te theatrale elementen een flinterdunne verhaallijn met moeite bij elkaar houden.

De Luikse theatermaker Jacques Delcuvellerie maakte zijn voorstelling vanuit een rechtgeaarde verontwaardiging over wat er halfweg de jaren negentig in het voormalige Belgische protectoraat gebeurde. De stille genocide (het woord krijgt in de voorstelling een sterke symboolwaarde als erkenning van het lijden) ramt hij hardhandig door de strot van het publiek.

Een theatervoorstelling maken over de gruwelijkheden van die genocide, de ergste sinds de holocaust, is geen sinecure. Groupov werkte er vijf jaar aan en ging in 1999 met het stuk in première. Het gezelschap, vijf auteurs, acteurs, zangers, muzikanten en de componist Garret List, samen een twintig man sterk, ging op zoek naar Rwandese getuigen en trok zelf driemaal naar Rwanda.

Met de getuigenis van Yolande Mukagasana, een Rwandese Tutsi en overlevende van de moordpartijen, neemt het stuk een sobere start: in alle eenvoud vertelt ze over de moord op haar man en kinderen. "Ik ben geen actrice", verklaart ze, en die woorden krijgen een beklemmende zwaarte wanneer ze halfweg haar verhaal een eerste keer in tranen uitbarst. Als toeschouwer balanceer je tussen voyeurisme en empathie, en ongemakkelijk vraag je je af waar je naar kijkt.

Na die aangrijpende proloog schakelt Delcuvellerie over op een erg simplistische verhaallijn: Journaliste Madame Bee Bee Bee wordt geraakt door het onrecht van de genocide en trekt er in naïeve verontwaardiging op uit om Dé Waarheid te ontdekken.

Het verhoopte ironische spel van Joëlle Ledent als Bee Bee Bee blijkt haar al snel bittere ernst: ze kijkt zo mooi medelevend en verontwaardigd, neemt zo nadrukkelijk poses in, ze ac-téért dat het niet meer mooi is. Laat staan geloofwaardig.

De voorstelling werd een zoektocht naar hoe de theatrale ruimte een plek kan zijn om over de wereld en de mensheid na te denken. Het bleek een delicaat project waarbij het moeilijk is om én een theatrale taal en dramaturgie te bedenken én een aanklacht te doen door de feiten weer te geven. Theatraal gezien is Ruanda ’94 dan ook een rommeltje. Het is een uiterst inconsequente mengeling van stijlen en vormen: fictie en documentaire met een overdosis informatie, het circusachtige van Brecht en het kleurrijke simplisme van Cirque du Soleil.

Om zijn grote gelijk te halen grijpt Delcuvellerie zelfs regelrecht naar anti-theater: scharnierpunt in het stuk is een uiteenzetting van een klein uur, gezeten aan een tafel, over de afkomst van Hutu en Tutsi en waarom ze niet als etnische groepen kunnen beschouwd worden. Theater als excuus om de bevolking een les antropologie te geven? Je moet het maar durven: net door zijn radicaliteit dwingt de ingreep bijna respect af.

Ruanda ’94 balanceert voortdurend op het randje: het is teveel aanklacht en te weinig theater. Bij momenten vertoont het stuk minder nuances dan het gemiddelde PVDA-pamflet. Je wordt heen en weer gesleurd tussen karikaturaal neergepote visoenen, het nadrukkelijk ernstig acteren en het leed van een miljoen doden.

Hoogst ironisch trouwens: het is net op de momenten dat Ruanda ’94 theater wordt dat het zijn doel voorbij schiet. Immers, uit de les geschiedenis en de spreekkoren van vermoorde Rwandese getuigen hou je veel meer over. Ruanda ’94 is volgens Delcuvellerie "een symbolisch eerherstel voor een miljoen doden’. Kan politiek theater beklijven? Misschien wel, maar dan moet het wel theater blijven.

E-mailadres Afdrukken