Banner

Het Toneelhuis

Cirque Danton, Eige vollek eest

Anne Dekerk - 15 maart 2002

Decorte deed het weer. Volgens sommigen valt hij in herhaling, anderen claimen dat een unieke geradicaliseerde stijl heeft ontwikkeld en een eigenzinnige plaats veroverde in het dorre theaterlandschap.

Sinds zijn comeback met Bêt Noir werkt Decorte telkens samen met P.A.R.T.S.-danseressen. Hij heeft een voorliefde voor grote klassiekers die hij herschrijft in zijn eigengereide, uitgepuurde taal. Telkens gaat hij tot op het bot van een tekst, zonder deze te reduceren tot een nietszeggende kern. Zijn taal is speels en poëtisch, tastbaar en lichamelijk, ze gaat dwars door je heen. Het verhaal maakt hij tot zijn essentie: kritisch, hard en breekbaar. Op de meest uiteenlopende wijzen werd Büchners Dantons dood reeds opgevoerd. Een van die memorabele opvoeringen was van Tg Stan. Daar mag er nu één aan toegevoegd worden: de beklijvende opvoering van Decorte, die uiteindelijk nog maar bitter weinig met Büchner te maken heeft.

Georg Büchner (1813-1837) schreef Dantons Dood in een vijftal weken. Hij werd op dat moment sterk in de gaten gehouden door de politie omwille van zijn politieke activiteiten. Het is vijf jaar na de Franse revolutie. Bon vivant Danton (Jan Decorte) zwijmelt vol hoop doorheen de uitwassen van de revolutie. Hij was het boegbeeld van het volk en denkt dat aan het massacreren een einde komt. Zijn voormalige vriend Robespierre (Sigrid Vinks) is zowat het tegenbeeld van Danton. Het komt tot een woordenduel. Robespierre is in feite een rigide, rationele, puriteinse fundamentalist die meent dat dit bloedbad een deugd is. Hij houdt vol in de revolutie. Hij arresteert Danton omwille van zijn vermeende contrarevolutionaire ideeën. Beiden zijn ze zo overtuigd van hun eigen mening dat hun geloof een eigen leven gaat leiden. Het zijn illusies die leiden tot de meest extreme toestanden.

Decorte koos voor een resem jonge — niet noodzakelijk opgeleide — acteurs die hij via audities rond zich verzamelde. In vormeloze witte kleedjes (als lijkwaden) staan ze onder de blik van een neerkijkende, halve giraf op het podium. Aan de andere kant staat een houten constructie met uitgesneden machtszuilen: de kant van de machtswellust met vooral Robespierre en de jolige St. Just (Herwig Illegems van het gezelschap De Zweep), maar ook Danton.

Julie (Lisa Man), Dantons vrouw, verschijnt naakt met rode strepen over haar lichaam. Wanneer Lucile (Iris Van Cauwenbergh) het verhaal doet over hoe de gevangenen behandeld worden en de vrouwen verkracht, heft ze haar wit kleed op en schudt ze haar billen. Het is een pijnlijke en genante verzinnebeelding van de verschrikkingen.

In een scène daarna gaan de — ietwat onhandige — jonge acteurs in ondergoed op elkaar liggen. Het beeld van een lillende hoop vlees, een massa lichamen, die bijna niet van elkaar te onderscheiden zijn, maar lichaamsdelen worden, begint te trillen. De beelden dragen de stempel van Charlotte Van Den Eynde. In Amlett speelde ze Ophélie, nu verzorgde ze de choreografie van de voorstelling.

Het is ongelooflijk hoe 11 september een echo vormt bij het zien van de opvoering. Vooral wanneer herhaaldelijk het woord "septembre" valt. De september waarvan hier sprake is, is september 1792 toen extremistische sans culottes de Parijse gevangenis binnenvielen en er 1100-1400 gevangenen doodden. Decortes taal snijdt door je heen en de danstaal wordt gekerfd op je netvlies. Uitspraken als "deugd is terreur" blijven bonzen in je hoofd…

E-mailadres Afdrukken